|
INTERVIEW MET WFH
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
Filosofie als science-fiction
Fons Elders
Amsterdam
1968
O
Ik
heb van dit filosofisch interview intens genoten. Hermans spreekt zo ongeremd en
direct en tegelijk zo bewust van de portee van zijn beweringen dat ik de paranoïde
en schizoïde trekken, die men hem toeschrijft, positief ervoer als stimulansen
van een geweldig analytisch brein, die iedereen terugdwingt op zijn plaats. Hij
doorziet snel elke zelfprojectie en sublimering. Dit is de basis van zijn
cynisme, integriteit, eerlijkheid en vooruitziende blik. Zijn wereldbeeld is dat
van de geoloog, die de aardbewoners dwingt tot een innerlijke striptease, zodat
zij - of zij willen of niet, want hij heeft bijna altijd gelijk - elementen
worden van de door hen verloochende natuur. Ik kan elke filosoof aanraden een
dag met Hermans te discussiëren en dan tevens te genieten van de grote
gastvrijheid van hem en zijn vrouw.
Heeft uw artikel Wittgenstein in de mode
de uitwerking gehad, die u ervan verwachtte en hoopte? Laat
ik eerst iets vertellen over het ontstaan van dit artikel. Nadat ik het artikel
Wittengenstein's levensvorm had geschreven dat eerst in Podium en later in Het
sadistische universum verscheen, kwamen die boekjes van Van Peursen en Hubbeling.
Hubbeling is wetenschappelijk hoofdambtenaar hier in Groningen. (Hubbeling is
inmiddels benoemd tot hoogleraar-El.) Van
die boekjes ben ik een beetje geschrokken. Veel mensen weten absoluut niets af
van
Wittgenstein, zijn die naam in Het sadistische universum tegengekomen, lezen
daarna die boekjes van Hubbeling en Van Peursen en krijgen dan van Wittgenstein
een indruk, die met mijn visie op Wittgenstein in strijd is. Veel mensen, die
het au fond misschien wel met mij eens zijn, gaan zich afvragen, waarom Hermans
zich met Wittgenstein, die ook een soort theoloog zou zijn, bezighoudt. Ik
heb tegen deze en gene lucht gegeven aan mijn mening over die boekjes, waarna ik
op uitnodiging van Delfgauw en Bakker een lezing heb gehouden op een seminarium
voor ouderejaars filosofiestudenten. Dat is de basis geworden van Wittgenstein
in de mode. Na die lezing, waarvoor Hubbeling en Van Peursen ook waren
uitgenodigd, is er discussie geweest, dat wil zeggen Hubbeling kon erg weinig
terugzeggen. Van Peursen was niet gekomen. Delfgauw
zei dat hij het erg interessant zou vinden, als ik ging publiceren wat ik daar
had gezegd. Ik heb het eerst aan De Gids gestuurd, die het wou plaatsen, maar
pas over een half jaar. Duurt me te lang, dacht ik. Ik stuur het naar een
filosofisch tijdschrift. Tegelijkertijd vond ik het publiek van zo'n filosofisch
tijdschrift te beperkt. Dus maakte ik er een brochure van, zodat het ook onder
het oog van de lezers zou komen die mijn eerste stuk Wittgenstein's levensvorm
gelezen hadden. Toen
Het sadistische universum verscheen, heb ik gemerkt dat sommige literaire
critici nog nooit de naam Wittgenstein gehoord hadden. Tot
mijn grote verbazing schreef J.J. Oversteegen in Merlyn een stuk over Het
sadistische universum, waarin hij zei: Hermans heeft een heel groot artikel
geschreven over Wiffgenstein, 'een Duitse taalfilosoof'. Daaruit begreep ik
meteen dat Oversteegen die naam nooit gehoord had. Ik vond dat des te
verbazingwekkender omdat Oversteegen zich zo bezighield met close-reading en met
Ogden en Richards. Er is een zeker verband tussen die Engelse
close-reading-geschiedenis en Wittgenstein. Een 'Duitse taalfilosoof' is
natuurlijk grote onzin. Wittgenstein
in de mode bedoelde ik voor driekwart als een didactisch werkje. Ik ben door dit
boekje in conflict gekomen. De meeste Nederlandse filosofen zijn erop tegen.
Kazemier is er direct op ingegaan in dat filosofisch tijdschrift, wat heel
merkwaardig is, want Kazemier is redacteur van dat tijdschrift. Als hij het
artikel zo slecht vindt als hij beweert, kan hij toch als redacteur zeggen: nou
heer Hermans, u wordt bedankt, hier heeft u het terug. Dat heeft hij van tevoren
niet gezegd. Ik heb bericht gekregen van een andere redacteur, Kuypers, dat het
geplaatst zou worden. Dat wordt gedaan, ik krijg het nummer thuis gestuurd, maar
met het stuk van Kazemier erachter. Vindt
u de argumenten van Kazemier hout snijden? Nee,
ik vind dat ze helemaal geen hout snijden. Het is het soort stuk van iemand, die
denkt: Hermans is geen filosoof, die moet zijn mond houden over mijn vakgebied.
Ja, wanneer is iemand wel een filosoof, wanneer is hij geen filosoof? Ik
heb u verteld dat ik filosofie als bijvak bij mijn doctoraalexamen heb gedaan,
maar gesteld dat ik het niet had gedaan, waarom zou ik dan mijn mening niet
mogen hebben over een filosoof? En daarop is het stuk gebaseerd. U
leidt dat af uit het feit dat Kazemier begint met de woorden "De geoloog en
literator...'? Ja,
dat bedoel ik. Waarschijnlijk weet niemand in Nederland, ook mijnheer Kazemier
niet, dat Wittgenstein de
Tractatus aanvankelijk heeft aangeboden aan een
Oostenrijks literair tijdschrift, waarin Trakl, Rilke en dat soort mensen
schreven. Die hebben het niet geaccepteerd omdat ze er geen bal van begrepen.
Toen is het via Russell in het meer wetenschappelijke tijdschrift Annalen der
Naturphilosophie van Oswald gekomen. Maar Wittgenstein was eigenlijk een zeer
artistiek en literair georiënteerd man. Hij was niet iemand van: ik ben een
filosoof, dus dat is heel wat anders dan een literator. Dat soort hokjesgeest is
trouwens al die mensen als Wittgenstein, Russell, enz. vreemd. Het
is heel erg Nederlands om te denken dat filosofie, 'speciaal filosofie', in een
apart vakje zou horen dat niks te maken heeft met literatuur. Het gekke is ook
dat Nederlandse filosofen dat idee hebben ten opzichte van andere Nederlanders,
maar niet ten opzichte van buitenlanders. Want waarom is Camus wel een filosoof?
Dat is een romanschrijver. Sarte, waarom is dat een filosoof? Dat is een
toneelschrijver, die ook een paar dikke boeken over filosofie heeft geschreven. Heidegger
gaf bij een bezoek van een aantal Franse geleerden vlak na de oorlog, dat
bedoeld was om te zien of Heidegger weer kon meetellen, als zijn mening over
Sartre: 'ach, een begaafd journalist'. Maar hier zijn toch ook wel mensen, die
Camus geen filosoof willen noemen, maar een literator, terwijl hij wel degelijk
door en door filosofisch denkt. Om
terug te keren tot ons uitgangspunt, heeft u de indruk uit Kazemiers artikel,
waarin hij toch ook Van Peursen en Hubbeling aanvalt, met name van Hubbeling
blijft weinig heel, dat hij daarvoor met
vrucht uw artikel gelezen heeft? Ik
heb niet alleen die indruk, maar dat moet wel. Waarom heeft Kazemier anders zo
ontzettend lang gewacht om zijn kritiek op Van Peursen en Hubbeling te spuien?
Ik vind Kazemier in zijn artikel erg ondankbaar tegenover mij. Ik kan me niet
voorstellen dat Kazemier zonder mijn artikel ooit op het idee gekomen was om
tegen Van Peursen en Hubbeling te schrijven. De kritiek van Kazemier op mij is
niet zozeer wetenschappelijk als advocaterig. Hij probeert bij het publiek de
indruk te wekken: 'Hermans weet het niet precies.' Als hij een publiek had dat
werkelijk goed thuis was in Wittgenstein zag het onmiddellijk dat het meeste,
wat Kazemier beweert, helemaal geen zoden aan de dijk zet. Van
Peursen gebruikt als voorbeeld voor een 'Sachverhalt' bij Wittgenstein 'het glas
staat op tafel'. 'Sachverhalt' zou je dan kunnen vertalen door 'toestand' of
'stand van zaken'. Maar een vertaling van het woord 'Sachverhalt' is volstrekt
irrelevant, want het is een heel specifiek, nieuw Wittgensteins begrip dat nog
het beste vertaald zou kunnen worden met de Engelse term 'atomic fact'. De
andere Engelse vertaling van McGuiness geeft als synoniem
voor 'Sachverhalt': 'state of affairs', dat een bepaalde relatie, die 'Sachverhalt'
uitdrukt, beter weergeeft dan 'atomic fact' dat een geïsoleerd object aanduidt.
Kazemiers objectie in deze lijkt mij juist. Nee,
die objectie is niet juist. Een 'Sachverhalt', een 'state of affairs', een 'atomic
fact' is een relatie tussen A en B, waarbij A en B absoluut 'simple objects'
moeten zijn, 'einfache Gegenstände'. Van Peursen kan hiervoor wel een voorbeeld
geven als 'het glas staat op tafel', maar dat is volstrekt fout. Daar valt niet
over te discussiëren dat dit absoluut fout is. En Kazemier zegt ook niet:
Hermans heeft ongelijk; Van Peursen heeft gelijk. Maar Kazemier werpt een soort
nevel op, waaruit een ondeskundige lezer de indruk zou kunnen krijgen dat er
voor de opvatting van Van Peursen toch nog wel wat te zeggen zou zijn. In gewone
taal een gewoon voorbeeld geven van een 'Sachverhalt' is onmogelijk.
Wittgenstein zegt ergens: 'Als ik zeg "deze stoel is bruin" zeg ik
eigenlijk iets dat eindeloos gecompliceerd is.' Die gedachte van Wittgenstein
zit erachter. U
suggereert met het voorbeeld van 'het glas staat op tafel' dat Van Peursen dit
Wittgenstein in de schoenen duwt, terwijl Van Peursen het duidelijk en bewust
aan Wittgenstein ontleent. Nou
nee, ik denk dat Van Peursen de zin, waarin Wittgenstein zegt 'dass dieses
Tintenfass auf dem Tisch steht, ist eine Tatsache' niet gekend heeft. Je komt
dat voorbeeld wel in alle mogelijke artikelen over Wittgenstein tegen. Maar ik
denk niet dat Van Peursen zelf die teksten van Wittgenstein gekend heeft, anders
zou hij iets dat Wittgenstein een Tatsache noemt geen 'Sachverhalt' genoemd
hebben. Van
Peursen heeft mij gezegd bijna alles van Wittgenstein gelezen te hebben. Maar
hij heeft er totaal niets van begrepen. Kazemier probeert door het opwerpen van
een soort rookgordijn de indruk te geven dat er toch nog wel iets is te zeggen vóór
Van Peursen. Kazemier zegt echter nergens dat Wittgenstein wel een voorbeeld
wist te geven voor een 'Sachverhalt' in de dagelijkse taal. Dus al dat geciteer
van Kazemier is volstrekt nutteloos. Kazemier
verwijt u alle oordelen te herleiden tot tautologieën. Dit verwijt is zo
boeiend, omdat de voorkeur voor tautologieën volledig conform is met uw eigen
levensfilosofie. U probeert de moraal tot een praktisch minimum te herleiden. U
vraagt zich af of de wetenschappelijke vooruitgang niet eerder is toe te
schrijven aan een continue reeks toevallen dan aan ons vernuft, zoals u doet in
De psychologische test. De vraag is dus, of u zich met die tautologieën niet te
veel schuldig maakt aan 'hineininterpretieren' en daardoor te weinig oog hebt
voor de omslag in Wittgensteins denken. Die
omslag in Wittgensteins denken wordt door sommige mensen geweldig belangrijk
gevonden. Het is een feit dat Wittgenstein gezegd heeft dat er in zijn Tractatus
ernstige misvattingen staan. Maar wat die misvattingen zijn, heeft hij nooit
volledig gespecificeerd. Je
kunt bij sommige schrijvers over Wittgenstein lezen dat de Tractatus in zijn
Philosophische Untersuchungen woord voor woord wordt afgebroken, maar dat is
helemaal niet waar. Wat
die tautologieën betreft, er staat inderdaad niet helemaal letterlijk bij
Wittgenstein dat alle stellingen van de wiskunde en de natuurkunde tautologieën
zijn, maar op grond van wat er wel bij Wittgenstein staat is het werkelijk de
onontkoombare conclusie. Impliceert
uw opvatting over de relatie van de filosofie tot de wetenschappen dat de
filosofie beter vervangen zou kunnen worden door een groep van wetenschappen,
met name wiskunde, fysica, taalkunde en psychologie? Ik
wil niet zeggen dat de filosofie beter definitief vervangen zou kunnen worden,
maar het is als het ware een natuurlijke ontwikkeling, dat de filosofie steeds
meer terrein verliest. Het
komt trouwens bij andere wetenschappen ook voor. Mijn eigen wetenschap, de
geografie, is uiteengevallen in politieke wetenschappen, sociologie, geologie,
geofysica enz. in vergelijking met driehonderd jaar geleden. Zo heeft ook de
filosofie terrein verloren aan allerlei zaakwetenschappen. De logica was vroeger
een typisch filosofische wetenschap, maar is nu eigenlijk grondslagenonderzoek
van de wiskunde geworden, dat wil zeggen, een tak van de wiskunde. De
psychologie is ervan afgegaan. De psychologie, voor zover echt wetenschappelijk,
wordt een gewone natuurwetenschap. Zo verliest de filosofie voortdurend terrein
en de overgebleven filosofen willen dan wel steeds uitspraken doen over al die
terreinen, maar ze moeten aan de andere kant ook vermijden dat ze in strijd
komen met feiten, die door de psychologie bijvoorbeeld ontdekt zijn, zodat ze
zich steeds meer verliezen in een soort dialect, een nietszeggend metafysisch
dialect. Ze doen immers uitspraken die helemaal geen uitspraken zijn. Het
komt er eigenlijk op neer dat de meeste wetenschapsbeoefenaars, de meeste
fysici, de meeste psychologen trouwens ook, misschien zeer ten onrechte, niets
afweten van filosofie en de filosofie rustig kunnen missen.
In Het sadistische universum is voor u het bestuderen van de geschiedenis van de
filosofie een vorm van levenswijsheid, omdat het al verrukkelijk is om te kunnen
zien, wat voor drogredenen we hebben opgebouwd. Die
mening houd ik inderdaad staande. Behalve dat (nu spreek ik meer als literator)
er een enorme inspiratie voor de literatuur van kan uitgaan, en waarschijnlijk
ook voor de andere kunsten, maar de literator heeft niet de pretentie wetenschap
te bedrijven of eeuwige waarheden te ontdekken. Dat is het grote verschil. Als
de filosofie steeds meer terrein verliest aan de wetenschap, is er in het jaar
2000 misschien niets meer voor haar over. Misschien is het dan beter, juist
vanuit een wetenschappelijk geweten, het ideaal van filosofie alle strenge
wetenschap absoluut los te laten, en de filosofie een andere rol te laten
spelen, analoog aan die van de literatuur en de kunst, wel wetend dat de
wetenschap ook niet alles is. Dat
denk ik wel, ja. En die rol zal ook nog lange tijd gespeeld blijven, niet alleen
in de literatuur, maar ook in de politiek. De politieke ideologieën zijn steeds
sterk filosofisch georiënteerd. Het
marxisme komt voor uit Hegel; het nationaal-socialisme uit Nietzsche. Wat Ter
Braak ook ooit beweerd mag hebben, het is een feit. Niet alleen Nietzsche, maar
toch wel in hoofdzaak. Ik kan u uitspraken van Nietzsche voorlezen dat u denkt:
die komen uit een redevoering van Hitler. Nee,
dat ben ik toch niet met u eens (gelach van Hermans). Nietzsche is ambivalent in
zijn begrippen als macht, soldatendom. Hij rakelt de vitale orde op, de idee
macht, de idee strijdvaardigheid, maar steeds in de individuele orde, die zich
juist per definitie verzet tegen alles, wat met militarisme samenhangt. Je kunt
Nietzsches Uebermensch interpreteren als een evangelisch christen en vanuit het
evolutionisme als een nazist... Ja,
maar dat is op zichzelf al een geweldige kritiek, die u zodoende op Nietzsche en
dat soort levensfilosofen levert, namelijk dat je ze naar twee kanten kunt
interpreteren. Stel je eens voor dat je de theorie van de verbrandingsmotor naar
twee kanten zou kunnen interpreteren. U heeft nu een auto. Die auto is gemaakt
om te bewegen en hij beweegt niet. U gaar naar uw dealer en die zegt: ja
mijnheer Elders, dat kun je naar twee kanten interpreteren. Die motor kan
draaien en hij kan niet draaien. Naar twee kanten interpreteren is toch iets,
wat je op geen enkel ander gebied zou accepteren. Ja,
goed, maar... Ik
geloof helemaal niet dat Nietzsche zo'n kwaaie nationaal-socialist is geweest.
Hij is voor mij alleen een gefrustreerde, voornamelijk door vrouwen opgevoede,
slecht van gezicht zijnde, aan de maag lijdende, bleke jongeling geweest, die
zich verloren heeft met een heleboel literair talent en een geweldige eruditie
in allerlei vreemde romantische machtsdromen. Verder is er met Nietzsche niets
aan de hand. Maar er staan dingen bij Nietzsche, in Die fröhliche Wissenschaft,
waarin hij met geweldig veel plezier, zo'n sadistisch plezier, vertelt dat ze
daar in Afrika die zwarten flink op hun donder geven. Dat vond hij prachtig. Dat
was pas Blonde Bestie. Er is geen sprake van dat Nietzsche niet de voornaamste
inspirator van het nationaal-socialisme is. Als
de filosofie als wetenschap tot het verleden behoort en
alleen overblijft als vak ter leringe ende vermaak van ons, is dat
uiteraard geen afdoende rechtvaardiging voor een verder voortbestaan van een Filosofische Centrale Interfaculteit. Dat
moet u niet zeggen. De sociologische en psychologische rol van de filosofie zou
erg belangrijk kunnen blijven, ook al omdat je anders misschien een soort
eenzijdigheid zou krijgen. Ik
geloof dat het voor de gezondheid van de menselijke psyche noodzakelijk is dat
hij zich met grote regelmaat overgeeft aan wensdromen, drogredenen, enz. Daarbij
zijn gevaarlijke, oorspronkelijke en oninteressante, onoorspronkelijke
drogredenen. Ik hoop dat de filosofie tot interessanter drogredenen kan leiden
dan de godsdienst bijvoorbeeld.De filosofie kan dus ongetwijfeld nog een heel
lange tijd voldoen aan de belangrijke psychische functie de mentale gezondheid
te helpen bewaren. Ik
vind het erg boeiend, wat u zegt. Toen ik Staal vroeg, waarom hij zich zo graag
filosoof bleef noemen ondanks al zijn kritiek op de filosofie, kwam er
uiteindelijk uit de bus dat een filosoof
een grotere speelruimte had dan een fysicus
of linguïst. Hij kan zich nog net iets meer permitteren, net iets gewaagdere
hypothesen opstellen. U
drukt dat sceptischer uit door van drogredenen te spreken, maar het komt neer op
de noodzaak van een escape. Daarom heeft dat voorbeeld van die verbrandingsmotor
geen zin. De noodzaak van die escape zou in de filosofie tot uitdrukking komen in het creëren van een nieuw cultuurbeeld. Ja,
de kwestie wetenschap-filosofie moet toch, geloof ik, altijd onder dit punt
worden bezien, dat is ook in verband met
Wittgenstein belangrijk, dat echte,
ware uitspraken, uitspraken, die handen en voeten hebben, niet te maken zijn
over de zogenaamde levensproblemen. De wetenschap, of een strikt logische
filosofie kan het wezen van de wereld nooit benaderen, want daarvoor zouden we
buiten het heelal moeten treden. Het
denken van vroegere generaties en nu nog steeds van theologisch georiënteerde
filosofen is een projectie van traditioneel, theologisch denken. Ze hebben nog
steeds niet in de gaten, wat wij dus wel in de gaten hebben, dat, zelfs als we
het bestaan van een god aannemen, die god een deel van het heelal is. We kunnen
nooit buiten het heelal treden. We kunnen dus ook over de meeste problemen
eigenlijk nooit wat zeggen. Of
het soortelijk gewicht van water één is, zegt
verder niks over wat we eigenlijk moeten doen. Alle mensen worden van dag dag
voor beslissingen gesteld, die geen enkele fysicus, mathematicus of logicus tot
een oplossing kan brengen. Men
kan in het dagelijks leven, en wat erg belangrijk is, in de politiek, met diep
overleg, met ernstig beraad, en weet ik wat allemaal meer, beslissingen nemen,
waarvan we achteraf denken: ja waarom hebben we dat gedaan, we hadden toch beter
nog het omgekeerde kunnen doen. Ondanks
alle geredeneer leeft de mens in die dingen dus volledig in den blinde. Omdat
een mens in het duister tast in dat soort dingen, is hij geneigd theorieën te
ontwerpen, waaraan hij zich zou kunnen houden. Maar dat zijn schijntheorieën,
theorieën met geen enkele basis. Het
ontwerpen van zulke theorieën is wat erg veel filosofen doen. Toch
vind ik uw argument dat een buitenkosmisch punt nodig is om een zekere uitspraak
te kunnen doen over levensproblemen, niet houdbaar. Gesteld dat zo'n punt zou
bestaan, zouden we per definitie geen relatie meer hebben tot die
levensproblemen. Heel
juist! Een punt buiten de kosmos zou voor ons van geen enkel nut zijn en een
punt dat wél voor ons van nut zou zijn, zou deel uitmaken van de kosmos en
daarom niet opleveren wat we van zo'n punt verlangen. Natuurwetten zijn niet
normatief. Je kunt niet met je eigen tanden je eigen tanden opeten. We
kunnen de logica niet van buitenaf bekijken, want alles wat wij over de logica
zeggen, is op zichzelf weer een onderdeel van de logica. Tanden,
die geen tanden kunnen opeten, is een tautologisch argument en daarom is het
niet houdbaar. Je kunt niet al deze dingen afsplitsen van je bestaan. Je hebt ze
als een geheel te nemen. Onze
behoefte aan zekerheid is de oorzaak van ons vermogen
tot relativeren. Als die behoefte vermindert, zal het ontbreken van
zo'n buitenkosmisch punt niet zo'n ongelooflijk probleem meer zijn. Dat
zal het toch wél zijn. Ik mag u misschien een heel concreet voorbeeld geven...
(aarzeling). Stelt u zich eens voor. U bent een burger van een stad in Alabama,
waar zeventig procent van de bevolking zwart is en dertig procent blank. Die
blanke bevolking is de elite. Laten we zeggen u bent niet getrouwd. U bent van
plan met een negerin te trouwen. Dat komt in Alabama neer op maatschappelijke
zelfmoord. Houdt u dat heel goed in de gaten. Bon, u bent verliefd op een
negerin; u denkt, wat zal ik doen, zal ik met haar trouwen of zal ik niet met
haar trouwen. U heeft een toekomstbelovende betrekking aan een universiteit.
Iedereen zegt, Elders doe het niet, want je bent helemaal gek. Maar
goed, u heeft Sartre gelezen, Portrait de l'antisémite, en u gaat die hele
theorie toepassen op uw eigen geval, of u heeft een geweten of wat dan ook, en u
zegt: ik houd van die vrouw. Bovendien, al die rassenvoordelen is allemaal
onzin, ingebeelde nonsens uit de middeleeuwen. Ik heb er lak aan. U trouwt deze
vrouw uit gewetensovertuiging. Wat gebeurt er met u? U wordt de straat op
geschopt, u bent daar maatschappelijk dood. Die ene beslissing van u om die
negerin te trouwen is beslissend voor uw hele verdere leven. Wat in Nederland of
een ander land zonder rassendiscriminatie iets bijzakelijks zou zijn, trouwen,
wordt, als u in Alabama op een negerin verliefd wordt een probleem van heel
andere dimensies, door de sociale situatie daar. Op
dit probleem geeft noch Wittgenstein, noch Russell, noch wie dan ook een
antwoord... Ik moet u zeggen dat een antwoord helemaal niet bestaat. Dus
u wendt zich tot een levensfilosoof. U kiest Sartre. Als Sartre het wist, wat u
heeft gedaan, zou hij zeggen: braaf jongen, heel goed, uitstekend. Maar laten we
veronderstellen dat u toevallig een andere levensfilosoof gelezen hebt,
bijvoorbeeld Nietzsche, en Nietzsche had gezegd: Wat? Niedrige Völker, trap ze
in elkaar, ben je helemaal gek, Mittelmensche, moet je je niet mee vermengen,
het ras gaat naar de bliksem, vooruit, niet doen. Nou, dan was het ook met uw
geweten in overeenstemming geweest, als u tegen het meisje gezegd had: nou, weet
je wat, ik wil nu wel een paar keer eventjes met je naar bed, maar verder, hou
maar op. Ik trouw met de dochter van de rechter, of weet ik veel. Dat is dus de
functie van de filosofen. U
speelt nu sociologische waarheden uit tegen bepaalde ethische oordelen. U
heeft groot gelijk, dat is heel precies, wat ik net heb gedaan. Maar de hele
zaak is deze dat de niet-exacte filosofen inderdaad met sociologische waarden
opereren, maar pretenderen dat ze waarden en waarheden verkondigen, die op
dezelfde hoogte zouden staan als de waarheden van de wiskunde of van de
natuurwetenschappen, wat zeg ik, op veel grotere hoogte. Inzake
het vraagstuk van de vrijheid heeft de socioloog of de psycholoog bijna altijd
gelijk tegenover de filosoof. Misschien blijft er maar één procent authentieke
vrijheid over om de these van de filosoof
te ondersteunen, maar dat is voldoende. Het is een verschillende orde. Formeel
gezien kunt u gelijk hebben met het uitspelen van Sartre en Nietzsche tegen
elkaar, zo in de trant: dat is lood om oud ijzer. Door te trouwen met de dochter
van de rechter, is echter ook je hele leven bepaald. Maar u kennende vanuit uw
werk, weet ik heel goed welk oordeel u uiteindelijk zou prefereren. Ethische
oordelen zijn als concentrische cirkels. Een meer universele moraal omvat een
minder universele moraal. In casu, vanuit een meer universele moraal kan Sartre
begrijpen dat Nietzsche ongelijk heeft, maar Nietzsche kan niet begrijpen dat
Sartre ongelijk heeft. Het
verschil tussen de filosofie enerzijds en anderzijds de exacte wetenschappen en
misschien ook een naar het exacte neigende filosofie, zoals die van Wittgenstein,
Carnap en dergelijke, is dat je daar niet het fenomeen hebt dat Jan kan
begrijpen, wat Piet zegt, terwijl Piet niet kan begrijpen wat Jan zegt. De
filosofen uit deze school zien helder dat niet alle vragen problemen zijn. Onder
een probleem is dan te verstaan een vraag waarop een logisch antwoord mogelijk
is.Maar op de meeste filosofische, ethische, zelfs sociale vragen is geen
logisch antwoord mogelijk, terwijl een empirisch antwoord dikwijls maar een
schijnantwoord is. Als het maar voor één enkel geval geldt dat onherhaalbaar
is, is ook dat empirische antwoord geen antwoord. Maar
Wiitgenstein tastte zelf nog in het duister, ondanks alle helderheid, die hij
nastreefde en zo niet Wittgenstein zelf, dan toch de leerlingen en volgelingen
met hun interpretatie. U suggereert enorme mogelijkheden, die er domweg niet
zijn. O
ja, er zijn enorme mogelijkheden, maar het is een beetje een miezerige en
schoolmeesterachtige taak, om van een geweldig aantal filosofen aan te tonen dat
al hun uitspraken niet geldig zijn of zinledig. Een
klein beetje voorzichtigheid is natuurlijk wel geboden, die goede en vruchtbare
oordelen hebben gehad, en nieuwe gebieden van verifieerbare feiten hebben
ontsloten, vaak uitgingen van de meest hersenschimmige filosofieën. Het
beroemde voorbeeld hiervan is Kepler, die eigenlijk geen astronoom was, maar
astroloog, of Newton, voor wiens eigen gevoel theologische speculatie eigenlijk
de hoofdzaak was. Het
hele fenomeen van de inspiratie, van het komen op nieuwe ideeën is nog zo
duister dat dat alleen al voldoende is om iemand niet zo geweldig hard te
vallen, als hij eventueel een volstrekt idiote filosoof op zijn nachtkastje
heeft liggen. Acht
u een kwestie als het oordeel: god bestaat, god bestaat niet, een volstrekt
zinloze uitspraak op grond van het feit dat hij niet verifieerbaar zou zijn? Niet
zo zeer op grond van het feit dat het niet verifieerbaar zou zijn. Wittgenstein
heeft eens gezegd dat het denkbeeld van god als schepper van het heelal zo
volstrekt absurd is; dat is volstrekt uitgesloten. Dat is een van de dingen, die
ik zonder restrictie met Wittgenstein eens ben. Maar
dat is natuurlijk een kwestie van... ...dat
is geen kwestie van proberen. Dat houdt verband met de onmogelijkheid om buiten
ons eigen heelal te treden. Weet u, het is volstrekt ondenkbaar dat het heelal
ooit geschapen zou zijn. U moet zich toch kunnen voorstellen dat zodra men
poneert dat het heelal geschapen is door een schepper, die schepper zelf ook
deel uitmaakt van het heelal. Het
verklaart helemaal niks, want waar komt die schepper dan weer vandaan. Para-religeuze
organisaties als De Vrije Gemeente, de religieuze Humanisten, e.d. zeggen: Nee,
niet god als schepper, maar god als Het Ondoorgrondelijke Wezen van het Zijn. Ze
noemen zich bij voorkeur 'zoekers'. Zoekers naar wat? Naar het
'Ondoorgrondelijke Mysterie'? Ik kan geen waardering hebben voor zulk
tijdverdrijf. Een
traditioneel tegenargument is dat uw bewustzijnsstructuur uzelf verraadt, want
door zelf uw eindigheid te beklemtonen, kunt u nooit die absolute eindigheid
zijn. Hoe zou u het anders kunnen inzien? Je
kunt reflecteren op elk begrip, zonder dat daaraan een formele beperking is op
te leggen; wel een inhoudelijke beperking, maar elke inhoud kan als het ware
weer hernomen worden. Die kwestie eindig-oneindig draait om de vraag: is het
alleen een woordenspel, hoogstens een relationeel begrippenpaar zonder veel
inhoud, of betekent het iets meer op basis van dat vermogen tot zelfreflectie?
Bij
dit soort beschouwingen hebben we in de meeste filosofieën inderdaad alleen
maar te maken met woorden. Zodra men zich met het denkbeeld van het oneindige op
een exactere manier gaat bezighouden, zoals de wiskundigen dat doen, komt men
tot resultaten, waarvan traditionele metafysici zouden staan te steigeren. Wat betekent het woord oneindig nog? Het betekent niks. Dit
soort filosofen zou niet kunnen zeggen, wat het bij ze betekent. Ze zeggen een
woord en verder niks... Ja
maar, ik ben het met u eens... Zo
gauw je met een term als oneindig op een exacte manier gaat opereren, kom je bij
Cantor en Russell terecht. En verder is oneindig niks. U
heeft zelf al een onderscheid gemaakt tussen uitspraken, die verifieerbaar zijn
en als zodanig zinvol, en zelfs waar, en uitspraken, op het vlak van
levensproblemen, waarvan u zei daarover geen definitieve uitspraken te kunnen
doen. Het probleem van het racisme dat u gaf is op een andere manier aan
begrippen als 'oneindig' of 'niets' gelieerd dan de wiskunde. Niets, in de zin
van een 'atomic fact' is onzin, maar in de zin van onder-de-zoden-gaan zegt het
wel iets. Aan de dood denken is een soort ervaring van het niets, een soort
geanticipeerde ervaring. Dat is niet helemaal onzinnig. Neem bijvoorbeeld
Bergson of Heidegger... Nou,
ik geloof dat het woord ervaring, niet zoals u het gebruikt, maar zoals deze
filosofen het gebruiken, geen inhoud heeft. Het woord ervaring heeft wel een
inhoud in de natuurwetenschappen, maar in dit geval niet. Dat voorbeeld van dat
huwelijk met een negerin zou iedere filosoof gaan voorstellen als een ethische
beslissing, iets, waarvoor die man verantwoordelijk is. Zijn beslissing, zo
stelt men het voor, is het resultaat van redelijke overleg, het antwoord op een
vraag. Maar wát hij ook doet, het antwoord zal altijd een onherhaalbaar
empirisch antwoord zijn, het is dus helemaal geen echt antwoord en de vraag is
dus geen probleem en dus is de ethica geen wetenschap. Gaan
we met dezelfde vraag naar een freudiaans psychiater, zegt deze: 'Och meneer, de
mensen rationaliseren dit en rationaliseren dat, maar wat ze ook kiezen, het zit
diep in hun onderbewustzijn verankerd door jeugdervaringen en dit en dat en dat
meer. Het is een rationele bovenbouw van woorden, die niets dan een soort
symbolische betekenis hebben, waaraan ik als psycho-analyticus nog wel de juiste
uitleg kan geven, maar deze mensen zelf helemaal niet.' U moet dit soort dingen,
ik zeg het niet bij wijze van grap, heel duidelijk zien. Ik bedoel, er is een
schisma in het westerse denken van voor Freud en na Freud. Wij leven in het
post-freudiaanse tijdperk. We weten dus dat als we dingen zeggen, die niet
absoluut controleerbaar zijn, zoals in de natuurwetenschappen, dat deze vallen
onder de psychiatrie. Dat is dus in wezen niet verschillend van het geraaskal
van kleine kinderen. Er
zijn psychiaters, die niet tegen filosofie-studenten zijn opgewassen. Je hebt
moeilijkheden op verschillend niveau. Je kunt constant blijven doorprikken,
zodat ook een psychiater machteloos staat. De
kwestie van de vooruitgang, die vaak van neopositivistische zijde wordt
uitgespeeld tegen de traditionele filosofie, lijkt u dat een zinnige kwestie?
Voor mij ligt die vraag in dezelfde orde als de vraag naar de vooruitgang in de
beeldhouwkunst, zo in de trant van: mijnheer Arp is een groter of kleiner
beeldhouwer dan Michelangelo. Ja,
ja, daarin heeft u wel gelijk. Vooruitgang in de kunst is er ook eigenlijk niet.
Maar kunstenaars zijn tenslotte geen filosofen; het zijn dikwijls aardige
mensen. De narigheid met filosofen is dat ze niet willen erkennen dat ze
eigenlijk ook een soort kunstenaars zijn. En dan moet je ze eigenlijk erg
schappelijk behandelen, want vele filosofen zijn inderdaad geen kunstenaars.
Want, dat is ook een punt dat u in uw brief aanroerde, filosofen formuleren zo
slecht, ze hebben zo'n moeizaam en slecht taalgebruik, dat het ook inderdaad
geen kunstenaars zijn. Wat kunstenaars onderscheidt van andere onzinvertellers,
dat is, of ze het erkennen willen of niet, hun zeer wezenlijke preoccupatie met
de techniek van het vertellen. Ik
ben het helemaal met u eens. Filosofen
klampen zich soms vast aan de idee van ja, wij hoeven niet goed te schrijven,
want we beoefenen wetenschap. Maar ze beoefenen geen wetenschap; of hoogstens,
als ze vergelijkend te werk gaan. Maar dan beoefenen ze eigenlijk de historie
van de filosofie. Dat is natuurlijk op zichzelf wel degelijk een wetenschap, wel
een heel vage in vergelijking met de fysica, maar toch een wetenschap, een
catalogiserende wetenschap. Niet een wetenschap die de ontwikkeling van de
mensheid vermag te beïnvloeden. Maar goed, de geschiedenis van de filosofie is
een eerbiedwaardige wetenschap.
In
Mandarijnen op zwavelzuur vergelijkt u de Nederlandse
filosofen met grappenmakers, zij het dan 'grappenmakers,
waar niemand ooit om zal lachen, gepensioneerde sergeants,
opgeblazen soutanes, mummelende napraters in vergelijking
met de meestal Duitse denkkolossen, waar zij tegen aanleunden', zoals u
ook constateert dat ook leidende gedachten in
de meeste Nederlandse boeken afwezig zijn of tenminste veel
te vaag. Is er geen enkel niveauverschil in originaliteit
tussen de Nederlandse literatoren en filosofen? Deze
opmerking over de grappenmakers, die tegen de Duitse denkkolossen aanleunen,
sloeg vooral op Bolland. Dat komt overigens ter sprake in een essay over Ter
Braak. Nu zult u vragen, was Ter Braak een filosoof? Hij zou het zelf
waarschijnlijk hebben afgewezen. Maar op een dergelijke manier tegen filosofen
zijn, zoals Ter Braak tegen filosofen was, is op zichzelf al een vorm van
filosoof zijn. Het niveauverschil in originaliteit? Dat vind ik moeilijk met
elkaar te vergelijken. Het
is een feit dat het uitdenken van grote theoretische basisideeën geen nationale
specialiteit van ons is. De filosofen, die er in Nederland zijn, zijn eigenlijk
allemaal mensen, die de geschiedenis van de filosofie doceren. Veel van die
mensen hebben helemaal niet de pretentie zelf filosoof te zijn, of een originele
filosofie voort te brengen, wat natuurlijk de meeste schrijvers nog wel hebben.
De meeste schrijvers willen immers niet alleen de geschiedenis van de eigen
literatuur of buitenlandse literatuur schrijven, ze willen meer, ze willen
nieuwe literatuur maken. Wat
zijn volgens u de oorzaken van het lage niveau van de
filosofie in Nederland? Daarop
kan ik eigenlijk geen bijzonder indrukwekkend antwoord geven. Het moet een
sociologische kwestie zijn. Ik neem niet aan dat het een rassenkwestie is. Het
wordt ook niet veroorzaakt doordat de politieke constellatie het verbiedt. Het
moet dus een samenloop van historische en sociologische factoren zijn, zoals
misschien de verschrikkelijke pressie, die altijd is uitgeoefend op het
Nederlandse geestesleven door de theologie. In de filosofische behoefte wordt
hier grotendeels voorzien door de dominee. De dominee is de filosoof in
Nederland. Waarom
wordt u eigenlijk geen filosoof? Uw morele moed, uw
oordeelsdrift en literaire capaciteiten zouden geweldige rekwisieten
zijn. Dat
is een zeer elegante vraag. Maar wanneer kun je praten over een beroepsfilosoof,
moet dat een hoogleraar zijn? Natuurlijk
niet. Als
dat dan te simplistisch is, zou ik willen vragen, ben ik een filosoof of ben ik
het niet? In ieder geval heb ik meer romans geschreven dan filosofische werken,
maar ik beschouw een roman eigenlijk als een soort gelijkenis, die past bij een
bepaalde filosofie, bij een bepaald wereldbeeld. Hoewel het wereldbeeld dat
behoort bij een roman of een ander kunstwerk, van erg belang is, is het grote
voordeel in de literatuur dat dat wereldbeeld zelf, de basis dus, niet origineel
hoeft te zijn. Toen er nog weinig wereldbeelden waren of slechts één min of
meer uniform wereldbeeld, was alle literatuur op hetzelfde wereldbeeld geënt.
Literatuur was de manier, waarop het was verbeeld. Datgene wat verbeeld werd
kwam er minder op aan, zoals het er voor realisten nog altijd niet op aan komt:
zij verbeelden de enige realiteit, verbeelden zij zich. Maar voor een filosoof
komt het er wel een beetje op aan dat hij niet het wereldbeeld van Hegel nog
eens dunnetjes navertelt, of het wereldbeeld van Heidegger of Bolland of Bergson
of noem maar op met alle neo-kantiaanse, neo-hegeliaanse variaties, maar dat hij
met een origineel wereldbeeld voor de dag komt. Nu
is de vraag, in hoeverre is er nog ruimte voor en behoefte aan originele
wereldbeelden, daar immers de exacte wetenschappen allerlei gegevens
verschaffen, die iemand niet terzijde kan leggen, als hij een nieuw wereldbeeld
gaat scheppen. Hoe meer feiten er onomstotelijk vaststaan, hoe minder
speelruimte iemand heeft voor een nieuw wereldbeeld. Iemand
kan wel een wereldbeeld scheppen in strijd met de feiten en dan met Hegel
uitroepen: tant pis pour les faits, maar men zou ook kunnen zeggen: tant pis
voor het wereldbeeld (Lacht). Het
komt er dus op aan dat de leidende gedachte van een filosoof origineel moet
zijn. Nu lijkt het misschien erg eenvoudig om een nieuw soort onzin te
verzinnen, maar dat is natuurlijk ook al weer niet waar. De vrijheid van de
willekeur was 1000 of 2000 jaar geleden ook al groot. Iedereen,
die de geschiedenis van de filosofie zal bestuderen, en niet alleen de Grieken,
maar ook de Arabieren, de Chinezen en de Indiërs, zal merken dat je niet zo
iets onzinnigs kunt verzinnen, of het is misschien 1000 of 3000 geleden ook al
een keer door iemand verzonnen. Dan
zou het dus alleen nog op de vormgeving aankomen. Maar
daarmee is dan de zaak veroordeeld. Nou
ja, daarmee is de zaak tot literatuur gemaakt. Ja,
maar dan een heel zwak soort literatuur, want het is geen verbeelding meer; het
is hoogstens een blauwdruk van een bestaande tekening. Een schrijver, een
dichter, een romanschrijver voert een bepaald wereldbeeld in personen ten tonele
en die personen leven volgens de spelregels van dat wereldbeeld. Al heeft hij
dan de spelregels niet verzonnen, die personen schiep hij wel. Maar
het is dus, zoals ik u zeg, uitzonderlijk moeilijk, zelfs al stel je je geen
enkele wetenschappelijke of logische eis, om nieuwe onzin te verzinnen. Dat is
precies even moeilijk als het maken van een absoluut origineel schilderij, dat
absoluut niets voorstelt of kan voorstellen. We
hoeven dus mettertijd geen boek te verwachten Filosofen op sterk water? Nou,
als het even voorkomen kan worden, zal ik het niet doen. Waarom
niet? Kijk
eens, Mandarijnen op zwavelzuur is vooral geschreven om ruim baan te maken voor
mijn romans. Het is eigenlijk een oratio pro domo. Als ik nu een eigen filosofie
had, een heel bepaalde eigen filosofie, waarvan ik dacht dat hij heel belangrijk
was en dat de verbreiding ervan werd tegengehouden door de bestaande
misverstanden, zou ik een reden hebben om ten strijde te trekken. Maar in
hoofdzaak ben ik voorlopig geen filosoof.
Had u
De God Denkbaar Denkbaar de God kunnen schrijven zonder Wittgensteins Tractatus
gelezen te hebben? Nee,
nee, nee, ik had Wittgenstein al eind veertig, begin vijftig gelezen, dat wil
zeggen alleen de Tractatus. Die
voortdurend terugkerende woordspeling van 'hij was denkbaar, want god was
denkbaar' had ik zonder Wittgenstein niet bedacht. Dat is waar. Dan wou ik u nog
dit zeggen: dat de filosofen, en daarmee heb ik speciaal het oog op mensen als
Heidegger en Gadamer, steeds meer gaan zoeken naar vragen, die de wetenschap
niet kan oplossen. Dat hebben ze gedaan om zichzelf te handhaven. Ze pretenderen
dus dat je als het ware twee klassen van problemen hebt, filosofische problemen
en wetenschappelijke problemen. Dat
is exact de mening van Delfgaauw. Ja,
en als een filosoof gaat praten over problemen oplossen, betekent dit dat hij
dat alleen kan doen door dezelfde methoden te gebruiken die de andere
wetenschappen ook gebruiken, namelijk het logisch redeneren. Zonder het te weten
gebruikt hij dus een vervalste, verbastaardiseerde vorm van logisch redeneren,
want hij wil perse, in tegenstelling tot de exacte wetenschap, problemen van
niet-logische aard oplossen. U
heeft in het begin van ons gesprek gesuggereerd dat er een
soort ruimte moet zijn voor de filosofie, analoog aan de kunst, zoals u
juist zei dat een filosofie eigenlijk een nieuw
wereldbeeld moet creëren. Inderdaad,
maar dan moet men erkennen dat men dan een filosofie krijgt, die niet meer is
dan een kunstwerk. Dan mag men dat soort termen als 'problemen oplossen' ook
niet meer gebruiken. Dan krijg je iets als een gedicht, dat uiterlijk de vorm
heeft van een betoog, maar geen logisch sluitend betoog, en dat óók niet meer
pretendeert. Waarmee zou je dat moeten vergelijken? Met Sein und Zeit. Je hebt
massa's mensen, streng logisch denkende mensen, die dat boek beschouwen als
onleesbare onzin. Maar andere mensen ondergaan een zekere geboeidheid, als ze
dat lezen. Waarop berust nu het feit dat een mens geboeid kan zijn door iets,
dat kritisch beschouwd onzin is? Het is klaarblijkelijk een gegeven van de
menselijke geest dat je door een bepaalde reeks woorden, die op zichzelf niets
betekenen geboeid kunt zijn. Het
wordt dan zoiets als de abstracte schilderkunst, het wordt een filosofie, die
voor niets in het werkelijke leven of voor wat dan ook enige gelding heeft. Die
helemaal niet meer buiten zichzelf treedt, net zomin als een roman, al kan die
soms per ongeluk buiten zichzelf treden. Ik denk hier aan wat gebeurd heet te
zijn, nadat Goethe Die Leiden des jungen Werthers had geschreven. Men ging
zichzelf hierin herkennen en zijn gedragspatroon imiteren. Die roman werd dus
voorgesteld als een soort handleiding, hoe je leven moest, liever gezegd, hoe je
zelfmoord moest plegen. Ik,
Jan Cremer. Ja,
maar daar kun je vragen: was er eerst het gedragspatroon dat je in Ik, Jan
Cremer aantreft, of eerst Jan Cremer en daarna dat gedragspatroon? Dat is een
interrelatie, op zijn best uitgedrukt. Zo
staan ook de gevolgen in de filosofie, nuchter beschouwd, in geen enkele relatie
meer tot hun oorzaak. Want welke mensen werden existentialisten genoemd? Dat
waren niet de mensen, die Heidegger en Sartre lazen, maar mensen met een bepaald
soort kleren, die de hele dag op kleine caféterrasjes zaten in St. Germain des
Prés. Dan was je existentialist, hè! Waar is het verband tussen die twee? Dat
is er helemaal niet. Dat is volstrekt willekeurig. Want nergens staat in Sein
und Zeit of L'être et le neant dat je de hele dag met het blad Combat op je
knie op een caféterras moet gaan zitten, en dat was wat die mensen deden. Of
dat je 's avonds in een kelder moest gaan zitten luisteren naar Juliette Gréco.
Maar dat waren de consequenties, die die mensen trokken, zoals ze ook vonden dat
je een grote voorliefde moest hebben voor de Sovjet-Unie en voor vrije
liefdesverhoudingen, en laat naar bed gaan, en soms ook veel drinken of morfine
gebruiken of iets dergelijks. Maar iedereen weet dat deze dingen al lang
bestonden, voordat Sartre werd geboren. Maar,
met al dat voorafgaande, is duidelijk geworden dat u de oprichting van de
Centrale Filosofische Faculteit afwijst? Nee,
die juich ik eigenlijk erg toe. De filosofie heeft nu eenmaal duizenden jaren
bestaan en alle mogelijks filosofische ideeën doen nog steeds overal de ronde
in het hele leven, in de dagbladpers, in de preken van dominees, bij de
dagsluiters, bij het nemen van politieke beslissingen. Als de aankomende
intellectueel, wat de student ten slotte is, een beetje systematische
voorlichting krijgt over dat soort dingen, is dat alleen maar toe te juichen. Dat
vind ik geweldig. Filosofische scholing is nuttig, op de manier waarop het
vroeger nuttig was koloniale ambtenaren te scholen in de godsdiensten, zeden en
gebruiken van de inheemse bevolking waar ze mee te maken zouden krijgen. Maar
dan moet het natuurlijk een kritische scholing zijn, dan moet men het
hoogleraarschap in de filosofie niet beschouwen als een manier om een dominee
aan een lucratief baantje te helpen. Maar
de pretentie van de Centrale Interfaculteit gaat wel iets verder dan uw plan,
namelijk een poging een soort filosofische doordrenking te geven van elke
wetenschap. Vandaar centrale interfaculteit. Dat
doel is voorlopig nog niet bereikt en ik geloof dat de ontwikkeling die kant ook
helemaal niet opgaat. Ik geloof veel meer, dat duurt waarschijnlijk nog erg
lang, want tradities zijn taai, en tradities binnen de muren van de universiteit
zijn enorm taai, onvoorstelbaar taai, de taaiste op de hele wereld, dat
eigenlijk de tijd is aangebroken om de universiteit te splitsen in medische,
technische en, nou ja, geesteswetenschappelijke hogescholen. Maar alles bij
elkaar in één universiteit is helemaal een illusie geworden. U
heeft zich over de filosofie nu wel iets negatiever uitgelaten dan u in
Wittgenstein in de mode heeft gedaan, waarin u schrijft dat 'filosoferen als
wijze van zogenaamd denken veel algemener is dan het denken van logici,
wiskundigen of natuuronderzoekers. Het is waarschijnlijk nog algemener dan de
poëzie.' En daarop laat u volgen: 'daarom kan de filosofie nooit totaal
verworpen worden, al onderhoudt ze, in tegenstelling
tot wat de vakfilosofen denken, en tot wat de theologen staande houden over de
godsdienst, geen intiemere relatie met de waarheid dan de
poëzie, terwijl ze
dikwijls veel lelijker is.' Ik
ben me helemaal niet bewust dat ik me nu pessimistischer heb uitgelaten dan
daar. O,
toch niet? Nee,
nee, nee, dat is tenminste helemaal niet mijn bedoeling geweest. Als ik die
indruk gewekt heb, is dat ten onrechte. Maar ik zeg in Wittgenstein in de mode
toch eigenlijk niets anders dat wat ik vijf minuten geleden ook zei. Nee,
u heeft inderdaad gelijk. Iedereen
is filosoof, zelfs de sigarenwinkelier is filosoof; iedereen,
die in de Kamer een redevoering afsteekt, iedereen, die een nieuwe
politieke partij opricht is filosoof. Ik
zie het nu van die Centrale Interfaculteit als een ideeëngeschiedenis. Maar ik
zie niet veel heil in de filosofie als creatieve wetenschap. Daarover heb ik me
vandaag wel pessimistisch uitgelaten. Ik geloof dat dat zijn tijd gehad heeft.
Ik geloof wel dat de bestaande filosofie op de een of andere manier levendig
gehouden moet worden of voortdurend kritisch bekeken moet worden. Staal
wil zo wetenschappelijk mogelijk zijn, maar blijft
zich toch filosoof noemen met als uiteindelijk motief, de grotere
speelruimte voor de filosoof om nieuwe hypothesen te
ontwikkelen. Dus toch filosoof vanwege de grotere creatieve
mogelijkheden. Ik
heb eigenlijk steeds het oog gehad op de exacte wetenschappen. Maar ik kan me
voorstellen dat het onmogelijk is dat iemand historicus is zonder zich ooit
serieus met filosofie beziggehouden te hebben. Het lijkt me haast niet mogelijk
dat zo iemand een creatief historicus kan zijn, vooral ook omdat je je als
historicus bezighoudt met tijdperken, waarin de filosofie een heel andere rol
speelde dan nu. En
dat zal ook voor de taalwetenschappen gelden. En zeker voor de sociale
wetenschappen. Met
andere woorden, u zou dus toch een distinctie willen maken tussen de rol, die de
filosofie speelt binnen de exacte wetenschappen en de geesteswetenschappen? Het
lijkt er een beetje op alsof ik dat bedoeld heb, maar nu u het nog eens
herhaalt, weet ik niet zeker of ik dat bedoeld heb. Dat wil zeggen, ik kom terug
op iets dat ik vanochtend ook al gezegd heb. Ik kan me best voorstellen, al is
het misschien een fantastisch, maar niet onmogelijk voorbeeld, dat een fysicus,
die er niet uitkomt met het onderbrengen van een reeks feiten in een theorie, op
basis van een of andere opmerking van Heidegger, die op zichzelf niets met
fysica te maken heeft, op een idee komt om die feiten te rangschikken, zodat hij
een zinvol geheel krijgt. Nu
is het grote verschil dit: de bijgedachten van Kepler kunnen de moderne
astronoom onverschillig laten, maar de bijgedachten, ik bedoel het filosofische
wereldbeeld van Marx, Comte, Lévy-Bruhl, Keynes, Galbraith enz. staan niet los
van hun wetenschappelijke theorieën, want ze maken deel uit van de kern. Nou,
ik betwijfel... U
betwijfelt het, maar Kepler bijvoorbeeld was op volstrekt magische gronden van
mening dat de cirkel zo'n ideale figuur was en dat dus de planeten cirkels
moesten beschrijven. Zo is hij op dat idee gekomen. Het bleken niet precies
cirkels te zijn, maar ellipsen; maar goed, hij kwam door iets, wat op niks
gebaseerd was op een idee dat wel handen en voeten had. Ja,
maar er is een interessanter probleem. U heeft geschreven dat u bijzonder veel
waarde hecht aan Freud en veel invloed van hem ondergaan heeft. Het lustbeginsel
en de doodsdrift zijn voor Freud twee oergegevens. Nu heeft Marcuse in Eros and
civilization de hypothese ontwikkeld dat het doodsinstinct in een
technisch verder ontwikkelde beschaving misschien
volledig getransformeerd kan worden in de lustbeleving. Hier vindt de
transformatie plaats van een psychologisch gegeven in een cultuurfilosofisch
toekomstbeeld dat misschien speculatief aandoet, maar daarom niet onzinnig is. Ja,
maar daarop kan ik toch dit zeggen, en daar wil ik het dan voor vanavond bij
laten, dat ook Freud, een geweldige mijlpaal in de psychologie, op het ogenblik
begint te kraken. Een
hoeksteen van Freuds theorie is dat de slaap behouden moet blijven en dat de
droom er is om de slaap te beschermen. Tot voor kort was men van oordeel dat
mensen slaap nodig hebben om uit te rusten. Eigenlijk begint nu pas tot de mens
door te dringen, hoe idioot dat oordeel is. Het is natuurlijk een volstrekt
waanzinnig denkbeeld. Want waarom zou een mens, die echt gezond is, waar dus
alle functies op elkaar zijn afgestemd, überhaupt rust nodig hebben? Een mens
heeft helemaal geen rust nodig, net zo min als de motor van een straalvliegtuig.
Dus een mens heeft helemaal geen slaap nodig. Toch
gaan we vannacht naar bed. Ja,
maar wat is nu de kwestie? Het schijnt precies omgekeerd te zijn als Freud
dacht, want de droom dient niet om de slaap te beschermen, maar de slaap dient
om de droom te beschermen. En wat is de droom? Daarop is men gekomen naar
analogie van computers. Ik ben niet zo erg thuis in computers, maar computers
moeten na verloop van tijd nieuwe informatie verwerken. Ze worden dan zogenaamd
'updated'. En aangezien een mens, die wakker is, ook de hele dag nieuwe
informatie krijgt, moet deze informatie gerangschikt en het brein 'updated'
worden. Deze updating van onze computer is het dromen. Dat dromen is dus
essentieel, niet het slapen. Men kan doormiddel van electro-encefalogrammen
uitmaken of iemand droomt. Men heeft nu bij proefpersonen de slaap onderbroken,
telkens op het moment dat hij ging dromen. Maar zonder dromen word je binnen
vijf dagen gek. Dat is de essentie van de zaak. Als deze theorie helemaal
doorzet, dan is dat 't begin van 't einde van Freud, dat begrijpt u. Dan zal de
hele freudiaanse toestand, eh.... Nou,
nee, dan krijg je juist een herformulering van de lustbeleving, dan wordt het
dus minder problematisch. Enfin,
men weet dit nog maar heel kort en
het is de vraag of ik geroepen zou wezen om, eh (lacht) de hele zaak te
herinterpreteren, maar in ieder geval is er iets aan de gang. In
een veel ontremdere samenleving zal misschien ook de functie van het dromen
kunnen worden opgeheven, zodat er van de kant van deze theorie niets pleit tegen
een herinterpretatie, maar in ieder geval is er iets aan de gang. Dit
lijkt aannemelijk, maar van een zozeer ontremde samenleving is voorlopig geen
sprake. Ik heb de indruk dat wij nu dan toch eerder de kant van science-fiction
zouden opgaan dan de kant van de filosofie. Wat
helemaal niet is strijd is met wat ik beweerd heb, aangezien ik beweerd heb dat
de filosofie de kant van de literatuur opgaat. Het is dan een speciaal soort
literatuur, namelijk de science-fiction, waar de filosofie naar toegaat. Goed. Filosofie
als science-fiction. Filosofie
als science-fiction (lacht). Ja, dat is misschien de goeie titel voor dit hele
hoofdstuk dat we op dit ogenblik zitten te maken. Filosofie als science-fiction (berustend).
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
|
|
Bezoek deze pagina's in uw eigen volgorde Plaats "WILLEM FREDERIK HERMANS" bij uw favorieten Ach, waar bemoei ik mij eigenlijk mee?
KENNISMAKEN MET WFH --- SPELLETJES MET WFH LUISTEREN NAAR WFH --- BIJSCHRIJVEN OVER WFH --- ADVERTEREN MET WFH NAAR DE FILM MET WFH --- AUTOBIOGRAFIE VAN WFH MULTATULI EN WFH --- SCHRIJFMACHINES VAN WFH TIJDSCHRIFTEN OVER WFH --- PLAATJES KIJKEN MET WFH WEINREB, EEN KWESTIE VAN WFH --- BOEKJES LEZEN MET WFH RIJMEN MET WFH --- WITTGENSTEIN EN WFH --- NAAR ZWEDEN MET WFH? AANDENKEN AAN WFH --- OP TONEEL MET WFH --- INTERVIEWS MET WFH POST VOOR WFH --- TE GAST BIJ WFH
Bij het samenstellen van deze site heb ik gepoogd bestaande rechten op tekst en afbeelding te eerbiedigen. Mocht er toch nog bezwaar zijn tegen het gebruik van materiaal, laat u dat dan onverwijld weten?
De links naar de verschillende pagina's werden voor het laatst bijgewerkt op: dinsdag 27 oktober 2009 |