|
INTERVIEW MET WFH
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
Het boek van Nu 5, 1951-1952, nr 10, juni 1952 Al
pratende met Willem Frederik Hermans G.H.
's-Gravesande
De
leeszaal van de
Koninklijke Bibliotheek.
Ik zit bij de encyclopedieën. Als ik
opkijk zie ik Hermans aan een tafel lezen. Ook hij kijkt op en aan zijn blik zie
ik, dat hij mij herkent van een afbeelding, zoals ik hem. Een paar dagen later
staan we beiden in deze onvolprezen bibliotheek te wachten op boeken. Ik stel
mij voor en blijk mij niet vergist te hebben. We raken in druk gesprek over J.
van Oudshoorn en tenslotte stel ik hem voor eens een interview te hebben. En
zo zitten wij dan op zijn werkkamer tegenover elkaar. Ik stel hem voor mij te
vertellen, wat hij kwijt wil, maar hij geeft er de voorkeur aan dat ik vragen
stel. Dus
vraag ik hem waar en wanneer hij geboren is. Enigszins
onwennig antwoordt hij: H:
Te Amsterdam, in 1921. Ik wilde sinds mijn dertiende jaar geoloog worden. Dat
lijkt misschien vreemd voor iemand die tenslotte de letteren als beroep gekozen
heeft. Toch zijn er relaties tussen de geologie en de literatuur. Goethe interesseerde
zich bijzonder voor de geologie. De auteur van de Reizen van Baron Von Münchhausen,
Rudolf Erich Raspe, was een geoloog, zelfs een van de belangrijkste van de
achttiende eeuw. De grondslagen van de geologie van Nederland zijn gelegd door
Staring, zoon van den dichter. Toch ben ik niet helemaal een geoloog geworden.
Mijn vader had er bezwaren tegen. Uit
mijn voorkeur voor de natuurwetenschappen valt te begrijpen dat ik in mijn jeugd
weinig voor de letterkunde voelde. Als studievak zou ik er nóg niets voor
voelen. Op het gymnasium heb ik de B-afdeling gevolgd, waar ik nooit spijt van
heb gehad. De scheiding tussen de z.g. geesteswetenschappen en de
natuurwetenschappen zie ik als een tussen een gebied, waarop géén universele
verstandhouding mogelijk is en een gebied waar dat wel mogelijk is. De
literatuur behoort tot het eerste gebied, de natuurwetenschappen, sommige vormen
van logica, statistiek enz. tot het laatste. Op het eerste gebied is een
duidelijk onderscheid tussen innerlijke en uitwendige werkelijkheid niet
mogelijk. Degenen die de literatuur als wetenschap bestuderen, maken altijd de
fout via innerlijke werkelijkheden uiterlijke te willen leren kennen. Een
concreet voorbeeld: romans worden altijd weer misbruikt om historische,
geografische, sociologische, of vooral psychologische feiten uit te putten. Dat
lijkt mij onmogelijk. Ik acht het uitgesloten iemands psychologische gesteldheid
te leren kennen uit een roman die hij geschreven heeft, zelfs niet uit een
autobiografie, ook al is het feit dat hij geschreven heeft op zichzelf een deel
van zijn persoonlijkheid. Ik
heb een hekel aan alle vaagheid die voor stelligheid wil doorgaan. Ik voel ook
niets voor religie. Gelukkig ben ik niet religieus opgevoed en niet eens
gedoopt. Ik zeg: gelukkig, omdat het in ons land bijzonder moeilijk schijnt te
zijn religieuze gevoelsgewoonten binnen redelijke perken te houden; dat ziet men
ondermeer aan onze literatuur, die daardoor bijna helemaal van typische
literaire uitdrukkingswijzen verstoken is gebleven. Wij hebben haast geen echt
proza.
In uw laatste boek Ik heb altijd gelijk keert u zich tegen het
katholicisme. H:
Niet tegen deze godsdienst als zodanig, daarover heb ik mij nooit uitgelaten,
al kan ik u verklappen dat ik graag zou zien dat sommige dieren, bv. de kat,
heilig konden worden verklaard, zoals de koe bij de Hindoes. Als ik gelovig was
zou ik alleen de voorspraak der heilige dieren willen inroepen. In het algemeen
is de lage rang van het dier in het Christendom te betreuren. In den bijbel komt
geen enkele kat voor. De mens staat veel dichter bij het dier dan christelijke
denktradities ons doen menen. Dit moet u vooral niet opvatten als een verwijt
of als een hatelijkheid. Het wil alleen maar een constatering zijn. Ik ben
tegen het verlenen van macht aan alle begrippen die men niet, zoals de
natuurwetten, als vanzelfsprekend kan aanvaarden zonder hulp van de politie,
economische dwang of wapengeweld. Ik
acht ook alle ethiek hersenschimmig. Natuurlijk is men in zijn gedrag nooit
geheel vrij. Maar dat is alleen het gevolg van 's mensen allesbeheersende zucht
tot nabootsing en van de dwang die de groep, waarin hij leeft, op hem
uitoefent. Alle moraal is groepsmoraal en uitsluitend een compromis dat wordt
opgezegd, zodra iemand de geestelijke en bovendien materiële kracht heeft, zich
er niet aan te houden. Maar de meeste mensen komen niet in de gelegenheid en
degenen die over moraal schrijven in de laatste plaats. Voor
schrijvers in het algemeen is het trouwens zeer moeilijk zich aan de groep te
onttrekken. En zeker voor Nederlandse schrijvers; hun bestaan is immers
ondenkbaar zonder de groep die Nederlands leest en dat zijn voor het overgrote
deel Nederlanders. Gaan schrijven in een andere taal acht ik een onmogelijkheid,
zeker als men een bepaalde leeftijd bereikt heeft en niet vele jaren van zijn
jeugd in een of ander land heeft doorgebracht. Daarom geloof ik dat de meeste
Nederlandse schrijvers, ook de opstandigsten onder hen, toch nationalistischer
zijn dan men zou denken. De vernietiging van de natie kunnen zij nooit in ernst
willen, omdat dit meteen de vernietiging van hun eigen schrijver-zijn zou
inhouden. Als ik lange tijd in een vreemd land ben, word ik soms door een
gevoel van algehele nietigheid beslopen, omdat ik denk: stel je voor dat in mijn
afwezigheid Nederland in de Noordzee verdwijnt en dat ik hier altijd zou moeten
blijven; dan zou schrijven voor mij een volkomen zinledige levensvervulling zijn
geworden, zó zinledig, dat er niet eens meer een zin voor gefantaseerd
zou kunnen worden.
Wat studeerde u na uw eindexamen? H:
Eerst een jaar sociografie, daarna fysische geografie en mineralogie. In 1943
deed ik kandidaats. Toen ben ik door de Duitse maatregelingen twee jaar
opgehouden. In 1945 liet ik mij weer inschrijven, maar veel gestudeerd heb ik
toen niet. Ik schreef in De Baanbreker en in '46 werd ik redacteur van
Criterium. Tot '49 heb ik helemaal niet gestudeerd, maar had toch zo nu en
dan spijt. Daarom heb ik eind 1950 het doctoraal gedaan met etnografie en
filosofie der natuurwetenschappen als bijvakken.
Bent u jong gaan schrijven? H:
In April 1940 debuteerde ik met een novelle in het zaterdagavondbijvoegsel van
het Algemeen Handelsblad. Conserve
werd in sept. '43 voltooid. De
meeste novellen uit Moedwil en misverstand dateren van 1941 en
iets later. De tranen der acacia's begon in '46 in Criterium
te verschijnen. Het heeft dat blad 1000 abonnees gekost van de 1600. Hele
ziekenhuizen, sociëteiten en leesgezelschappen zegden het tegelijk op. Nu is
de tweede druk van De tranen der acacia's uitverkocht. Misschien
is men enigszins aan mij gewend geraakt. Het boek was eind '47 klaar, maar ik
kon er geen uitgever voor vinden tot Van Oorschot het twee jaar geleden
aandurfde.
Zijn de gebeurtenissen daarin uw eigen ervaringen? H:
O nee. Het is voor 99% gefantaseerd. Maar waarschijnlijk staan iedere auteur
werkelijk bestaande toestanden en personen voor de geest bij het schrijven.
Soms menen mensen ten onrechte zich te herkennen. Dit is ook bij mijn laatste
boek, Ik heb altijd gelijk, gebeurd. Verder verschijnt er nog een
novelle Het behouden huis en nu ben ik bezig na te denken over
mijn volgenden roman die De souteneurs zal heten en bijzonder dik
wordt. Overigens zie ik al deze boeken nog maar als voorbereidingen.
Wat denkt u van de litteraire kritiek in onze tijd? H:
Die sla ik niet zeer hoog aan. Dit houdt niet in dat ik mij veronachtzaamd voel.
Ik lees meestal wat er over mij geschreven wordt, in tegenstelling tot andere
auteurs die dat uit principe nooit doen. Maar ik kom zelden opmerkingen tegen
waar ik wat aan heb. Haast nooit wijst iemand op fouten die ik zelf ook als
fouten erken. De meeste zogenaamde fouten waar critici de vinger op leggen,
zijn opzettelijk zo bedoeld, wat zij niet hebben begrepen. Toch, maar dat is een
zeldzaamheid, wijst iemand wel eens op iets waaruit mij blijkt dat ik er niet in
geslaagd ben wat ik bedoelde duidelijk tot uitdrukking te brengen. Maar meestal
houdt men zich bij algemeenheden die niets anders zijn dan de eigen vooroordelen
van de criticus. In De tranen der acacia's wilde men over 't algemeen niets anders zien dan een beeld van
de oorlogsjeugd of een requisitoir tegen ouderen, resp. de ouders. Dat is het
natuurlijk ook wel, maar een dergelijk requisitoir kon en kan altijd geschreven
worden. De buitenlandse litteratuur in de 19e eeuw is er vol van. Ook bij ons (Multatuli).
Het verschil is alleen dat de opstandigen van toen in de juistheid van hun
vernieuwingsidealen geloofden, terwijl ik in De tranen der acacia's
en Ik heb altijd gelijk juist heb willen doen uitkomen dat zij,
die in de contramine zijn, geen gelijk hebben en dat bovendien zelf heel goed
weten. Ik heb er de nadruk op gelegd dat iemands voorstellingen in geen
verhouding staan tot de werkelijkheid. Dat is een mening die niets met
tijdsproblematiek heeft te maken. Ik
geloof dat critici zich in de eerste plaats met de techniek, vooral de
compositie van een boek, zouden moeten bezighouden, met de uitbeelding eerder
dan met het uitgebeelde. Dat zou een manier zijn om iets concreets te zeggen,
maar juist van de techniek weten de meesten niets. Liever komen zij met
vaagheden aandragen. Vroeger waren die uit de theologie geput, tegenwoordig uit
de psychologie. Dat laatste is zo mogelijk nog erger. Immers, ieder gelovig mens
heeft min of meer het recht voor theoloog te spelen, maar de psychologie is
tenslotte een zeer speciale wetenschap, waar althans in ons land, geen enkele
criticus zich in heeft verdiept. Wat zij onder 'psychologisch aanvoelen'
verstaan, is niets anders dan het projecteren van eigen psychische
omstandigheden op anderen. Dat is precies hetzelfde wat de romanschrijvers zelf
ook doen, alleen, die projecteren hun psychische omstandigheden op de personages
van hun eigen romans, niet op de romans van anderen, zoals de critici doen.
Daarom vinden de meeste critici een roman goed, als de erin voorkomende
personages henzelf op een of andere wijze sympathiek zijn. Maar het merendeel
van de kritiekschrijvers komt zelfs daar niet aan toe. Ik zou statistisch
kunnen bewijzen dat 70% der critici een boek niet, of half leest, of laat ons
zeggen alleen de even pagina's. Ze halen namen door elkaar, verhaspelen de
intrige, enz. Vindt u dat, in vergelijking met de vooroorlogse, de kritiek is achteruitgegaan? En acht u de kritiek in het algemeen van belang? Van
heel groot belang. In de eerste plaats voor de auteur en ook voor het inlichten
van het publiek.
Denkt u dat zij tot kopen brengt? De
critici, wier raad wordt opgevolgd door het publiek, hebben soms heel weinig
gezag in de ogen van de auteurs en omgekeerd. De ideeën van Menno ter Braak en
E. du Perron bv. hebben haast geen invloed gehad, ook niet op de schrijvers,
ondanks veel, merendeels postume bewondering. Vele jonge critici herhalen hun
trefwoorden en parafraseren hun zienswijze, zonder hun methoden werkelijk
zelfstandig te kunnen toepassen. Vooral Ter Braak is een modeverschijnsel
geworden. Maar het is van het hoogste belang dat het publiek in de dag- en
weekbladen uitvoerig wordt voorgelicht. Niet uit commercieel oogpunt, maar
omdat men dan den indruk heeft dat er iets gaande is. Dat is voor het hele
litteraire bedrijf een aanmoediging. Men heeft dan niet het gevoel in een
luchtledig te leven, wat geloof ik, haast alle schrijvers in Nederland hebben.
Wilt u dan niet zelf kritieken schrijven? Ik
doe het wel eens. Maar ik zou liever in een half jaar een roman schrijven, dan
een heel jaar lang iedere week een boek bespreken. Van de vooroorlogse
generatie voel ik het meest voor Du Perron. Hij stak ver boven de anderen uit.
Wat er nu aan proza verschijnt, ziet u daarin talenten? Ik
voel veel voor Van het Reve. Ook de Vlaming Louis-Paul Boon. Zijn Mijn kleine
oorlog is hier veel te weinig bekend. De mémoires van
J.B. Charles, Volg
het spoor terug, zijn interessant, maar soms te slecht geschreven.
En Kossmann? Door
De nederlaag kon ik niet heen komen, wat mij zelden gebeurt. Hij mist
daarin nog elk gevoel voor afwisseling en verhoudingen. Zijn nieuwen roman ken
ik nog niet. Ik lees het liefst buitenlandse litteratuur, vooral Frans. De
Amerikaanse roman staat technisch hoger, is wat dat betreft meestal volmaakt.
Maar voor vergelijking met de Franse litteratuur komt de Amerikaanse letterkunde
natuurlijk niet in aanmerking. Toch heeft in mijn prille jeugd de Duitse
litteratuur veel invloed op mij gehad, vooral Heinrich von Kleist. Dat kwam
doordat Duitse klassieken op het Amstelveld en het Waterlooplein voor dikwijls
niet meer dan drie cent te krijgen waren. Daar ging ik iedere week op zoek.
En voor de poëzie? Men
komt wel eens de mening tegen dat de Nederlandse poëzie het Europese peil van
onze litteratuur zou kunnen bewijzen. Dit geloof ik niet. Zij is te arm aan ideeën,
iemand als Leopold uitgezonderd, wiens ideeën mij helaas niet bijzonder liggen.
Ook Dèr Mouw had ideeën, maar zijn versificatie is oerlelijk. Voor zover onze
poëzie charme heeft, bestaat deze uit onvertaalbare nuances. Maar als men een
gedicht van Baudelaire,
O.V. de L. Milosz
of Eluard gewoon in proza vertaalt,
blijft er toch nog zeer veel over. Van de oudere dichters voel ik het meest voor
Hendrik de Vries.
Wat
denkt u van de manier waarop HET
BOEK IK is
geschreven? Tot
mijn verbazing merk ik dat sommige critici het voor een surrealistisch product
houden. Dat is het in het geheel niet. Het stamt regelrecht af van het
Amerikaans-Parijse tijdschrift uit de dertiger jaren Transition. Dat was
een reactie tegen het wetenschappelijk denken. Deze mensen wisten waarom zij zo
schreven en waartegen. Maar nu doet men het omdat anderen het hebben gedaan.
Deze manier van prozaschrijven komt trouwens voort uit een misverstand
van het moderne denken.
Sluit de poëzie hierop aan? Nee,
de experimentele poëzie staat hier naast. Deze zie ik wel als een betrekkelijke
vernieuwing. De roman kan zich niet hernieuwen door a-logische
taalexperimenten, maar door het kiezen van andere onderwerpen, door het scheppen
van nieuwe karakters, het veranderen van perspectief, zienswijze, compositie,
enz. (Hij steekt een nieuwe sigaret op en gaat dan verder in op mijn vraag.) Sommige
gedichten van Lucebert, bv. Meditatie van een mond vol builenbal, grijpen
mij sterk aan. Ook de verzen van Paul Rodenko en Leo Vroman. Een enkel van Remco
Campert. Hans Lodeizen vergelijkt men thans wel met Perk. Volgens mij heeft hij
met Perk, behalve een vroeg overlijden, ook gemeen dat hij enigszins wordt
overschat. Toch geloof ik dat men zijn dood ten hoogste betreuren moet. Hij is
nauwelijks aan een begin van rijpheid toegekomen, terwijl, voor mijn gevoel,
Perk al was uitgepraat. Lodeizen was ook veel minder ouderwets in vergelijking
met den stand van de wereldlitteratuur dan Perk in zijn tijd.
En de tijdschriften? Ik
heb mij er de hele naoorlogse periode mee bezig gehouden en meen te weten
waarover ik spreek als ik u zeg: het is een doodlopend slop. Het ergste is, dat
zij geen goede kopij kunnen krijgen. Het litteraire leven in Nederland is verre
van bloeiend. Er wordt veel geschreven, maar zelden iets oorspronkelijks.
Er is geen animo.
Wat denkt u over regeringssteun aan tijdschriften en personen? Deze
is niet minder dan onontbeerlijk. Litteratuur is tenslotte ook een soort
industrie die er zonder geld niet kan komen. (Als we even doorpraten over het subsidie van 120.000 gulden voor de verzamelde werken van Hooft, vlamt Hermans op.) De
Historiën van Hooft vind ik het afschuwelijkste proza dat er bestaat. Het
is akelige aanstellerstaal. Hij heeft zeker wel goede gedichten geschreven, maar
zijn proza is verschrikkelijk. Dat vond zijn tijdgenoot
Focquenbroch
ook en
onder meer daardoor ben ik ertoe gekomen mij in die dichter te verdiepen. Er is
in Nederland, in tegenstelling tot Frankrijk, haast geen enkel klassiek auteur
te vinden waar jonge schrijvers van zouden kunnen leren. De Nederlandse
klassieken zijn curiositeiten voor filologen. Men kan er geen enkel gezond idee
in vinden. De Camera Obscura wordt op scholen gelezen, terwijl men er
helemaal niet op schijnt te letten hoe bv. in De Familie Kegge
op de meest laagburgerlijke manier de spot wordt gedreven met een
West-Indische familie. Veel beter zou men bv meer aandacht kunnen besteden aan
Busken Huet, niet aan zijn verouderde litteraire opstellen, maar aan een essay
zoals dat over Valckenaer. Men kon in het algemeen veel beter leesstof voor de
scholen zoeken bij niet-literatoren, zoals Bontekoe. Waarom leest men niet uit
Quack, De Socialisten? De enige auteur van betekenis is
Multatuli, maar
hij is te grillig en te gecompliceerd om een goed schoolvoorbeeld te mogen
heten. Met dat al bestaat er geen enkele klassieke Nederlandse roman; in de 17e
eeuw was er helemaal niets, in de 18e eeuw kregen we den roman in brieven
Sara Burgerhart. Dat was al een klakkeloos nageaapt bastaardgenre, een
experimentele roman uit die tijd. In
Engeland zijn er in de 18e eeuw teveel grote auteurs om op te noemen: Defoe,
Swift enz. In Frankrijk dito. Alles in één zin samengevat kan men zeggen: In
Nederland worden en werden er altijd maar weer experimentele romans gemaakt; de
eerste klassieke roman moet eigenlijk nog geschreven worden. Dat is misschien
het belangrijkste experiment dat men in Nederland op literair gebied kan nemen. En daarmee eindigde ons langdurig gesprek dat door het gespin van een zwarte poes, die bij Hermans op schoot zat, werd geaccompagneerd.
(Voor deze (her)publicatie werd de spelling gemoderniseerd). OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
|
|
Bezoek deze pagina's in uw eigen volgorde Plaats "WILLEM FREDERIK HERMANS" bij uw favorieten Ach, waar bemoei ik mij eigenlijk mee?
KENNISMAKEN MET WFH --- SPELLETJES MET WFH LUISTEREN NAAR WFH --- BIJSCHRIJVEN OVER WFH --- ADVERTEREN MET WFH NAAR DE FILM MET WFH --- AUTOBIOGRAFIE VAN WFH MULTATULI EN WFH --- SCHRIJFMACHINES VAN WFH TIJDSCHRIFTEN OVER WFH --- PLAATJES KIJKEN MET WFH WEINREB, EEN KWESTIE VAN WFH --- BOEKJES LEZEN MET WFH RIJMEN MET WFH --- WITTGENSTEIN EN WFH --- NAAR ZWEDEN MET WFH? AANDENKEN AAN WFH --- OP TONEEL MET WFH --- INTERVIEWS MET WFH POST VOOR WFH --- TE GAST BIJ WFH
Bij het samenstellen van deze site heb ik gepoogd bestaande rechten op tekst en afbeelding te eerbiedigen. Mocht er toch nog bezwaar zijn tegen het gebruik van materiaal, laat u dat dan onverwijld weten?
De links naar de verschillende pagina's werden voor het laatst bijgewerkt op: zaterdag 23 december 2006 |