|
INTERVIEW MET WFH
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
Vrij Nederland, 8 maart 1969
Rein Bloem
Ik
ben er nooit op uit geweest een image te kweken van iemand die in de contramine
is, dit ten eerste; ten tweede: je kunt er niet aan beginnen al het kwaad dat
over je verteld wordt tegen te spreken; ten derde: de feiten liegen er niet om -
zoals u weet is mijn
Mandarijnen
op zwavelzuur bij gedeelten al verschenen in 1955, toen in 1963 door mij
als verzameling uitgegeven en in 1967 herdrukt. Alle mensen die feiten hadden
kunnen vinden die onwaar zijn, hadden ampel gelegenheid om die fouten te
signaleren en ik zou ze zeer zeker verbeterd hebben, want ik hecht er aan dat in
dit boek niets staat dan wat waar is. Maar er zijn nooit serieuze aanmerkingen
op het boek gemaakt, behalve door Weverbergh. In het laatste hoofdstuk van de
herdruk heb ik mij gericht tegen Weverbergh: er blijft helemaal niets van over.
En niet alleen ik vind dat, maar ook Fens - die aanvankelijk dacht dat
Weverbergh met ernstige bezwaren gekomen was - ook Fens moest erkennen dat het
allemaal onzin was. Een
ander voorbeeld: na mijn lezing De tekenen des tijds (later gepubliceerd in Raster)
zei men dat het onrechtvaardig was om Bolland aan te vallen vanwege de ene kant
van zijn werk waarin hij faalde en het ene boekje van Johan Huizinga, In de schaduwen van morgen, waarin hij zich van zijn slechtste en
vaagste zijde liet kennen. Maar deze lezing pretendeerde helemaal niet een beeld
te geven van Bolland en Huizinga. Het ging om de vraag: in hoeverre zijn
cultuurfilosofen in staat om de tekenen des tijds te wichelen, om tot een
enigszins betrouwbare kritiek op hun eigen tijd te komen en om een uitzicht op
de toekomst te geven waarvan je achteraf denkt: ze hebben het wel een beetje
gezien. Ik had daarvoor misschien ook Sprengler, Ortega y Gassett en Toynbee
kunnen nemen, maar ik heb Bolland en Huizinga genomen omdat het Hollandse
schrijvers zijn. Ook had ik hedendaagse wichelaars kunnen nemen, Bouman
bijvoorbeeld of McLuhan, maar daar heb ik erg oppervlakkig kennis van genomen,
er zijn nu eenmaal een heleboel boeken waarvan je al tevoren weet dat je het er
niet mee eens bent. McLuhan - dat is een soort geraaskal, hier en daar wel erg
briljant geraaskal. De wijze waarop dat soort mensen denkt, dat is iets waarmee
ik zo langzamerhand afgerekend heb, het is hopeloos, het biedt geen perspectief,
die mensen zijn op een weg die tot niets productiefs kan leiden. Nu kunt u
zeggen: u kon van te voren ook wel weten dat u het met Bolland en Huizinga niet
eens zou zijn. Maar ik moet zeggen: die heb ik voor het eerst gelezen toen ik
een jaar of achttien-negentien was en toen was ik daar vanzelfsprekend veel
ontvankelijker voor. Jazeker - als ik over iets schrijf dan pik ik niet zomaar
iets, dan is het altijd iets waar ik au fond erg lang mee bezig ben. Bovendien:
er zijn nogal wat mensen die het vanzelfsprekend vinden dat alles wat dertig of
veertig jaar oud is, ook verouderd is, afgedaan, daar mag niet meer over gepraat
worden; maar in andere landen is het heel normaal om je nog 's te bezinnen op
ideeën van auteurs die niet tien of twintig jaar, maar honderd of tweehonderd
jaar dood zijn. Men heeft mij ook altijd verschrikkelijk kwalijk genomen dat ik
mij nog wel eens heb afgevraagd: wat eigenlijk betekent Ter Braak? Dat was
schoppen tegen een lijk en zo meer. Maar ik vind het verschrikkelijk dat
bewonderaars van iemand als Ter Braak over die man denken in termen als lijk.
Wat voor bewonderaars zijn dat? Ze moesten dolblij zijn dat er nog over hem
gepraat wordt. Wat
nooit veroudert, dat zijn de toestanden en verschijnselen die in Nederland op
een bijzondere manier vereerd worden. Er zijn hier nog steeds schrijvers, ik wil
geen namen noemen, van wie gedacht wordt dat het gewichtige mensen zijn. Ik vind
dat tragisch, omdat - als je eenmaal het gevoel hebt of doorzien hebt hoe weinig
belangrijk de Nederlandse literatuur is en je wilt niet in de voetangels en
klemmen van die onbelangrijkheid vallen - dan moet je enorm uitkijken,
voorzichtig en wantrouwig zijn. Als je in een bepaald land leeft, oefent de hele
cultuur, het hele verleden, de hele omgeving van dat land een druk op je uit,
waardoor we allemaal, hoe verschillend we ook zijn, toch Nederlandse schrijvers
zijn, ik ben ook een Nederlandse schrijver. En
het helpt je niet of je op de manier van Du Perron in Parijs gaat wonen -
in
Parijs wonen, dat is al iets typisch Nederlands, de mislukte vlucht uit wat ze
het provincialisme noemen. Ik ga in Parijs wonen en dan ontkom ik eraan - dat is
onzin. Je moet niet proberen je eigen land te ontvluchten, maar als het idee
hebt dat het tot dusver allemaal erg provinciaal is geweest, dan moet je over je
eigen land en je eigen ideeën, alles waar je mee geboren bent en alles wat je
aangeleerd is, dan moet je daarover op zo'n manier proberen te schrijven dat het
niet zo provinciaal is - dat is de enige manier om er aan te ontkomen. U
zult mij moeten toegeven: ik ben helemaal niet iemand die onwelwillend of
vijandig tegenover Du Perron staat, ik heb een heel uitvoerig stuk over hem in Mandarijnen op zwavelzuur
geschreven, maar ik heb er niets anders dan onzin op te horen gekregen, van: hij
is alleen maar anti-Du Perron.. Ten eerste was ik helemaal niet anti-Du Perron,
ik houd alleen staande dat hij eigenlijk geen groot schrijver was. Het
land van herkomst, dat heb ik zeven keer gelezen en het is een erg aardig
boek, maar daarom is nog geen echt groot boek. Schandaal
in Holland heb ik nooit gelezen. Dat speelt in de 18e eeuw en daarin worden
bijvoorbeeld knechts domestieken genoemd, nou ja; een onbevleugeld boek.De man
moest eigenlijk dankbaar geweest zijn dat die erfenis hem zogenaamd door de neus
geboord is - dat heeft hem aan het enige boek van betekenis geholpen. En ook dat
boek wordt niet meer gelezen en dat is begrijpelijk. Het boek heeft gewoon
technische bezwaren, maar die kleven aan meer Nederlandse boeken omdat ze een
veel te grote journalistieke kant hebben, dat ze als het ware rekenen op een
bekendheid van de lezer met toestanden die actueel waren in de tijd dat het boek
geschreven werd, maar tien jaar later is iedereen die vergeten. Het
ideaal moet zijn om een boek te schrijven zo, dat iedere imbeciel het kan
begrijpen, niet alleen nu, maar ook over tien of over honderd jaar. Alles moet
van de grond af worden opgebouwd, natuurlijk zonder met voetnoten of zo te gaan
werken, het hoeft niet zo kinderachtig te worden dat iedereen zich rot verveelt.
Maar Het land van herkomst is
journalistiek - de toestanden worden niet in proportie gezien. Het Stavisky-schandaal en een beetje schieten op Place de la
Concorde, terwijl dat goddomme altijd in Parijs gebeurt, in Berlijn gebeurt, in
Mexico - heel gewoon en dat wordt in het boek zo ongeveer beschreven alsof de
ondergang van de wereld was aangebroken; het was nogal een knullige geschiedenis
zoals we allemaal weten. Allerlei
buitenlandse schrijvers hebben ook met dat milieu te maken gehad. Er zijn
honderd of vijftig jaar geleden ook schrijvers geweest die uit de provincie
kwamen, neem de Russische schrijvers. Ik weet niet of ze ooit bewust met dat
probleem hebben gekampt. Maar als Dostojewski of Tolstoi op de manier geschreven
hadden als Du Perron schreef, dan zou dat bargoens wezen. Die dorpstoestanden
die Tolstoi of Gogol beschreef, waren zo beschreven dat ook een verre
buitenlander begrijpt waar het over gaat. Dan
zijn er nog steeds mensen die denken dat de Nederlandse
poëzie, als die alleen
maar toegankelijk zou zijn voor het grote buitenland, dat iedereen daarvan zou
zeggen: Nederland, dat is een heel gewichtig land op het gebied van de poëzie. Ik
zal u 's iets vertellen: als ik zou nemen het verzameld werk van Baudelaire of
Apollinaire en ik vertaal dat zoals een schooljongen uit het Frans vertaalt, dus
zonder te pogen het zogenaamd te herdichten of mooi te maken of wat dan ook -
dan krijg je een tekst waarin nog tachtig procent van de poëtische kracht
behouden is. Dat komt door de beeldspraak van die mensen, dat zo'n gedicht als
het ware overloopt van zeer pregnante beeldspraak. En dat is iets wat in de
Nederlandse poëzie zeer, zeer zeldzaam is. De Nederlandse poëzie is voornamelijk
een woord-poëzie of het is gewoon heel erg banaal. Ik
kan nog een ander voorbeeld noemen. U weet misschien dat veel Engelse schrijvers
vooral de gewoonte hebben om een boek te maken en daarvoor dan als titel een
dichtregel of een fragment van een dichtregel kiezen. Ik heb wel eens gedacht:
dat ga ik ook eens doen. Uiteraard ga ik dan geen Engels gedicht nemen - dat is
typisch de Nederlandse schrijver die een Engels gedicht neemt of een Frans, die
pikt wat van Edmond Wilson, van Apollinaire of van noem maar op, maar dat is
natuurlijk zinloos. Ik moest dus een regel van een Nederlandse dichter hebben. Dus
ben ik gaan zoeken in die hele dikke bloemlezing van Victor van Vriesland. En
als je dan die gedichten kritisch leest, hopend dat je kan zeggen: daar staat
een combinatie van drie of vier woorden die pakkend is en mooi - dan vind je dat
nergens, praktisch nergens. 'De zee, de zee klotst voort' - is dat een
uitdrukking? Of "Een nieuwe lente en een nieuw geluid' - dat heb ik drie of
vier jaar geleden als reclametekst gezien in een Amerikaans blad dat het wel
niet van Gorter zal hebben. Een nieuwe lente, een nieuwe broek. Nieuwe lente,
nieuwe jurk - zo gaat het. De
enige dichter waarbij je het enigszins zou kunnen proberen is Lucebert, daar zou
je bepaalde dingen in kunnen vinden die zo gek zijn dat ze pakken als titel van
een boek. Maar
in ieder geval is het zo, dat die geweldig geprezen Nederlandse poëzie
zelfbedrog moet zijn. Gaat u 's naar een boekwinkel en vraag naar de dichtwerken
van onze grootste dichters die iedereen op school leert of op de universiteit,
dat zijn de grote dichters. Vraag bijvoorbeeld eens of je de verzamelde werken
van Albert Verwey kunt kopen, de verzamelde werken van Kloos - nergens te koop. Het
is toch absurd dat een land grote dichters heeft die nooit meer herdrukt worden.
En dat is niet de schuld van de uitgevers of de schuld van het publiek, maar dat
is doodeenvoudig, omdat het geen erg belangrijke dichters zijn. Zelfs in
Duitsland tussen 1914 en 1940, en ook nu weer, verschijnen de een na de ander de
complete werken van schrijvers die honderd of tweehonderd jaar dood zijn. Het is
geen probleem, daar niet en in Engeland niet. De verzamelde werken van Achim von
Arnim zijn onlangs nog herdrukt in Duitsland. Dat is een derderangs romanticus,
en als je die dan leest, waar moet je dan aan denken? Dan denk je bijvoorbeeld
aan een historische roman van Vestdijk. Van
een geestelijk fond, dat in andere landen heel gewoon is, is bij ons geen
sprake. Geen voorraad bijvoorbeeld van avonturenromans, van echte intrigeromans.
Op school wordt al geleerd dat romans met een verhaaltje geen goede boeken zijn.
Daarom krijg je ook zo ontzettend weinig Nederlandse verhalen die geschikt
zouden zijn om te verfilmen. Dat wil zeggen dat het materiaal waarop een
nationale filmindustrie zich zou kunnen baseren ontbreekt, wat veel belangrijker
is dan het gebrek aan geld. In Engeland heb je een achttiende-eeuwse saaie roman
als Tom Jones, maar je kunt hem
verfilmen. En welk Nederlands boek kun je verfilmen? Geen één. Ik geloof dat
mensen, in plaats van herrie maken over een boek als Mandarijnen
op zwavelzuur, er wat van hadden moeten leren. Dat is mijn
schoolmeestersbloed, ik heb me daarvoor nooit gegeneerd. Ik
heb van een aantal mensen en verschijnselen heel precies gezegd waarom het niet
goed is, maar gewerkt heeft het niet. De mensen die erin besproken worden,
hebben het allemaal tot minister of professor gebracht. Iedereen zegt: wat een
gemeen boek is dat, maar het heeft maatschappelijk gesproken alleen maar carrières
bevorderd, niemand hoeft zich daarom te beklagen. Dat is trouwens weer zo
typisch Nederlands: Du Perron maakte Dirk Coster af en wat gebeurde - Dirk
Coster werd dr. honoris causa; Ter Braak kraakte Anton van Duinkerken en Anton
van Duinkerken werd professor en werd onlangs met grote eer begraven. Het
helpt allemaal niets. Je bent in Nederland een reputatie of je bent het niet,
maar dan moet je wel een enorme lul wezen, want al kun je helemaal niet
schrijven, je kunt nog altijd met je ellebogen een reputatie opbouwen. Ik
denk trouwens dat dit aan alle kleine landen gebonden is. Ik ben niet een van
die mensen, ook in Nederland erg talrijk, die denken dat in Engeland of
Frankrijk alles zoveel beter is en in het algemeen geloof ik dat wij toch
helemaal niet zo'n gek figuur slaan. Dat kan ik ook wel een beetje statistisch
aantonen, omdat in Nederland bijvoorbeeld erg veel gelezen wordt, relatief veel
meer dan in Frankrijk, waar iedereen buiten Parijs analfabeet is. Maar Nederland
- en dat is voor de kunst erg naar - is eigenlijk veel te goeiig. Als hier een
slechte toneelvoorstelling is, dan zul je nooit hebben dat de mensen met eieren
gaan gooien, dan wordt er toch wel geklapt. Daarom maakt het toneel het zich ook
te gemakkelijk en is het een opgeklopte zaak. Als u een winkeltje had - en het
is toch een typisch Nederlandse zaak om een winkeltje te hebben - dan zou u twee
dingen doen: goedkoper verkopen en dingen die een ander niet heeft verkopen,
anders gaat u failliet. Die mentaliteit mist de Nederlandse kunstenaar, dingen
doen die een ander niet doet. Het is toch absurd dat een stuk als Jan
Pietersz.
Coen van Slauerhoff nooit door
het beroepstoneel is opgevoerd. Men kiest de gemakkelijkste weg, kiest iets in
het buitenland dat modern gevonden wordt en imiteert dat. Maar Nederlandse
stukken, nee. Ik heb nu al weer maanden niets gehoord over mijn toneelstuk
King Kong. Eigenlijk is het niet King Kong, die centraal staat
in het stuk, het is de kwestie alweer van de betrouwbaarheid van het beeld van
historische gebeurtenissen dat wij hebben. De geschiedenis van de verrader King
Kong is een episode uit de geschiedenis van de Duitse bezetting. Maar dit detail
is door de Parlementaire Enquête Commissie tot in details uitgezocht. In mijn
stuk heb ik in hoofdzaak niets anders gedaan dan die verklaringen naast elkaar
zetten, meestal letterlijk. En dan is de conclusie: niks, totaal niks. Dit is
een lievelingsthese van me: alle dingen die de geschiedenis overlevert, zijn
niets anders dan grote generaliseringen. Zo gauw je je in details gaat
verdiepen, dan stuit je op gebrek aan bewijs, alleen maar gebrek aan documenten,
tegenstrijdige uitspraken, enz. Het
stuk is heel simpel opgelost: gemonteerd rond het idee van een zoontje dat aan
zijn vader vraagt wat nu de historische waarheid is en dan zegt die vader: de
historische waarheid is heel gewichtig. Zonder zo'n idee kun je in een
democratie niet leven, je moet die historische waarheid weten. En wat die
historische waarheid is, krijgen we dan te horen. Aan het slot zegt het zoontje:
waar is die historische waarheid nou,
pa? Tijdens
het stuk heeft het beeld van Clio, de muze van de geschiedenis, op het toneel
gestaan. Dan komen er twee kereltjes op, pakken Clio in en brengen haar naar het
museum. Waar gaat Clio heen? Die gaat naar het museum. Er
is misschien niet zoveel actie in het stuk, maar de dingen die die mensen
vertellen zijn zo verschrikkelijk, dat het volgens mij wel heel boeiend moet
zijn. Ikzelf vind de rapporten van de Parlementaire Enquête Commissie in ieder
geval een onuitputtelijke bron van opwinding. Al die tegenstrijdige verhoren
waar totaal niets mee wordt gedaan. Je hebt het materiaal voor een kolossale
reeks processen die je zou moeten gaan voeren. Maar die mensen zijn misschien
wel allemaal te goeder trouw geweest met hun verklaringen. Ze hebben in ieder
geval niets strafbaars gedaan. De historici die het zouden moeten gaan
bestuderen - wat volgens mij nog nooit gebeurd is - zouden, als zij tenminste
geen persoonlijk vooroordeel in het spel zouden brengen, nooit tot een conclusie
komen en dat vind ik het beklemmende van deze zaak. Jaar in jaar uit worden er
proefschriften en historische studies geschreven en het slaat allemaal nergens
op. Zo zie je dat als je over een heel klein feit zo uitvoerig mogelijke
verklaringen bezit, je er absoluut geen enkele conclusie op kunt baseren. Met
de moord op Kennedy is iets dergelijks aan de hand, maar daar zoekt de justitie
nog naar een dader, terwijl daar bij de kwestie King Kong geen sprake van was:
toen het onderzoek begon, was King Kong al dood, de beklaagde was dood. Het is
ontzettend, maar ik geloof dat het hele leven zo in elkaar zit, dat je van een
alledaagse gebeurtenis - twee mensen zitten met elkaar te praten, achteraf
vraagt Jan aan hem: wat heeft hij gezegd en die andere vraagt aan mij: wat heeft
hij gezegd - twee totaal verschillende verhalen krijgt. Dat is voor mij het hele
grote punt, in het dagelijkse leven en ook datgene waar ik van wil getuigen, als
ik iets schrijf, steeds weer. Men
zegt wel eens dat zo'n thematiek eenzijdig of beperkt is. Maar ten eerste is dat
geen diskwalificatie. Het handelingsverloop blijft wel het zelfde, maar waar kan
je dan niet over zeggen, de tragedies van Sofokles of Euripides zijn ook
allemaal tragisch. Ten tweede hou ik er geen literair warenhuis op na, ik vind
dat zinloos. Ik heb wel eens een interview met een Nederlands schrijver gehoord
over de Waalse radio en hij antwoordde in het Frans. Dat was natuurlijk een
handicap, maar toen liet hij een opsomming horen van wat hij allemaal geschreven
had; dat klonk waarlijk absurd: ik heb realistische romans geschreven,
autobiografische romans, historische romans, Ierse romans, toekomstromans, enfin
zo ging het nog een tijdje door. Zoiets is helemaal mijn ambitie niet, helemaal
niet. U moet zich voorstellen: de hele wereld zit vol romans, miljoenen,
miljarden. Als je in een beetje bibliotheek komt, dan hebben ze er acht miljoen
romans in de kelder. Er zijn al bijna driehonderd jaar romans geschreven en voor
die tijd een heleboel dingen die geen romans waren, maar wel literatuur. Het is
al haast niet meer belangrijk, het is al haast onmogelijk geworden, objectief
gezien misschien wel helemaal onmogelijk, om iets te schrijven wat nog niet
eerder gedaan is. Toch vind ik schrijven alleen maar de moeite waard als je de
ambitie hebt om iets te schrijven dat nog niet eerder geschreven is - goddank
vergeten de mensen gauw en ze lezen ook niet alles. Dat zijn de gaatjes in het
net waar je door heen glipt, maar het is niet iets waar je op moet gaan rekenen.
Je moet de hoop en de ambitie hebben en dat kun je alleen halen uit jezelf. Dat
kun je niet halen door een boek over de geschiedenis van Troje te lezen en
daar dan een roman uit te brouwen. Wel misschien als je daar een heel bijzondere
relatie mee hebt, als je met Helena naar bed geweest bent zoals Roland Holst,
maar dat is iets anders - ik ben niet met Helena naar bed geweest. Ik
begrijp ook niet dat de mensen van een auteur gaan verwachten dat hij telkens
iets totaal anders doet, zo van: hij kon zich niet vernieuwen. Het is natuurlijk
vreselijk als iemand zich letterlijk gaat herhalen en dan in mindere vormen,
maar het zou heel mooi zijn als iemand een bundel novellen zou publiceren en hij
zou het dan zo doen: een novelle schrijven, dan opgesloten worden en een week
later die novelle opnieuw schrijven. Ik zou tien verschillende novellen
schrijven op hetzelfde thema. Sinds Moedwil en misverstand zijn eigenlijk mijn verhalen vervolgen op
elkaar. Maar dat is toch heel normaal. De mensen stellen aan een schrijver soms
de meest gekke eisen, die ze aan niemand anders stellen. Men verwacht toch van
een geleerde die zich met atoomkernen bezighoudt niet dat hij nou maar 's een
nieuw geneesmiddel tegen de tbc moet uitvinden. En waarom zou je van techniek
moeten veranderen? Waarom zou je bij voorbeeld moeten afleren je intrige
centraal te stellen en alle dingen daarop af te stemmen? Een van de grote
ongelukken van de meeste Nederlandse romanciers is dat ze er ook niet net zo
over denken als ik. Ik zeg dat niet omdat ik zo graag eigenwijs wil zijn, maar
omdat ik het heel normaal vind om er zo over te denken. De meeste Nederlandse
romans struikelen omdat er mededelingen in worden gedaan die niet ter zake doen.
En als je dan een auteur zou vragen: waarom heb je dat er in vermeld, dan zou
het antwoord zijn: maar het is toch zo in de werkelijkheid? Het zet absoluut
geen zoden aan de dijk of iets zo is of niet. Alles in een roman telt alleen
mee, als het in verband geplaatst wordt. Als ik zeg dat iemand een grote puist
op zijn neus heeft, dan moet dat een verband hebben. Of die puist moet resoneren
of het moet zo zijn dat die puist vermeld wordt op een moment dat je helemaal
niet gedacht zou hebben dat die man een puist heeft. Ik vind het zoiets
ongelofelijks dat veel Nederlandse lezers of juist critici alle mogelijke dingen
in Nederlandse romans slikken die ze in buitenlandse romans nooit zouden
slikken. Wat doet de Nederlander? De Nederlander zet zijn
Mulisch in de kast,
maar als hij wat gaat lezen dan leest hij Nabokov of Chandler of Tolkien.
Echt belangstelling voor Nederlandse schrijvers is er niet.
Nederlanders hebben ook een neiging om graag veel bezig te zijn met een
auteur die ze au fond minachten. En het gekke is dan, dat zo'n auteur er naar
toe leeft om geminacht te worden. Van het Reve bijvoorbeeld. Iedereen schrijft
zich bont en blauw over Van het Reve, hoe interessant hij is, maar eigenlijk
vinden ze hem een clown, en hij is ook een clown, en hij weet dat hij zich als
een clown gedraagt. Terwijl
hij aanvankelijk in de wieg gelegd was om een echt serieuze auteur te worden. Je
hoort wel eens over een authentiek medium dat zijn gaven verliest - dan blijft
hij nog een tijdje medium met allerlei grove trucs. Dat
in-verband-schrijven is helemaal niet iets ingewikkelds - het is gewoon veel
leuker om te doen. Ik plan dat niet
eens, het komt als een golf van gevolgtrekkingen over je. Dat is niet eens een
kwestie van je vak - dat is een kwestie van groot genot. Als ik voel dat ik een
bepaalde passage die ik geslaagd vind, nog geslaagder kan maken door
bijvoorbeeld twintig pagina's eerder een passage te plaatsen die ideëel gezien
er op rijmt; niet het kinderachtige rijm van Haanstra, van een man die trompet
speelt en een ander die op een tafel zit te trommelen - maar rijm via een omweg,
twee dingen die, laat ik zeggen pas in het onderbewuste van de lezer contact
maken, geen oppervlaktecontact. Een
tijdje terug had ik het nog met iemand over het verhaal Die
Verwandlung van Kafka, een van de torenhoge modellen van hoe een novelle
verloopt. De geweldige, meedogenloze logica die erin zit, zo'n man die in het
begin in een ongedierte verandert en die eindigt om als een luis in de
vuilnisbak te worden gegooid als hij dood is. Dat is het einde van een gewone
luis nietwaar, dat is consequent doorgedacht. Ik
onderschrijf volledig het principe van Ockham: 'entia non sunt multiplicanda
sine necessitate'. Dat is het heel simpele geheim van alle literatuur. Hoewel
schrijven me dag en nacht bezighoudt, vind ik het toch geen serieus vak om over
te praten als broodwinning. Dat heb ik ook zo tegen op Van het Reve, dat gezeur
over schrijven als broodwinning. Musicus of acteur, vind ik veel meer echt een
beroep dan schrijver. Dat brengt een zekere routine met zich mee: je speelt vier
of vijf keer in de week voor vijftig gulden. Maar schrijven, terwijl alles in de
lucht hangt en je altijd maar moet afwachten of je een idee te binnen wil
schieten dat belangrijk genoeg is om een boek op te baseren, dat is geen
broodwinning. En als je daar een broodwinning van maakt, dan komt het erop neer
dat er weer een boek geschreven moet worden, is er geen goed idee, dan maar een
slecht idee. Mijn
vak is dus dat van fysisch geograaf aan de universiteit van Groningen. Ook aan
het universitaire bedrijf zijn bezwaren verbonden, al is het mij niet duidelijk
waarom die studenten zo'n herrie maken. Ik
heb de indruk dat de studenten eigenlijk helemaal niet weten wat er eigenlijk
precies moet gebeuren.Een van de dingen die onrechtvaardig worden gevonden, is
de manier waarop examens worden afgenomen. Maar ik zit al jaren in een commissie
die examens afneemt; van zo'n examen wordt een protocol gemaakt en in dat
protocol wordt ook altijd vermeld of er wel of geen toehoorders zijn. En ik
bezweer u: er is in al die tien jaar nog nooit één ander protocol geschreven
dan waarin stond: geen toehoorders. Als de studenten willen praten over hoe
examens worden afgenomen - ze hebben er nog nooit enige belangstelling voor
gehad; er is niemand ooit komen luisteren. Als
ik het voor het zeggen had om de universiteit te reorganiseren, dan zou er heel
veel veranderen, maar zo ontzettend veel dat de meeste van de studenten die nu
met spandoeken over straat lopen, er dan helemaal niet meer aan te pas zouden
komen. Niet
lang geleden heeft een professor Heyn in Delft een zeer vergaand idee geopperd,
waarin hij zegt dat de universiteiten eigenlijk helemaal uiteen zouden moeten
vallen. De universiteit bestaat eigenlijk al niet meer, dat is een achterhaald
begrip. Wat nodig zou zijn om te doen, zeker in een klein land als het onze, dat
is het hele hoger onderwijs faculteitsgewijs, zelfs subfaculteitsgewijs te
organiseren. Alle instituten voor de Nederlandse Letteren onder één beheer en
met één administratie. Het uitlenen van een wetenschapsman van de ene
universiteit aan de andere zou dan ook heel wat makkelijker verlopen dan nu het
geval is. Dan
wat de werkgroepen en projecten betreft. Dat is het leuke bij al dat soort
plannen - die worden meestal geopperd door mensen, die als ze uitgevoerd zouden
worden, daar als eerste de dupe van zouden worden. Want het soort universiteit
waar deze mensen over praten en waar in principe geen enkel bezwaar tegen is,
daar zijn in Nederland maar acht of negen studenten begaafd genoeg voor. En de
mensen die zo begaafd zijn, kunnen het ook wel klaarspelen op die laten we
zeggen rottige universiteiten die er nu zijn. Het zou mogelijk zijn om naast de
universiteit een soort superuniversiteit te stichten voor de allerbegaafdsten,
maar dat is een weinig democratisch idee, waar de herrieschoppers het wel niet
eens mee zouden wezen. Ook
de miskenning van het feit dat de universiteit in bepaalde gevallen echt niet
meer is dan een beter soort gymnasium of hbs, waarop mensen komen om een vak te
leren waarmee ze later hun boterham moeten verdienen. Ik
vind het een soort zelfbedrog om te denken dat het aan de universiteit ligt, als
al die mensen niet tot werkelijke wetenschapsbeoefenaars zullen worden gevormd. Bovendien is de wetenschap is essentie niet democratisch. Iemand die er het talent niet toe heeft, die zal het ook niet krijgen. Dat geldt voor de wetenschap, dat geldt voor de literatuur. De mensen die zich daartegen verzetten zijn in naam democraten, maar in feite kijken ze er tegen op.
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
|
|
Bezoek deze pagina's in uw eigen volgorde Plaats "WILLEM FREDERIK HERMANS" bij uw favorieten Ach, waar bemoei ik mij eigenlijk mee?
KENNISMAKEN MET WFH --- SPELLETJES MET WFH LUISTEREN NAAR WFH --- BIJSCHRIJVEN OVER WFH --- ADVERTEREN MET WFH NAAR DE FILM MET WFH --- AUTOBIOGRAFIE VAN WFH MULTATULI EN WFH --- SCHRIJFMACHINES VAN WFH TIJDSCHRIFTEN OVER WFH --- PLAATJES KIJKEN MET WFH WEINREB, EEN KWESTIE VAN WFH --- BOEKJES LEZEN MET WFH RIJMEN MET WFH --- WITTGENSTEIN EN WFH --- NAAR ZWEDEN MET WFH? AANDENKEN AAN WFH --- OP TONEEL MET WFH --- INTERVIEWS MET WFH POST VOOR WFH --- TE GAST BIJ WFH
Bij het samenstellen van deze site heb ik gepoogd bestaande rechten op tekst en afbeelding te eerbiedigen. Mocht er toch nog bezwaar zijn tegen het gebruik van materiaal, laat u dat dan onverwijld weten?
De links naar de verschillende pagina's werden voor het laatst bijgewerkt op: zaterdag 06 januari 2007 |