|
INTERVIEW MET WFH
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
G. Luyendijk en A.G.J. Baeten
Gesprek met Hermans. Bourgond, 1ste
jrg. no. 8/9, 30 maart 1962.
"Ik wist
altijd alles. Ik heb altijd gelijk.
Maar wie gelijk heeft, heeft niets".
De
dag tevoren had de 'mandarijnenomroep' AVRO twintig minuten aandacht aan hem
besteed in de vorm van een vraaggesprek. Hermans deed zich daaruit kennen als
een praatgrage persoonlijkheid, die met zijn stem met het typisch sappige,
lichtelijk Amsterdamse accent, zijn zeer geprononceerde meningen gedecideerd
uitsprak. De
volgende dag, als wij na een vervelende treinreis van circa 4 uur te
Groningen
arriveren, komt het gesprek al gauw op dat interview. Het blijkt een interview
te zijn dat Johan v.d. Woude twee maanden geleden gemaakt heeft en dat hij
achtereenvolgens aan de Leeuwarder Courant, de (katholieke) Gelderlander en de
AVRO heeft verkocht. Als Hermans dit vertelt lacht hij een beetje berustend,
als wil hij te kennen geven dat het nog net als vroeger (10 jaar geleden) is. 'Sommige
vragen heb ik hem zelf aan de hand gedaan; zo b.v. die vraag over de
onderlinge relatie van de personages in mijn romans.' In
het Parool schreef Max Nord de volgende dag, dat de interviewer zijn werk zeer
goed gedaan had en met zijn scherpe analyserende vragen tot het wezen van
Hermans', overigens onbetwiste, werk was doorgedrongen. Er is in 10 jaar veel
veranderd en eigenlijk ook weer niets. De waardering van de enige tijd geleden
nog zo omstreden schrijver is algemeen geworden, vervelend algemeen. Tot de
figuren die een tiental jaren geleden min of meer intensief met het venijnige
zwavelzuur werden bewerkt behoren Van Duinkerken, Elias, Gans, Gomperts,
Esteban Lopez,
Morriën,
Charles, Annie Romein Verschoor, Stroman,
v.d.
Veen,
het beroepsjurylid 'Dr.' Victor E. van Vriesland, de 'keurcentrale' Idil te
Tilburg, Stuiveling, Rodenko, Dubois, Bert Voeten, Theun de Vries, alsook
reeds overleden persoonlijkheden als Du Perron, Marsman en Ter Braak, welke
laatste in Hermans' laatste boek Het grote medelijden, onder de schuilnaam
Otto Verbeek nogmaals wordt gegrepen. In deze opsomming zijn er veel die in de
loop van 10 jaar hun oordeel over Hermans romans en novellen (onder invloed
van de publieke opinie!) radicaal wijzigden. Men kan zeggen dat Hermans nu als
een erkend 'groot' Nederlands schrijver wordt beschouwd. Het is de vraag of
hij hier gelukkig mee is. We
lopen naar de studeerkamer van Hermans, waar ons een infanterist, in ouderwets
blauw uniform gestoken, vanaf een levensgrote, reeds vergeelde afbeelding,
nietszeggend aanstaart. Langs twee wanden staan geheel gevulde boekenkasten. 'Gaat
U zitten', zegt. H. uitnodigend. Mevrouw
Hermans brengt ons koffie en een klein blozend knaapje komt ons verlegen
lachend een handje geven; evenals zijn vader schijnt hij veel binnenpretjes te
hebben. Bij het weggaan struikelt hij bijna over twee zwarte
poezen, die witte
servetjes dragen. B. vraagt of dat de poezen zijn uit zijn vroegere werk.
Hermans antwoordt ontkennend. 'Nee,
toen had ik nog geen katten'
'U schreef toen dus vanuit een gemis, namelijk een gemis aan katten', constateer ik.
Hermans kijkt ons lichtelijk verbaasd aan en produceert dan een onzeker
lachje, 'Ja,
als U het zo bekijkt, wel ja.' Er
klinkt een zekere onrust in zijn stem, als hij zegt 'Begint
U maar!' Kennelijk
vreest hij dat wij, als niet geschoolde, en vooral niet 'aangepaste'
interviewers, zonder enige tact, onbarmhartige vragen zullen gaan stellen,
als: 'Hoe komt het toch dat u steeds in de contramine bent', om dan
onverbiddelijk als een tandarts te gaan doorboren, in zijn milieu,
familieomstandigheden en opvoeding. Mijn schroom overwinnend grijp ik een stuk
papier, waarop slordig enige aanknopingspunten van ons gesprek staan vermeld.
Tot mijn niet geringe schrik zie ik dat de eerste vraag luidt:
'Waarom
schrijft U?', een vraag die mij in deze omgeving verschrikkelijk banaal en
belachelijk voorkomt. Om de situatie een beetje te redden, kleed ik hem in en
kondig hem van te voren aan als een clichévraag, terwijl ik tevens een
neutraliserend woordje toevoeg:
'Waarom schrijft U eigenlijk?' Hermans
denkt enige ogenblikken na, fronst zijn voorhoofd en zegt, om tijd te winnen,
quasi-bedachtzaam: 'Dat
is inderdaad een clichévraag, ja. Laat ik daar dan ook maar een
clichéantwoord op geven.' Moeizaam
naar woorden zoekend begint hij voorzichtig te formuleren: 'In
de eerste plaats omdat ik het niet laten kan. (Lacht onzeker, ziet dat wij
niet tevreden zijn en gaat verder): De financiële reden is natuurlik ook zeer
belangrijk. Toen ik in 1940 mijn eerste verhaal in het 'Handelsblad'
publiceerde, kreeg ik daar fl
16,-- voor, dat was toen heel wat voor mij,
'U heeft gesteld, dat U hoopt dat de lezer van Uw werk iets heeft aan hetgeen U schrijft, dat hij soms een gedachte in Uw werk kan herkennen, die hij zelf wel eens in het diepste geheim heeft gekoesterd. Dat zou dan een troost voor die lezer kunnen zijn. Is dat niet een soort effect dat het Kinsey-rapport ook wel wordt toegeschreven?' Hermans
(gedecideerd): Nee, zeker niet. Kinsey was een bioloog, hij werkte met dode
cijfers. Hij stelde b.v. vast dat 93 procent van de Amerikaanse mannen
onaneert of wel eens heeft geonaneerd. Wie nu zoals die 93 procent is, kan
zich, mocht hij wroeging hebben, troosten: ik ben lang de enige niet. Maar wie
bij de resterende 7 procent hoort, zal denken: ik ben wel niet de enige, maar
het scheelt toch verdomd weinig. Hij gaat zich mogelijk zorgen maken over zijn
gezondheid. Kinsey was objectief, hij zocht feiten; zijn opzet was niet de
mensen te troosten. Alle natuuronderzoek is in feite onbarmhartig voor de
minderheden. (Ziet
kennelijk niet veel heil in een verdere discussie hierover; ongeduldig).
Volgende vraag!
'Stelt U belang in de reacties op Uw werk?' Vroeger
stelde ik daar wel enig belang in. Ik knipte ze allemaal uit en plakte ze in.
(Wijst op twee plakboeken), maar tegenwoordig doe ik dat niet meer, ze
schrijven toch altijd hetzelfde. Voor 'n beginnend schrijver is dat anders, de
kritiek kan zijn dood betekenen. Nu echter kan ik de kritiek onmogelijk nog
serieus nemen. De critici lezen niet meer; ze zijn bevooroordeeld doordat ze
je vrij spoedig in een bepaalde klasse indelen, waar je dan niet meer uitkomt. Neem
Gomperts nu eens: in het Parool van 6 dec. '58 schrijft hij in zijn kritiek
van
De donkere kamer van
Damocles, dat Osewoudt 'n helderziende is, een 'ik
heb altijd gelijk figuur', uit mijn vroegere werk. U
heeft het boek gelezen? Ja? Nou dan, is Osewoudt zo'n figuur? (Wij schudden
ontkennend). Helemaal niet! Het is een doodgewone jongen. Bovendien heeft hij
nog mee gelachen ook met de klas om het mopje van de schoolmeester. Maar dat
leest Gomperts niet eens meer. Hij misbruikt de psychologie voor moralistische
doeleinden. Dat is een van mijn grootste bezwaren tegen deze criticus. Mijn
Nederlands is voor mij nog altijd een probleem, maar het is toch nog altijd
tien maal beter dan dat van Du Perron of Ter Braak. Of
mijn Nederlands zo goed is als dat van
Multatuli weet ik niet, maar in ieder
geval is Multatuli de enige die eigenlijk goed Nederlands heeft geschreven.
'Zijn er naar Uw mening nog critici van formaat in Nederland?'
Nee,
helemaal niet. Ook Vestdijk niet, die is teveel een 'geit-en-kool'-spaarder.
Hij heeft nu eenmaal een reputatie op te houden. Hij is wel een vakman, maar
in zijn kritieken bedrijft hij teveel naturalistische verslaggeving, zonder er
overigens in te slagen tot de kern door te dringen. Ook
Gomperts heeft geen echte allure, hoewel hij mij gunstig gezind is. Toch
kijken de lezers wel naar hem. Ook P.C., waarvan hij oud-redacteur is. Maar
neem nu zijn bundel 'De schok der herkenning' eens. Alleen de titel al, die is
gepikt van Wilson's 'The shock of recognition', dat toen zeer in de mode was
en dat Gomperts zeker gekend heeft, getuige een citaat ergens in zijn boek.
(Maakt een vertwijfeld gebaar alsof hij wil zeggen: Hoe kan iemand die zo
schaamteloos te werk gaat nu nog
ooit iets goeds schrijven. Dat is toch wel het toppunt!) De
enige criticus die een beetje leesbaar over boeken schrijft en die daarbij ook
nog voldoende belezen is, is Jacques den Haan.
'Hoe staat het met de kunstkritiek op andere gebieden van de kunst?'
Wat
de schilderkunst betreft: Zelf leg ik geen maatstaven aan bij het beoordelen
van de non figuratieven. Ik vind ze gewoon mooi of niet. Wat
de kritiek betreft? Momenteel
zijn alleen Appel, Corneille en nog een paar bekend, de rest plm. 3000 is
onbekend; in zo'n situatie is er toch geen serieuze kritiek mogelijk. De
kritiek beïnvloedt de markt niet, er is geen enkele wisselwerking. Toneel
en
film? De enige die redelijk over film schrijft is
Jan
Blokker, de rest, ja
ook Filmforum, leutert en zeurt maar wat raak. In Frankrijk ligt dat heel
anders, daar kennen de critici de regisseurs. In Nederland is de pot maar
klein, je moet lid zijn van de bond van beroepsfilmers anders word je door de
anderen met argusogen aangekeken. Dat is toch belachelijk. Buitenstaanders
worden geweerd. Overigens vind ik het akelig dat die Toon ook Hermans heet.
Inderdaad Toon is geen vakman, maar Haanstra maakt ook geen goede
films. 'De
Zaak (kijkt of hij een vies voorwerp aanpakt) M.P.' dat is toch niks, wat zit
daar nu in?
'Ziet
U in de hedendaagse Nederlandse literatuur nog grote schrijvers?' Momenteel
geen. Vroeger
Multatuli. Nescio was erg vlug uitgepraat. Zijn ervaringsgebied
was te klein. Na zijn dood had men zijn 'Fonds de tiroir' beter niet meer
kunnen uitgeven. Maar aasgier (lijkbezorger)
Van Oorschot heeft zich helaas
van zijn nalatenschap meester gemaakt. Van
de buitenlanders vind ik die auteurs groot die iets nieuws gebracht hebben. Kafka,
Rimbaud, Céline. Nederlandse
pendanten van die grootte zijn er niet. Ook Multatuli niet. Misschien Lucebert,
die enkele bijzonder goede gedichten heeft geschreven. Je staat er nog te
dicht bij om dat precies te zien, maar hij is in ieder geval een groter
dichter dan Roland Holst. In de historie der Nederlandse literatuur zijn ook
weinig goede schrijvers aan te wijzen. Vondel
is eigenlijk enorm platvloers. De schooljeugd kan er niets goeds uit leren,
niet eens hoe een drama in elkaar zit. De dramatiek is voor mij het
belangrijkste onderdeel van de literatuur. - Vondel verkondigde bovendien
alleen algemeen bekende vooroordelen; hij is zelfs geen 'geniaal verzenbakker'
zoals Ter Braak hem noemde. Bekijkt U deze passage maar eens. (Leest de Rei:
'Waar werd oprechter trouw' uit Gijsbreght voor). De
Franse jeugd staat er met Diderot en Molière heel wat beter voor. Deze
schrijvers hebben bijzondere gedachten glashelder weten te formuleren. Kijk
maar eens naar 'De misantroop' van Molière. (Zoekt het bedoelde boek op en
leest enige regels in volkomen onverstaanbaar Frans voor. Gelukkig vertaalt
hij ze even later.) Het is een dialoog tussen twee schrijvers. De een heeft
door doeltreffend gevlei veel succes bij het publiek, de ander, Alceste,
schrijft alleen de waarheid zoals hij die ziet en stoot zich daardoor telkens.
(Slaat met zijn rechterhand op het boek): Hier wordt iets gezegd, maar kom
daar bij Vondel eens om. Voor het middelbaar onderwijs zou veel meer gebruik
gemaakt moeten worden van Multatuli. Diens kritieken op Bilderdijk en
Thorbecke zouden voor heel wat Nederlanders een onaangename verrassing zijn.
Maar waar je ook komt in Nederland, te beginnen bij het onderwijs, overal
stuit je op dezelfde kleinburgerlijkheid. Mijn idee om de Nederlandse staat
maar op te heffen (Uit: Ik heb altijd gelijk) was inderdaad serieus bedoeld;
maar ik ga niet in de politiek.
'De huidige schrijversgeneratie?' Vinkenoog
was met 'Zolang te water' hoopgevend maar hij schijnt de moed weer opgegeven
te hebben. Toch kan het misschien nog wel eens iets worden. Bomans
is een grappenmaker die speciaal schrijft voor notarissen en gepensioneerde
schoolhoofden die zaterdagavond de Elsevier kopen. In Campert zie ik de
opvolger van Carmiggelt. Ook in zijn laatste boek, ja. Vergeeft
U mij, maar ik ga zonder enige consideratie te werk, het lijkt een beetje
egoïstisch, maar ik ben dan ook geen criticus.... Mulisch
is een heel vriendelijke jongen, met wie ik heel goed kan opschieten. Toch zeg
ik in een interview nooit iets goeds over hem. Het verschil tussen Mulisch en
mij is dat hij Thomas Mann een groot schrijver vindt en ik niet. Ja, ik geloof
dat hij door mij beïnvloed is.
'Delen de Nederlandse dag-, week- en maandbladen ook in de algemene malaise?' Van
de weekbladen is alleen de Haagse Post amusant, hoewel 70 procent gelogen en
90 procent overgeschreven is. De Groene heeft alles overgenomen, meestal van
linkse Franse bladen. Die artikelen zijn in Frankrijk met haar O.A.S. wel op
zijn plaats, maar hier in Nederland volkomen absurd. Maar de Groene is toch
geen blad voor domoren. Vrij
Nederland is wel het saaiste en tutterigste blad dat ik ken. Voor de
intellectuele middenstand, Mulo, 3-jaar H.B.S., onderwijzers en kleine
ambtenaren. Behalve
onverteerbaar gepreek over de metaal c.a.o. enz. kun je er vaak voornamelijk
in lezen wat je veertien dagen eerder al in andere kranten gelezen hebt. (Wij
protesteren: zeggen dat Elsevier nog veel saaier is en wijzen op de oud
P.C.-redacteuren in de redactie). Nee,
oud-redacteuren durven lang niet zo te schrijven als vroeger. Eykelboomm b.v.
schrijft tegenwoordig erg saai, bij het vervelende af. Ze durven ook niet
alles te schrijven, zoals P.C. Neem dat interview van Bibeb met Derks nu eens,
daar blijkt het duidelijk uit. Het excuus van Smedts, dat het er niet toe doet
wat iemand voor 1940 heeft gedaan, maar wél hoe hij zich daarna heeft
gedragen is in dit geval niet relevant, want in Vrij Nederland wordt de zaak
'Stuiveling' wel uittentreure
behandeld. Nee,
in dit geval was het duidelijk dat ze de feiten over het weinig fraaie
journalistieke verleden van Derks niet durfden te publiceren, omdat Derks een
belangrijk man in de reclamewereld is en omdat Vrij Nederland ook afhankelijk
van die reclame is. De
'zaak Stuiveling' wordt naar mijn mening overigens sterk opgeblazen. Het is in
1957 in de Telegraaf begonnen toen Bakels een open brief richtte aan
Stuiveling. Daarna hebben o.a. zowel V.N. (wijlen prof. Barents als ook
Maatstaf (Charles en Marja) zich achtereenvolgens over het weinig fraaie
gedrag van Stuiveling opgewonden. De
fout van Stuiveling is dat hij er op ging reageren en zijn gedrag probeerde
goed te praten; met name zijn verdediging in de Haagse Post, was belachelijk.
Hij had destijds bij de herdruk van de gewraakte bloemlezing gewoon in het
voorbericht moeten
schrijven, dat op last van het O.K. en W. bij joodse auteurs, de vermelding dat
zij joods waren, was toegevoegd. Dat was de enige juiste houding. Ik vind de
herrie die ze er over maken trouwens wel erg overdreven; als ze inderdaad
vonden dat Stuiveling 'fout' was geweest, hadden ze hem niet eerst overal voor
moeten vragen, om hem dat daarna weer eens te gaan inpereren. Er zijn een
heleboel mensen die wel iets te verbergen hebben. Ik zou wel eens willen weten
hoeveel ook oud p.c.-redacteuren, het feit dat zij oud-redacteur van Propria
Cures zijn, proberen te verbergen. Marja, die in een recent nummer van P.C.
Stuiveling nog eens uitgebreid aanvalt, had zelf in 1935 een gedicht in 'Volk
en Vaderland' gepubliceerd. Van Straten heeft dat uitgevonden. Maar
op de weekbladen terug te komen: Elsevier is voor rancuneuze mensen die teveel
belasting betalen en niet al te slim zijn. Saai en onverteerbaar. Het
Hollands Weekblad zeurt Ter Braak en Du Perron na. Het Parool had vroeger een
dubbele publiek. De greep op het intellectuele deel daarvan verliest het steeds
meer. Het is nu meer het blad voor de kleine man. Het is een vies ding in je
huis. (Ja, ik ben er zelf wél op geabonneerd). Daar tegenover staat het
'Handelsblad'. Je kunt aan de advertenties zien voor wie een blad schrijft:
Het Parool vraagt glazenwassers, het Handelsblad topfunctionarissen. De
Telegraaf voldoet aan een diep gevoelde behoefte van het Nederlandse volk; dit
pleit niet voor het Nederlandse volk. Gans begint steeds meer te lijken op een
oude zure grootmoeder; hij is gewoon te dom om een mening te hebben. Hij is
één van de weinige, zo niet de enige krantenpolemist, die beschikt over het
soort onverwoestbare brutaliteit dat de polemist kan sieren. Pasquino is
iemand die nooit een pen had moeten opvatten. De
Tijd zie ik nooit. Het Vrije Volk heeft een slordige typografie maar een goede
literaire rubriek.
Van Straten is een belezen man, goddank. De Volkskrant is
een blad zonder uitgesproken mening. De
N.R.C. is een topfunctionarissen blad van een fatsoen dat met echt fatsoen
niets uitstaande heeft. Nee, betrouwbaar is hij ook niet. Van
de literaire tijdschriften is Podium alleen maar een bloemlezing. Tirade? Waar
Van Oorschot in de redactie zit, kan het niets zijn. Het is het enige blad
waarin hij gratis kan adverteren; hij houdt niet van dure advertenties. Maatstaf:
nutteloze commerciële publicaties. De kartons voor Letterkunde zijn soms heel
aardig, soms ook niet. Randstad: creatie van internationale Simon Vinkenoog
samen met Gardsivik het modernste tijdschrift. Een verademing, deze twee. Aan
Symbiose had ik nooit mee moeten doen. Maar ja, ze vragen je om een bijdrage
voor een nieuw tijdschrift en sturen daarbij een lijst van medewerkers. Als je
die leest, denk je: dat zal wel wat zijn. Maar nee, dit keer was het niets,
alleen dat papier al! Bij Taboe was dat niet zo. Dat vond ik een fijn blad.
Jammer dat het weg is. Het blad met de meest sterke persoonlijkheid vind ik
Barbarber. Dat is werkelijk uniek. Buiten
is het inmiddels donker geworden. Het gedempte licht van een schemerlamp werpt
vreemde schaduwen op het gezicht van Hermans, dat afhankelijk van de stemming
waarin hij verkeert, wisselende uitdrukkingen vertoont. Hermans schijnt,
evenals wel meer mensen, al zijn humor te verliezen als hij geconfronteerd
wordt met een camera; op foto's ziet hij er dan ook vaak uit als een in
zichzelf gekeerde dokwerker, wiens ongenaakbaarheid niet bepaald tot het
uiten van vertrouwelijkheden noodt. Het
gesprek loopt tegen het einde zowel wat tijd als stof betreft. De tijd lijkt
nu gekomen om hem een vervelende vraag te stellen, namelijk of hij anti
katholiek is. Om deze vraag in te leiden, vertel ik hem dat niet iedereen
(understatement!) het met de keuze van de Almanak Commissie eens was om de
almanak aan hem op te dragen. Vooral van katholieke zijde was men niet bepaald
geestdriftig over deze keuze. Zo b.v. de studentenpastoor die aan één onzer
redacteuren gevraagd had, of het waar was dat Hermans zijn bezoekers aan de
deur altijd meteen de vraag stelde of zij katholiek waren, om hen dan bij een
bevestigend antwoord resoluut de deur te wijzen. Als ik Hermans dit vertel,
kijkt hij ons enige ogenblikken sprakeloos aan en begint dan ongelovig te
lachen. Dat
is toch absurd, zegt hij. Hoe zou dat dan moeten als ik als lector een
tentamen af moet nemen aan een katholieke student? Dat zou dan niet eens
kunnen. Nee, zo iets is belachelijk! Ik
opper voorzichtig de mogelijkheid dat de betrokken katholieke geestelijke
misschien niet op de hoogte was van het feit, dat Hermans lector aan de
universiteit van Groningen is. We zijn het er in ieder geval over eens dat
iemand, die iets dergelijks niet weet, zich beter van het vellen van een
oordeel omtrent Hermans kan onthouden. Maar
of ik anti katholiek ben? Het
katholicisme heeft voor mij niets aantrekkelijks, zowel wat de kern betreft
als de praktijk. Nee,
een scheiding van hiërarchie en geloof bestaat er niet. Het katholicisme is
sterk hiërarchisch en poogt in principe te knechten; het geloof eist een vorm
van geestelijke horigheid welke voor mij zonder meer verwerpelijk is. Daar
komt nog bij dat de ideeën die men opdringt vaak schadelijk zijn. Tien
jaar geleden schreef ik over geboortebeperking, dat werd toen sterk
veroordeeld, en nu eindelijk durft een of andere dokter voor de radio
voorzichtig te zeggen dat er toch eigenlijk wel iets in die geboortebeperking
zit. De hiërarchische opbouw maakt dat de kerk altijd achter de feiten
aanholt. Zoiets is voor mij niet acceptabel. Ik
geloof zelf niets en vind het dus het beste dat niemand maar iets zou geloven.
Of ik nu nog echt anti katholiek ben weet ik niet, maar tien jaar geleden had
ik vreselijk de pest aan de katholieken. Jasques de Kadt verspreidde toen het
gerucht dat hij na de oorlog dacht minister van buitenlandse zaken te worden
met zijn vriendjes op de andere posten, om dan hier de zaak eens netjes op
poten te zetten. Ik had toen het idee dat de katholieken naar een meerderheid
wilden streven om dan iedereen de mond te kunnen snoeren. Idil
kankerde in die tijd vreselijk op mijn boeken en de uitgevers waren daar erg
bang voor. Ik weet ook wel zeker dat de katholieken er destijds sterk op
hebben aangedrongen om dat proces aan te spannen tegen mij. Dat is nu echter
helemaal anders geworden. Onlangs
hoorde ik van de uitgever, dat Idil mijn boeken tegenwoordig een 3 geeft tegen
vroeger een 1. Ook de pers is helemaal omgezwaaid. De
Linie is veel minder reactionair geworden. In
de Linie van 1948 schreven ze nog dit: .......de anarchie van het tot religie
verheven negativisme dat uit dergelijke scribenten zijn priesters requireert'
.... En
in de Maasbode van 2 januari 1950 durfde Michel van der Plas nog te schrijven:
'Wij behoeven niet meer, zoals onlangs in de I.C.C. te Amsterdam gebeurde, te
delibereren of 'Gods little acre' van Caldwell pornografie is of niet; wij
dienen in ons eigen land rond te kijken. .....Maar ik vraag mij b.v. af of een
boek als De tranen der acacia's van W.F. Hermans niet zo vies is dat men er
zich voor schaamt het toegestuurd te krijgen.' Tegenwoordig
is de kritiek te slap geworden om je er nog over op te winden. (Leest uit zijn
plakboek voor): 4
april 1952. Vrijgesproken..... (Stilte)..... (theatraal): Hermans voor de
poorten van Damascus.....Ha, ha, ha..... Voor Nijmegen ben ik al geweest.....
Verder nog nooit. Trouw
schreef vroeger dat mijn boeken negatief en onzedelijk waren en nu in 1961:
'Er staat in de bundel Moedwil en Misverstand geen verhaal dat ik niet geboeid
of getroffen gelezen heb. Het is een gave bundel, 'n getuigenis van een auteur
die zich niets meer wil laten wijsmaken en die met grote deernis het lijden
van zijn naasten heeft gadegeslagen.' (Een
visie die bepaald niet strookt met de theorie van Hermans, dat het bestaan een
jungle is). Het
Eindhovens Dagblad van 23 september 1961 is ook heel vriendelijk. In de
Gelderlander is Panhuysen altijd al pro geweest, hij heeft mij misschien niet
goed begrepen. G.
Knuvelder in De Tijd-Maasbode: Ik
vestig nog eens de aandacht op Hermans die ik een sympathiek auteur vind van
antipathieke romanpersonages. Sympathiek hierom, omdat hij niet als een
eeuwige puber lawaai schopt om de aandacht op zich te vestigen - zoiets komt
voor, maar zet uiteindelijk geen literaire zoden aan de dijk - maar omdat hij
verbeten op zoek is naar een 'diepere werkelijkheid', en aan dat zoeken
zichzelf onderschikt maakt. Hij gaat daarin zo ver, dat hij bereid is odia op
zich te laden die hij wezenlijk niet verdient. Dat interesseert hem weinig,
evenmin vermoedelijk als de verkoop van zijn boeken.....' Ha, ha, ha (lacht sarcastisch). Maar
ondertussen heeft Knuvelder zich met hand en tand verzet toen men mij de 'P.C.
Hooft'-prijs wilde geven. Raadsel..... of niet? Nee,
mijn boeken zijn niet pornografisch. Over pornografie heb ik zelf niets
gelezen. Ik beschouw mij zelf als een expert. De definitie: Pornografie is
lectuur die alleen maar tot seksuele opwinding leidt, is sterk aanvechtbaar.
Welke lectuur dat nu eigenlijk doet kan geen enkele commissie bepalen, het
verschilt van persoon tot persoon en voor iedere gemoedstoestand. Wie bewijst
overigens dat seksuele prikkels ongezond zijn? Nee, 'Bob en Daphne'-boeken heb
ik niet gelezen. Maar onafhankelijk van dat feit vind ik het belachelijk dat
ze in beslag genomen zijn. (nog
enkele feiten, die later misschien van literair-historische waarde kunnen
zijn, als blijkt dat Hermans zelf, net als de kritiek, volte-farce zou maken),
Mijn
favoriete werk?
Paranoia,
De God
Denkbaar, Denkbaar de
God, De blinde fotograaf en
De psychologische
test. Van romans kan je het zo moeilijk zeggen,
hier is de voorliefde meer fragmentarisch. Mijn
plannen: Een toneelstuk: 'De geheime zender'. Het
is geïnspireerd op een rage van enkele jaren geleden hier in het Noorden,
toen iedereen een zender ging bouwen; in mijn stuk komt de hoofdpersoon er toe
door zijn milieu. Het einde zal waarschijnlijk een uitzending zijn waarbij de
stroom is uitgevallen. Verder
ben ik bezig met een roman: 'Het grote medelijden', waarvan een fragment in
Randstad 2 staat.
Nadat
Hermans ons nog enige zelfgemaakte foto's heeft getoond, wordt het hoog tijd
voor ons om op te stappen. In de trein naar het carnavalvierende Zuiden,
tussen de merkwaardig nuchtere noorderlingen met hun voor de zuiderlingen zo
vreemd afgebeten korte zinnen, denken wij nog even over Hermans na. Van 'angry
young man' is hij veranderd in een enigszins bedaarde schrijver, die zijn
wilde haren begint te verliezen, zonder deze nochtans te willen verloochenen.
Hij is door de kritiek niet doodgezwegen, maar wat veel erger voor hem is: men
heeft hem gelijk gegeven, zoals men dat ook bij een gevaarlijke geestelijk
gestoorde doet, om hem te kalmeren. Men heeft zijn boeken onschadelijk
gemaakt, niet door er tegen te ageren zo als 10 jaar geleden nog, maar door ze
in te spinnen in nietszeggende esthetische termen en door het gebruik van al
even weinig zeggende superlatieven. Het is de vraag of deze man, nog even
principieel in de contramine als voorheen, dit met de instelling van de
querulant die hij bezit, kan verenigen. Zijn Mandarijnen op zwavelzuur, die
hij enige jaren geleden nog zo stellig toezegde te publiceren, zullen in dat
laatste geval in een donkere kamer verdwijnen, om daaruit over een aantal
decennia door een nijver literair-historicus te worden opgediept. Het
zwavelzuur zal dan verdampt zijn en de mandarijnen uitgedroogd. Dat zou jammer
zijn.......
G.
Luyendijk en A.G.J. Baeten.
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
|
|
Bezoek deze pagina's in uw eigen volgorde Plaats "WILLEM FREDERIK HERMANS" bij uw favorieten Ach, waar bemoei ik mij eigenlijk mee?
KENNISMAKEN MET WFH --- SPELLETJES MET WFH LUISTEREN NAAR WFH --- BIJSCHRIJVEN OVER WFH --- ADVERTEREN MET WFH NAAR DE FILM MET WFH --- AUTOBIOGRAFIE VAN WFH MULTATULI EN WFH --- SCHRIJFMACHINES VAN WFH TIJDSCHRIFTEN OVER WFH --- PLAATJES KIJKEN MET WFH WEINREB, EEN KWESTIE VAN WFH --- BOEKJES LEZEN MET WFH RIJMEN MET WFH --- WITTGENSTEIN EN WFH --- NAAR ZWEDEN MET WFH? AANDENKEN AAN WFH --- OP TONEEL MET WFH --- INTERVIEWS MET WFH POST VOOR WFH --- TE GAST BIJ WFH
Bij het samenstellen van deze site heb ik gepoogd bestaande rechten op tekst en afbeelding te eerbiedigen. Mocht er toch nog bezwaar zijn tegen het gebruik van materiaal, laat u dat dan onverwijld weten?
De links naar de verschillende pagina's werden voor het laatst bijgewerkt op: zaterdag 23 december 2006 |