|
INTERVIEW MET WFH
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
Henk J. Meier
Interview met een mandarijnenjager (Ratio
1, 1964, 5/6 jun/jul)
We
zitten in een ruime, met boeken, paperassen en mappen volgebouwde werkkamer in
Groningen: Spilsluizen
17a, de woning van W.F. Hermans. Aan de muur een
levensgrote plaat van een infanterist uit de vorige eeuw. Een spiegelbeeld van
de auteur?
Bent u in uw studententijd gaan schrijven? Nee,
in 1938 als schooljongetje...met een verhaal had ik de opstellenwedstrijd van
de gymnasiale schoolclub gewonnen. Ik heb het toen naar allerlei literaire
bladen gestuurd, die het allemaal terugstuurden en tenslotte heeft het Algemeen
Handelsblad het geplaatst, in het 'Bijvoegsel' van 6 april 1940. Daar
kreeg ik zestien gulden voor. Voor de opstellenwedstrijd had ik de Kunstgeschiedenis
van Nederland als prijs gekregen... toen ik de volgende morgen op school
kwam, kwamen alle leraren kijken. Ik zeer trots. Sommigen maakten neerbuigende
opmerkingen, anderen niet...
Heeft het literatuuronderwijs enige invloed gehad? Nou
praktisch niet. Eerder een soort anti-invloed. Ik heb namelijk bèta gedaan.
Vooral omdat ik literatuur zo vreselijk vond. Talen vond ik heel erg op het
gym. Héél erg, ik vond het iets verschrikkelijks. Homerus leren, ik vond het
iets ontzettend taais. Dat kwam misschien ook wel omdat ik een taaie leraar
had.
Denkt u dat het tegenwoordig beter gaat? Voor
Nederlands zou ik het niet weten. Ik beklaag vaak mensen die Nederlands
studeren, een literatuur bestuderen waarin eigenlijk alle studie beperkt moet
blijven tot filologie; werkelijke literatuur hebben wij niet. Ik bedoel: als
een Fransman of een Engelsman oude literatuur bestudeert, dan vindt hij heel
veel teksten waarin de ideeën ook nu nog interessant zijn, ook al zijn ze
twee tot driehonderd jaar oud. Die heb je bij ons niet. Zelfs de teksten van
zo'n twintig, veertig jaar oud zijn bij ons al hopeloos verouderd. Mensen die,
eh, wel verschrikkelijk internationaal willen doen, maar dan lees je
bijvoorbeeld pagina's lange brieven waarin gepraat wordt over 'of E.A. Poe een
tienmaal betere schrijver was dan Ortega y Gasset'. Ik bedoel, dat zijn van
die nonsensproblemen en daar werd eindeloos over geouwehoerd.
Nuttig te vragen
waarom u dan tóch doorgaat met de ontluistering van Ter Braak en Du Perron? Ik
ga daar niet tóch mee door. Ik heb dat een tijd gedaan en ben ook van plan om
ermee op te houden. Het is niet iets om een levenstaak van te maken. Maar ik
heb het wel eens een keer willen zeggen. Vooral ook omdat er persoonlijke
redenen zijn. De voornaamste persoonlijke reden was wel dat ik - in de tijd
dat ik begon te schrijven - door allerlei critici werd doodgeslagen. Als ik
een polemiek schreef, dan was dat onbehoorlijk. Néé, dan moest je eens
kijken: Ter Braak en Du Perron, díe deden het zo netjes. Ik moest me losmaken
van de vooroordelen die op niets gebaseerd zijn, waar je onder platgedrukt
wordt.
Maar nu zit in de komende roman toch weer een sleutel naar Ter Braak
via de figuur van Otto Verbeek...? Je
kunt het eigenlijk nauwelijks 'komende roman' noemen, want het is een boek
waarin allerlei oudere stukken staan, die gedeeltelijk in de tijd spelen
waarin ik mij daar wel mee bezig hield. Het grote medelijden is
helemaal niet bedoeld om een sleutelroman te zijn, om tegen Ter Braak te
ageren. Maar ik heb Otto Verbeek in dat verhaal bedoeld als het voorbeeld van
iemand die in Nederland voor een groot denker doorgaat en inderdaad lijkt hij
een beetje op Ter Braak. Maar ik moest uitgaan van iets dat bestond. Ik moest
van een bestaand historisch voorbeeld uitgaan.
Het is dus getekend naar het voorbeeld van Ter Braak, maar het is geen
beschrijving van Ter Braak. Wanneer begon u serieus te schríjven (met de
nadruk op schrijven)? In
'44 of nee '43 heb ik al novellen geschreven. Ik heb tot april 1943
gestudeerd; toen gingen de universiteiten dicht, vanwege de Duitsers. Ik kreeg
dus veel vrije tijd. In de zomer van '43 heb ik Conserve
geschreven, dat is eigenlijk mijn eerste roman geweest. In die tijd schreef ik
ongeveer eens in het half jaar een verhaal, maar toen ik met mijn studie
ophield, ging ik veel meer schrijven. Die novellen heb ik aan Meulenhoff
aangeboden, die had ze ook aangenomen, maar kon ze niet publiceren vanwege de
bezetting. Na de oorlog zijn ze gepubliceerd in Moedwil en misverstand;
de verhalen daarin zijn dus deels ouder dan Conserve. De laatste
twee jaar van de oorlog heb ik dus veel geschreven, maar in het najaar van
1945 liet ik me weer inschrijven als student. Toen begon al die kopij die ik
opgespaard had te verschijnen in Criterium, ik werd gevraagd om in
weekbladen te schrijven en ik was in de ATVA gaan wonen. Ik heb toen nog wel
een beetje gestudeerd, tentamen gedaan, maar ik schreef erg veel, ging reizen
maken, deed allerlei andere dingen en schreef en toen heb ik eigenlijk aan die
studie tot eind '49 niets meer gedaan. Toen heb ik een reis naar Canada
gemaakt als controleur van een houtfirma. Dan had je soms drie à vier weken
niets te doen, als er geen schip aankwam.
Wat studeerde u? Fysische
geografie. Toen ik ongeveer dertien jaar was, kreeg ik een enorme
belangstelling voor stenen, die wilde ik verzamelen. In de jaren '49-'50 heb
ik van alles en nog wat gepubliceerd en daar kon ik dus een beetje van leven.
Ik haalde er zo'n honderd of tweehonderd gulden per maand mee op. De
tranen der acacia's begon in 1946 te verschijnen. Het is nauwelijks
meer voor te stellen wat een kabaal erover geweest is. Iedereen zei: dat is
pornografie. Ik had dus de grootste moeite om een uitgever te vinden en werd
daar op het laatst zo down van, bovendien had ik een zeer slecht geweten dat
ik die studie niet afgemaakt had, dat ik in 1950 toen die studie heb
afgemaakt, voornamelijk vanuit het slechte geweten. Want zodra ik het
doctoraal gedaan had, ben ik eigenlijk niets meer gaan doen; ik heb het niet
geëxploiteerd, ben doorgegaan met schrijven en toen kwam die geschiedenis met
Ik heb altijd gelijk. Het proces was nog niet het ergste, want
ik werd tenslotte vrijgesproken, maar wat erger was, dat ik het gevoel kreeg -
en dat kun je goed begrijpen als je de krantenknipsels leest - dat toch heel
Nederland, ook de zogenaamde progressieven, mij ongelijk gaven. Het was een
slecht boek, zeiden ze, Hermans had de reclame van het proces niet verdiend,
het was een rotboek enzovoort. Toen heb ik wel ontzettend de pest ingekregen.
Bovendien ging het mij financieel ook niet goed en toen heb ik gedacht: ik
houd er mee op en ik ga helemaal verder met mijn studie. Ik heb een baan
gekregen als assistent en ben gaan promoveren.
Dat was dus een financieel alter-ego...? Een
alter-ego niet. Ik bedoel: au fond was ik wel van mening dat een schrijver
eigenlijk alleen moet schrijven. Maar ik heb toen begrepen dat als je in
Nederland wilt schrijven wat je werkelijk denkt, dan pleeg je zelfmoord. Dat
kan niet, hè! Er
zijn in Nederland mensen die van schrijven leven, maar het hangt er van af wat
voor schrijver je bent. Als je op een agressieve manier schrijft, kun je op
die manier niet blijven doorschrijven. Je moet allerlei dingen doen, kranten
aflopen, zaniken mag ik alstublieft voor drie tientjes een stukkie in de krant
schrijven. Dan worden er achter je rug om nog stukken uit geschrapt; enfin,
een enorme hoop ellende. Sommige mensen kunnen dat verdragen, maar ik niet en
ik betreur geen ogenblik dat ik niet van schrijven hoef te leven, want ik zou
niet weten waar ik aan toe was. Ik bedoel: ik zou een heel ander schrijver
moeten zijn; dan kon ik niet schrijven zoals ik nú schrijf.
Hoe schrijft u nu? Er
is geen vaste methode voor. Ik vind als je een boek of een roman schrijft, dat
je niet zoals sommige schrijvers op inspiratie moet gaan wachten, dan komt er
nooit wat van terecht. Als je een boek maakt, moet je er iedere dag twee of
drie pagina's aan schrijven, zin of geen zin. Als het niet goed uitvalt,
verscheur het dan desnoods maar
schrijf ze. Schrijf liever drie slechte pagina's, die je later verscheurt, dan
niks. Als je niets schrijft, is het eind ervan zoek. Ik heb tijdens de drie
jaar dat ik met het proces Van Oorschot bezig ben geweest, te veel afleiding
gehad. Ik heb wel zes dingen tegelijk op stapel staan, wat ik zelf principieel
fout vind, maar het is nu eenmaal zo gebeurd en ik hoop het komend jaar de
rust te hebben om de dingen allemaal systematisch af te werken. Dat
heb ik vroeger altijd gedaan, een ding tegelijk schrijven, maar dat is de
laatste twee jaar gesleten. Het is een kwestie van afmaken. Ik zie nu bij
mezelf dat ik een hoop dingen heb liggen die niet helemaal af zijn, niet
helemaal goed zijn. Dan moet ik op een bepaald ogenblik orde op zaken gaan
stellen, anders kom ik er niet uit.
Waarom schrijft u agressief? Je
hebt schrijvers als Du Perron en Ter Braak, die schreven voor vrienden.
Ten eerste heb ik geen vrienden, ten tweede heb je vrienden niets te
vertellen; vrienden begrijpen elkaar met een half woord. Dat merk je ook
duidelijk uit de correspondentie van Ter Braak, daar staan een heleboel
woorden in maar die betekenen allemaal niets. Wat mij dus voor ogen zweeft, is
iets te schrijven dat op zichzelf staat, dat theoretisch gesproken door de
grootste imbeciel of zelfs iemand die je vijandig is niet misverstaan kan
worden. Dat is volgens mij wat een schrijver moet nastreven. Aan
de ene kant zien we dat Du Perron en Ter Braak bv. Van Schendel opblazen,
stellen op internationaal niveau; aan de andere kant hebben ze altijd
geweldige bezwaren gehad tegen Theun de Vries. Maar waar berust dat nu
eigenlijk op? Van Schendel was wel een beste, brave man. Ik houd ook niet van
de boeken van Theun de Vries. Maar is Van Schendel nu zo geweldig veel beter?
Nee, helemaal niet.
En de critici? De
critici nemen in het algemeen wráák. Ik bedoel, ik heb mappen vol met
knipsels: negen van de tien boekbesprekingen zijn wraaknemingen, de tiende
recensent heeft misschien gedacht: ik moet niet de indruk wekken...En is
misschien wel oprecht van plan geweest geen wraak te nemen, maar is toch wel
zo geladen dat hij niet goed begrepen heeft wat er in het boek staat. Als ik
eens een heel duidelijk voorbeeld mag geven. U heeft de naam Fens wel eens
gehoord? Kees
Fens, heeft een zeer lovend artikel geschreven in Merlyn over mijn boek Het behouden huis. Hij heeft
Mandarijnen op zwavelzuur
in de Maasbode bekritiseerd. Ik bedoel je kan je niet voorstellen dat
iemand als Fens, die dus blijkens zijn artikel over Het behouden huis
een geweldige bewondering voor mij heeft, op die manier over een ander boek
van mij schrijft, zelfs al zou dat boek een beetje minder goed zijn, hè. Maar
dat niet alleen, bovendien denkt Fens dat alles wat die hondsdolle dwerg van Bok
(Belg.gestenc.lit.tijdschr.,red. Ratio) beweert, waar is. Daar maakt Fens
zichzelf belachelijk mee. Zo blijkt dat Fens niets van literatuurgeschiedenis
afweet. En ten tweede en dat is typerend: tien jaar geleden zouden ze in de Tijd-Maasbode
gezegd hebben dat het boek anti-papistisch was. Maar over alles wat er
over katholicisme in staat nú, bij Fens geen wóórd. Dus je krijgt de
indruk: Fens schrijft in de Maasbode wel tégen Hermans, maar het
aspect van het anti-papisme wordt weggelaten. Dat was vroeger niet zo.
Is dat niet dodelijk voor u? Ik
geloof niet dat het dodelijk is, want het is wel grappig dat ik het kan
opmerken en in een interview als dit nog even aan de kaak kan stellen. Zo'n
man als Fens heeft dus twee schrijfmachines: een roomse schrijfmachine en een Merlyn-schrijfmachine.
Dit is een heel oude en veel gebruikte journalistieke bestrijdingswijze; een
vorm van doodzwijgen. Dat is alle mogelijke schrijvers overkomen, sinds de
drukpers bestaat. En bovendien is het de geijkte tactiek eigenlijk altijd van
alle theologen geweest; het is typisch theologische tactiek. Nu
eens een ander gebied waarmee ik me heb beziggehouden. Laat ik zeggen zo'n vak
als de geologie. Die vakken zijn in de 17e en 18e eeuw op streek gekomen.
Eigenlijk vrij recente vakken. Geologie eigenlijk pas aan het eind van de 18e
eeuw. De vondsten van de geologie waren helemaal in strijd met het Mozasche
scheppingsverhaal; het oude testament etc... Dus de eerste stap is geweest: de
theologen begonnen onderzoekers die dat beweerden te vervolgen, proberen ze te
stoppen of ze van de universiteiten te smijten. Toen dat niet meer hielp,
kreeg je mensen die de kool en de geit wilden sparen, die dus nonsensikale
verhalen gingen ophangen om onverenigbare dingen met elkaar te verenigen. En
nu is de toestand dat mensen die aan de ene kant orthodox gelovig zijn, aan de
andere kant, als ze in een wetenschappelijke strijdvraag zitten, zonder enig
bezwaar gewoon wetenschappelijke argumenten gebruiken die op hun eigen geloof
toegepast dat gewoon de bodem zouden inslaan en dat doet het christendom
speciaal. Ik bedoel iemand als Nietzsche, een man die dus vermeend atheïst
was, wordt nu door alle mogelijke dominees gelezen en gepreekt. Maar zelfs
Freud, Freud is volkomen onverenigbaar met welke vorm van godsdienst ook. Maar
wat zie je: je hebt vrome rooms-katholieke hoogleraren in de psychiatrie, die
zonder enig bezwaar over Freud staan te oreren. Als je een boek over Freud
schrijft krijg je geen enkele moeilijkheid meer. Jung was meer een
compromisfiguur, dat ging nog, maar nu hè, zo gaat het met alles. We worden
allemaal ingekapseld met drogredenen, dat er aan de ene kant wetenschappelijk
denken zou bestaan en aan de andere kant theologisch denken. Dat er twee
verschillende soorten denken zouden zijn. Dit zijn natuurlijk trucjes. Zo
kinderachtig, te kinderachtig om over te praten, maar het gaat er toch
allemaal in als Gods woord in een ouderling. Over 100 jaar worden mijn romans
ook van de kansel voorgelezen, daar ben ik van overtuigd. Daar is niets aan te
doen.
En Mandarijnen? Ik
geloof dat in wezen een boek als Mandarijnen op zwavelzuur een
taalkritiek is. Het houdt zich bezig met het verval van termen, een verval van
taal. Het gewone taalgebruik dat je krijgt wanneer men in bv. van elkaar
overgenomen termen gaat praten. Of termen gaat gebruiken omdat ze in de mode
zijn, of om bij een bepaald publiek in het gevlij te komen, of om carrière te
maken. Terwijl iemand die geen Mandarijn is, zich bij alles wat hij zegt of
gaat zeggen probeert af te vragen: wat zeg ik nu, wat gaat het betekenen. Een
Mandarijn is een man die een geweldige hoeveelheid vermolmde woorden,
vermolmde begrippen afscheidt en daarbij op een of andere secundaire manier
carrière maakt, daarmee een aanzien gaat verwerven, vaak misschien ook wel
een hoop geld mee gaat verdienen. Dan
krijg je een type van bepaalde journalisten, bepaalde heilige koeien, die gaan
rondlopen, die - laat ik zeggen - Nietzsche hebben gelezen, dat dan even gaan
navertellen.
Lopen er veel heilige koeien in Nederland rond? Ontzettend
veel. Ik geloof dat juist omdat onze eigen koeien niet heilig zijn, omdat we
die opeten in tegenstelling tot de Indiërs, daarom juist is alles wat geen
koe is in Nederland heilig. Je moet wel een koe zijn in Nederland om niet
heilig te zijn!.
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
|
|
Bezoek deze pagina's in uw eigen volgorde Plaats "WILLEM FREDERIK HERMANS" bij uw favorieten Ach, waar bemoei ik mij eigenlijk mee?
KENNISMAKEN MET WFH --- SPELLETJES MET WFH LUISTEREN NAAR WFH --- BIJSCHRIJVEN OVER WFH --- ADVERTEREN MET WFH NAAR DE FILM MET WFH --- AUTOBIOGRAFIE VAN WFH MULTATULI EN WFH --- SCHRIJFMACHINES VAN WFH TIJDSCHRIFTEN OVER WFH --- PLAATJES KIJKEN MET WFH WEINREB, EEN KWESTIE VAN WFH --- BOEKJES LEZEN MET WFH RIJMEN MET WFH --- WITTGENSTEIN EN WFH --- NAAR ZWEDEN MET WFH? AANDENKEN AAN WFH --- OP TONEEL MET WFH --- INTERVIEWS MET WFH POST VOOR WFH --- TE GAST BIJ WFH
Bij het samenstellen van deze site heb ik gepoogd bestaande rechten op tekst en afbeelding te eerbiedigen. Mocht er toch nog bezwaar zijn tegen het gebruik van materiaal, laat u dat dan onverwijld weten?
De links naar de verschillende pagina's werden voor het laatst bijgewerkt op: zaterdag 06 januari 2007 |