|
INTERVIEW MET WFH
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
'Scheppen riep hij gaat van Au', 1964
Het
was kil en mistig weer. De taxi was juist voorgereden om W.F. Hermans, vier
billentikkende bestuursleden van de studentenvereniging U.S.A. en mijn persoon
te vervoeren naar de sociëteit op de Weterinschans. Hermans, genood om plaats
te nemen, kwam van achter de auto aanlopen, opende zonder aarzelen het voorste
portier en ging naast de chauffeur zitten. Gedurende de rit werd een volstrekt
stilzwijgen bewaard. Zojuist
had Hermans een encycliek uitgegeven over de neergang van de Nederlandse
literatuur. In het duister spookten een paar zinnen. 'Literatuur is de neerslag
of het verslag van een geestelijk avontuur, in een taal die eigen, levend of
origineel is.' Met sobere gebaren liet hij de Nederlandse letterkunde bijna
integraal door deze mand vallen. 'Steeds jonger vluchten onze schrijvers in de
journalistiek of de amusementsproductie; gevolg van gebrek aan zelfrespect samen
met de geringe weerklank die ze ondervinden. De burger staat vijandig tegenover
de schrijver. Maar in sommige landen stelt de burger er eer in om zijn
vijandschap tegenover de schrijver... te verbergen.' Dit
pessimisme liep als een zwarte draad door zijn woorden. Tenslotte had hij nog
een kanseluitspraak gegeven over Ik heb altijd gelijk. 'De hoofdpersoon is een
waarheidzegger, een extreme waarheidzegger, d.w.z. een mensenhater. Schrijven?
Schrijven is het scheppen van een wanbegrip.' Hij
sprak met grote nadrukkelijkheid; elk woord gaf hij een zet achterna. In de
gelijkbenige holte van zijn mond flitste nu en dan een een gespannen tong van
links naar rechts, of ook van rechts naar links: een monster, ontsnapt aan een
portret van Arcimboldi. Het lange gezicht scherp als een scheermes, met een
overwegende linkerhelft, die zich zelfs voor een aanzienlijk deel had meester
gemaakt van de rechter-, als werd hij onweerstaanbaar aangetrokken door een
krachtpunt dat zich achter de rechter oorlel moest bevinden. De haarscheiding
scheen de lijn aan te duiden tot waar de linker hersenhelft al was opgerukt. Het
geheel: een totempaal van het Paaseiland, intrigerend maar ook afstotend van
ondoorgrondelijkheid. Het
betoog werd aangevuld met hermetische manualen, waarschuwend priemende
wijsvingers, dan weer leek hij de schimmen van beestenkoppen te projecteren op
de linnen voorhang tegenover hem, aan de ingang van de aula. Beweeglijk strooide
hij pictogrammen uit over geheime onderwerpen, verstaanbaar slechts voor de
enkele rozenkruisers en vrijmetselaars. Achter
het witte voorhoofd vermoedde men een kokend magma van woorden, die om voorrang
streden en die hem soms naar adem deden happen zoals een omgekeerde volle fles
met nauwe hals naar lucht hapt. Er is een gigantische monitor werkzaam, wat
uitgestoten wordt is gestold, verrassend koel en gepolijst. Zijn
spreken is eerder terugdringen dan uiten. Om onnaspeurlijke redenen, midden in
een betoog over de ondergang van de Nederlandse tijdschriften een vreemd voldaan
lachje; even later krijgt de überlegen leraar de overhand met zelfverzekerde
sluitwerpsels als hm! en hè! --
U hebt enige tijd geleden een lans gebroken voor het schrijven van een klassieke
roman in het Nederlands. U schrijft: 'Ik versta daaronder een roman waarin het
thema volledig is verwerkt in een verhaal, waarin een idee wordt uitgedrukt
doormiddel van handelingen, waarin de optredende personages desnoods eerder
personificaties zijn dan psychologische portretten.' Hebt u bij het opstellen
van deze omschrijving aan
De donkere kamer van Damocles gedacht? H.
Het is inderdaad bij het schrijven van dit boek mijn bedoeling geweest deze
roman aan die definitie te doen beantwoorden. Overigens zou ik niet bepaald
willen blijven hangen aan die term 'klassiek'. Ik
heb indertijd dat woord gebruikt, ja, eigenlijk aan de ene kant uit een soort piëteit,
omdat het klassieke drama mij in mijn jeugd de sterkste opwekking heeft gegeven
om ook te gaan schrijven, en anderzijds ook wel omdat ik geloof dat dit soort
roman bepaalde dingen met het klassieke drama gemeen heeft. Het centrale idee in
het boek is dat van het misverstand. Het is ook een kwestie van zichzelf
verkeerd beoordelen, dat kun je geen misverstand noemen. Het is mogelijk dat de
mens innerlijk verandert, dat de man die vandaag leeft niet meer kan
onderschrijven wat hij gisteren heeft gedaan. Mensen uit één stuk bestaan in
mijn romans niet. --
Is dat niet een gebrek aan continuïteit? H.
Hoe bedoelt u, gebrek aan continuïteit? --
De mensen in uw boeken kunnen op elk moment van levensloop veranderen; ze kunnen
alle kanten op. H.
Die verandering, dat is juist het vreemde, die is niet discontinu, maar juist
continu, maar omdat we geen houvast hebben aan iets dat continu verandert,
stellen we ons dus onophoudelijk de vraag, wat is authentiek in wat we doen en
wat we denken. Je zou kunnen zeggen, de roman gaat over de authenticiteit van
anderen. Het
gaat om vragen als: wat ben ik, wat wil ik zijn, wat ben ik geweest, de vraag,
wat heb ik gedaan, wat moet ik doen, wat zal ik doen, hoe zal beoordeeld worden
wat ik doe? Immers: mensen worden in het oog van anderen gedefinieerd door hun
daden en eventueel door wat ze zeggen. Ook door de vergelijking tussen wat ze
zeggen en wat ze doen. Maar het betekent helemaal niet dat ze zelf voelen te
horen bij het beeld dat ze oproepen, dat in anderen ontstaat. Ze vragen zich dus
af, wat ben ik zelf? En wat iemand zelf is, waardoor ontstaat dat? Ontstaat dat
authentiek, doordat uit zijn binnenste opwelt, of ontstaat dat onder invloed
bijvoorbeeld van de omgeving? --
Is voor Osewoudt Dorbeck zo'n stuk omgeving dat hem bepaalt? H.
Dat is Dorbeck gedeeltelijk, maar eigenlijk is hij in hoofdzaak het spiegelbeeld
van Osewoudt. Van al de dingen die wij doen of denken, kunnen wij ons afvragen:
is het goed, is het kwaad? Ben ik een aanvaller, ben ik een slachtoffer? Dorbeck
kan worden opgevat als de agressieve, grote kant van de passieve Osewoudt. --
Hun lot is onverbrekelijk verbonden: als Dorbeck uit het boek verdwijnt, is
Osewoudt ten ondergang gedoemd. Deze congruentie heeft voor mij symbolische
betekenis. H.
U bent de enige niet. Ik heb het nuttig gevonden in het boek een paar personen
te laten optreden voor wie deze gehele geschiedenis - deze Osewoudt die zich
steeds op zijn dubbelganger Dorbeck beroept - ook een symbolische betekenis
heeft. De voornaamste van deze figuren is de dokter. Hij gaat van de mening uit
dat Dorbeck niet bestaat, maar dat Osewoudt zelf het bestaan van Dorbeck heeft
gefantaseerd. Dat Dorbeck niets anders is dan wat in de psychoanalyse wordt
genoemd Osewoudt's superego. Ik zelf deel niet het psychologisch standpunt van
die dokter, ik geef het alleen weer. --
Kunt u nog meer voorbeelden noemen van dat 'met maar één lens kunnen kijken',
zoals Osewoudt zelf maar één objectief op zijn Leica heeft - als dat objectief
kapot is stort zijn wereld in elkaar. H.
Ja zeker, voor praktisch alle mensen die met Osewoudt te maken hebben is het van
belang; in het oog van de politie is hij niets anders dan een verrader, een
oplichter, een leugenaar. Heel belangrijk is ook pater Beer, voor hem is deze
hele geschiedenis duidelijk, Osewoudt schreeuwt om Dorbeck en in pater Beer's
taal vertaald betekent dit dat Osewoudt smeekt om God. --
Is dat wel helemaal zo, de pater heeft toch ook wel gevoel voor Osewoudt's
gezichtspunt, want hij bidt toch om het terugvinden van de Leica, wat dan
tenslotte nog gebeurt ook. H.
Jazeker. Kijk, voor pater Beer is Osewoudt iemand die om God smeekt, en hij
werpt zich ook onmiddellijk op als bemiddelaar, tussen de smekende Osewoudt en
God. De pater wil dus dat de Leica gevonden wordt. Ik zelf alweer kan niet
zeggen, dit is een theologische roman. Ik vel verder helemaal geen oordeel over
die pater, ik constateer alleen dat deze pater om het vinden van die Leica bidt.
Hij doet dat op een ogenblik dat die Leica allang gevonden en in het bezit van
de politie is. Daarbij, die Leica, waarvan Osewoudt steeds gedacht heeft dat hij
hem zou kunnen ontlasten, doordat daar een foto van Dorbeck inzat, die blijkt op
het ogenblik dat die geopend wordt helemaal geen foto te bevatten. Daarmee is
als het ware aangegeven dat ik niet het standpunt van de pater deel. Dat
ik Dorbeck niet opvat als Osewoudt's God. De
visie van oom Bart, zou je kunnen noemen de ouderwetse naturalistische
deterministische visie. Oom Bart kent deze familie van haver tot gort; heeft
Osewoudt's vader gekend, is een broer van Osewoudt's moeder, en voor oom Bart is
Osewoudt maar één ding: een degeneré. En het merkwaardigste is, dat alles wat
Osewoudt doet om maar geen degeneré te zijn, in oom Bart's ogen juist bevestigt
dat hij een degeneré is geweest. Maar nu is het gekke, dat ik oom Bart, net als
eigenlijk alle andere figuren, feitelijk niet helemaal ongelijk geef door mijn
beschrijving van bepaalde feiten. Oom Bart weet het wel niet als hij Osewoudt
uitscheldt, maar het is een feit dat Osewoudt de dochter van oom Bart vermoord
heeft. --
Het centrale thema vindt dus zijn vorm in de waaier van halve waarheden over
Osewoudt? H.
Dat is juist de kern van het boek. Het enige wat ik misschien nog in mensen
waardeer, is dat ze er over nadenken hoe en waarom ze geworden zijn wat ze zijn.
Maar al deze mensen die in het boek voorkomen, de één op een egoïstische
manier, de ander op een minder egoïstische manier, hebben allemaal een visie op
Osewoudt die met hun persoonlijke belangen strookt. De engelse
inlichtingenofficier bijvoorbeeld interesseert zich feitelijk nauwelijks voor
Osewoudt en hij kan geen andere visie hebben dan die welke strookt met de
belangen van zijn dienst. Of Dorbeck bestaat interesseert hem niet, want, zegt
hij, ja, kijk, Osewoudt, als Dorbeck bestaat of bestaan heeft, en als hij zoals
jij beweert een engelse agent was, dan is hij gebonden aan de engelse wetgeving
die inhoudt dat hij geen verklaring hoeft af te leggen. Dus een engelse
officier, die misschien geweten had waar Dorbeck was, die wil dat ambtshalve
niet vertellen. Zo wordt Osewoudt telkens de mogelijkheid ontnomen zijn eigen
visie tegenover anderen waar te maken. Het wordt hem ontnomen hetzij te kwader
trouw wegens ambtelijke belangen, hetzij doordat mensen hem antipathiek vinden
(ik heb aangegeven dat zijn uiterlijk bepaald niet tot sympathie noodt) en ook
wel uit domheid of uit hoofde van hun eigen wereld- of levensbeschouwing, maar
ook, en daar wil ik wel nadruk op leggen, omdat ik geloof dat het au fond niet
mogelijk is om anderen werkelijk te begrijpen. --
Bent u ook naar uw mening geslaagd in het belichamen van deze visie in De
donkere kamer van Damocles? H.
Dat is een heel moeilijke vraag. U moet bedenken, er is van een bepaald boek
altijd een man die er meer vanaf weet dan alle anderen, en dat is de man die het
zelf geschreven heeft. Ik weet nl. welke mogelijkheden ik onbenut heb gelaten.
Ik heb er wel eens over nagedacht, wat zou er gebeurd zijn als ik Dorbeck toch
nog had laten opduiken? Zou er dan een dramatische verandering in het lot van
Osewoudt gekomen zijn? Wat zou er dan zijn gebeurd? Het is tenslotte steeds
Osewoudt die beweert dat de verantwoordelijkheid voor alles wat hij gedaan heeft
bij Dorbeck ligt, en zoals het in het boek wordt beschreven is Dorbeck steeds de
opdrachtgever. Maar de daden waarvoor Osewoudt tenslotte à faire genomen wordt,
dat zijn allemaal dingen die hij eigenlijk zelf op zijn eentje heeft gedaan. Hij
heeft de globale opdrachten gekregen maar hij heeft ze gedétailleerd zelf
moeten uitvoeren en daarbij heeft hij fouten gemaakt, menselijke fouten, fouten
van onbekwaamheid. Hij heeft een film moeten ontwikkelen, het is de vraag of er
wat op die film stond maar het is een feit dat hij die film verprutst heeft. Nu
worden al dergelijke, dus vergeeflijk maar funeste fouten in zijn nadeel
uitgelegd door de justitie, maar zelfs al was dat niet zo, dan nog blijft de
vraag in hoeverre is die Dorbeck werkelijk verantwoordelijk voor de daden van
Osewoudt. Maar zoals gezegd, ik ben toch wel blij dat ik Dorbeck niet meer te
voorschijn heb laten komen want het zou ons maar op zijpaden hebben gevoerd. --
Uit uw opmerkingen nu komt Osewoudt toch niet zo passief te voorschijn als u hem
daarstraks schetste. H.
Ja, in hoeverre is iemand een bewogene en in hoeverre is hij een beweger? Dat is
helemaal geen theoretische vraag, hij is ook aan de orde gekomen in het proces
Eichmann. Maar ja, de zaak is deze, je kunt iedere romen uitspinnen tot het
uiterste. Ik ben al eens in een grappige bui van plan geweest om bijvoorbeeld
een vervolg op deze romen te schrijven dat zou heten 'De pseudo Dorbeck'. Dat
boek zou spelen na de dood van Osewoudt en daarin zou een vent opduiken die op
Osewoudt lijkt en die zich voor Dorbeck uitgeeft, en die tenslotte ontmaskerd
wordt. En zo zou je kunnen doorgaan. Maar daar ging het mij niet om; het gaat er
mij om, dat Osewoudt mislukt, niet alleen omdat zijn hele omgeving hem schuldig
acht, maar eigenlijk ook omdat hij zichzelf schuldig achtte. Hij acht zichzelf
toch niet de gelijke van Dorbeck, toch niet de echte held door allerlei dingen.
Hij heeft zijn eigen uiterlijk, dat maakt niet alleen op zijn omgeving een minne
indruk, maar ook op hemzelf. Hij drukt alleen tegenover zijn vriendin zijn
twijfel uit of wat hij doet eigenlijk zijn eigen daden zijn. --
Vindt u de sfeer van de illegaliteit essentieel voor de roman? Verschillende
critici spreken van een verzetsroman. H.
Het is tot op zekere hoogte alleen maar een decor. Maar wel een functioneel
decor, ik geloof niet dat ik het anders had kunnen doen. Levendige actie wordt
gauw onwaarschijnlijk in een Nederlandse roman die in normale tijden speelt. De
Nederlandse romans zijn daardoor arm aan handeling. Het belangrijkste avontuur
dat een Nederlander schijnt te kunnen gebeuren is zijn bezoek aan de middelbare
school. Hoeveel romans bestaan daar niet over! Er gebeurt natuurlijk altijd iets
meer in ons land, maar de Nederlander wil niet weten wat er gebeurt. Hier zijn
ook gangsters, hier vinden ook moorden plaats. In een boek moeten heftige
handelingen gebeuren die voor zichzelf spreken, dramatiek ook in persoonlijke
verhoudingen. Toch spelen Nederlandse detectiveromans allemaal in het
buitenland. Zie Geoffrey Gill. Nee, Van Eemlandt ken ik niet. --
Maar uw schoolmeesterschap. Is dat niet veel meer een bespiegelende instelling
dan één die op actie aandringt? H.
Mijn schoolmeesterschap? Het is erg vriendelijk van u dat u het zo opvat.
Schoolmeesterschap is alleen maar de puntjes op de i zetten. Schoolmeesterschap
is een fatum voor mij.
Mijn
ouders, grootouders, waren ook al schoolmeester. Ik
had oorspronkelijk geen ambitie voor het doceren, toch is het ervan gekomen. Het
lectoraat is natuurlijk een zware belasting naast het schrijverschap. Ik ben ook
principieel tegen nevenbanen. Maar ik heb mezelf in zo'n positie gemanoeuvreerd
dat ik het wel moest aanvaarden. Weigeren? Dat is makkelijk gezegd. Een
schrijver kan hier niet bestaan. Ik
heb al ergens gezegd dat ik me heb laten inspireren door het Englandspiel. Dat
Osewoudt al vroeg voor een verrader wordt gehouden, blijkt bv. uit het
merkwaardige gedrag van Zéwuster op de U.B. en van Moorlag op de zolder.
Van
Straten wees erop dat Moorlag te onopvallend uit het boek verdwijnt. Dat heb ik
verbeterd in de tweede druk. Maar Moorlag heeft
Dorbeck ook nooit gezien. Alleen de N.S.B.-er Turlings moet Dorbeck
gezien hebben, bij de moordaanslag in Haarlem. Ook hierop valt meer nadruk in de
tweede druk; maar wie zal Turlings geloven? Turlings is N.S.B.-er dus die kan
verrader Osewoudt de hand boven het hoofd houden door te getuigen dat Dorbeck
door hem waargenomen is. Zo'n getuigenis helpt Osewoudt van de wal in de sloot.
Dat schrijft Osewoudt dan ook nu in zijn brief aan Marianne. Ook is er een
krantenknipsel aan toegevoegd, in de stijl van de N.R.C., gedeeltelijk met
juiste voorlichting, gedeeltelijk ook met onjuiste. Logische konklusies uit
onjuiste vooropstellingen. Zeer geloofwaardig. Met
een parafrase op Voltaire: Als Dorbeck niet bestond, zou Osewoudt hem moeten
uitvinden. Het doet er niet toe of Dorbeck bestaat of niet. Het gaat er alleen
om of hij waargenomen is. Men ontkent ook niet dat hij bestaan heeft. De naam
Osewoudt? Dat heeft me veel moeite gekost, die namen; er bestaat echt een
Osewoudt. Dit is uit de schrijverskeuken. Het is een winkel in centrale
verwarmingsapparaten in Den Haag, vlak bij het station. Dorbeck heb ik gehaald
uit de Universiteitsgids. Ja,
eerst staat er Elly Sprenkelbach Meijer, en later bij het verhoor Elly
Berkelbach Sprenkel. Dat is expres gedaan, maar het kwam niet helemaal over het
voetlicht. Het is een onnozel pseudoniem, een slechte schuilnaam, net zoals haar
valse persoonsbewijs slecht is. Die
namen zijn allemaal goed geslaagd. Verder ben ik niet dol op De donkere kamer.
Het is een gewone roman. Men kan met een zo eenvoudige figuur niet veel kanten
op.
De god denkbaar is van veel meer belang. Dat was een experiment, een
persoonlijke revolutie. Expres tegen de regels van de romankunst, als die
tenminste bestaan. Alle begrijpelijkheid heb ik er opzettelijk uitgewipt. De god
denkbaar is polyinterpretabel. De gewone roman suggereert tot een bepaalde
interpretatie. Denkbaar kon ik uit het hoofd declameren, in het bad. Ik maakte
in die tijd een reis door Italië. In alle gastenboeken schreef ik Denkbaar niet
Hermans. Wel een beetje flauw, maar dat tekent mijn bezetenheid van dat boek.
Het slot vind ik heel aangrijpend. Nee, ik krijg er geen tranen van in mijn
ogen, zoals Elsschot. Ik ben nog steeds van plan een vervolg te schrijven: Het
evangelie van O Dapper Dapper. Die leeft nog.
Van Oorschot zal blij zijn. Ook
Conserve is een heel mooi boek, beter dan De donkere kamer. De tweede versie
ervan is de beste, die heb ik op schoolmeestersmanier herschreven: zin voor zin. Mijn
gedichten vind ik verwerpelijk, daar wil ik niets meer van weten. Ik heb ook in
geen tien jaar een vers geschreven. Het essay over
Focquenbroch is ook een
jeugdwerk, uit 1943. In die tijd had ik niets te doen, (dat tekenen aan de
Universiteit), en er waren toen plannen voor een bundel essays over Nederlandse
schrijvers, onder redactie van Hellinga. Toen heb ik opgezocht over wie nog geen
essay geschreven was, en toen kwam ik bij Focquenbroch. Nee, verwantschap voel
ik niet, toen wel een beetje. De
tranen der acacia's. Ik vergelijk hem met de Zauberflöte van Mozart. Het zijn
alle twee vrijmetselaarssymbolen. Onze acacia is geen acacia, maar de Robinia
pseudo-acacia, dat weet u toch? De echte acacia is een altijd groene gomboom,
vrijmetselaarssymbool van onsterfelijkheid. Arthur Muttah denkt eerst dat hij
huilt, maar hij bloedt in werkelijkheid dood. Nee,
ik ga geen
mandarijnen meer uitgeven. Ik ben geen beroepsquerulant. Trouwens, ze
zijn allemaal geschreven. Ze liggen nu te verjaren, uitgeven heeft geen zin
meer. Die mensen zijn al allemaal vergeten. Van Oorschot wou niet meer. Die
heeft zo zijn eigen ideeën. Ja, wat wil je. Politieke actie. Hij heeft de pest
aan de Groene. Hij wou dus wel tegen
Charles, want dat was tegen de derde weg.
Mij ging het minder om de politiek. In ieder geval viel het verkeerd en Van
Oorschot wou niet meer. Maar eerst was hij geestdriftig. 'Het zal processen
regenen', voorspelde hij en zo meer. --
Wat vindt u van de kritiek op een boek als De donkere kamer? U zegt ergens dat
er twintig domkoppen zijn die niets van literatuur afweten, en die de
Nederlandse boeken censureren. Deze twintig domkoppen hebben merendeels het boek
juichend ingehaald, men roemde de spanning, één sprak er zelfs van een
Lord-Listerstory... H.
Dat was dus inderdaad een domkop! --
...maar anderen hadden toch historische, morele of andere bezwaren. H.
Tot dusver zijn alle recensies goed, d.w.z. gunstig; een beklemmende gewaarwording. Toch maken sommige het te bont. Zo O
ja, een aardig raadsel. Waar verliest Osewoudt zijn Leica? Op zijn vlucht naar
het Zuiden natuurlijk, maar waar? Nou, in zijn eigen huis, als hij Ria
vermoordt. Hij leest toch nog het bordje op de winkeldeur: Hebt u niets
vergeten? Natuurlijk, hij heeft daar zijn Leica vergeten. Kelk
in de Groene. Ja ik ben het wel met hem eens. Het is de verbazingwekkendste
kritiek die ik heb gezien; ongelofelijk hoe hij zijn rancune, die hem zij
gegund, heeft overwonnen. Anderen zijn daar minder makkelijk overheen gestapt. Adriaan
van der Veen was meer zoetsappig. Hij leest altijd heel slecht. Wel vriendelijk
bedoeld, maar zijn kritiek sloeg nergens op. Gomperts legt zoveel nadruk op die
borden, waardoor Osewoudt geïmponeerd zou zijn, dat zie ik er niet in. --
Osewoudt, als een bewogene, kan toch heel goed prikkels ontvangen van die in de
gebiedende wijs gestelde verkeersborden? H.
Ja, daar kan ik het wel mee eens zijn. Toch, ik zie het boek als een film
gebeuren, die borden zijn een manier om de lezer in te lichten zonder
tussenkomst van de schrijver. --
Stroman zegt in zijn recensie over wat hij noemt 'de meest perfide roman' o.m.:
'Hermans heeft zijn verhaal in de bezettingstijd gesitueerd, ten einde zijn
levensbeschouwing vorm te kunnen geven. En die levensbeschouwing is moedwillig
cynisch, moedwillig negatief. Juist die moedwil, het opzettelijke, maakt dit
boek tot een weerzinwekkend product'. H.
Och, misschien heeft Stroman zichzelf teveel in het boek herkend. Stroman, wie
is Stroman, wiens Stroman is hij? Misschien heeft hijzelf in een donkere kast
wel een Dorbeck die zich verstopt. --
Hoe denkt u over verschillende schrijvers als
Mulisch, Van het Reve, Vestdijk... H.
Mulisch? Dat is een imitator, die telt niet mee. Nee, ook Het zwarte licht niet
(Hij lacht uitbundig, waarbij zijn mondhoeken
tot aan het tandvlees van de onderkaak neergetrokken worden). De titel staat me
al tegen. Bij Lotti Führscheim komt het zwarte licht al voor. Van
het Reve is een groot auteur, maar hij is op andere dingen uit dan ik. Hij is
veel inerter, zijn personen hebben veel zitvlees; ik geef het belangrijkste via
de gebeurtenissen. Toch is de mentaliteit van de karakters soms overeenkomstig,
vergelijk Frits van Egters met Arthur Muttah. Voor
de figuur van Vestdijk heb ik heel veel waardering. Die
vraag had ik verwacht. (Hij haalt een papier uit zijn map met een diatribe tegen
V.) Zijn verdraagzaamheid is een deugd, maar hij is verdraagzaam op het
onverschillige af. Ik kan hem niet lezen, hij heeft maling aan schrijven, pent
er maar op los. Hij gaat de weg op van Van Schendel. Die 'grand old man' was nog
niet dood of hij werd al niet meer gelezen. De overeenkomst tussen sommige
passages van Vestdijk en bijv. Klaasje Sevenster
van Van Lennep is verpletterend. De ondertitel van Sint Sebastiaan slaat
op hemzelf: de geschiedenis van een schijntalent. Detailkritiek wil ik ook wel
geven. Neem nu eens de eerste zinnen van Sint Sebastiaan die zijn tekenend. 'Hij
werd gespeend zoals alle andere kinderen, op de gewone tijd. Er gleed een mes
tussen honger en genot door, de eerste bestendigend en aanmoedigend, de tweede
verjagend naar gebieden zo ver en vaag als zijn reactie vaag was op dit
onvatbare onrecht'. Een mes dus dat bestendigt, aanmoedigt en verjaagt. Dat moet
wel een formidabel mes geweest zijn. Een tweesnijdend mes, nee, een driesnijdend
mes. Soortgelijke parels kun je in elk boek van Vestdijk ophalen en zijn latere
boeken zijn beter dan zijn eerste. Vestdijk heeft geen plastisch inzicht. Hij
stelt zich niets voor bij wat hij schrijft. Het eind van Surrogaten voor Murk
Tuinstra is ook heel erg. De auteur smijt daar zijn sujet met stenen. Vestdijk
is te gierig om slechte passages om te werken. Hij is dolblij als hij weer een
bladzij naar de uitgever kan brengen. De kritiek over Vestdijk is literair
waardeloos. Het is allemaal of pro, of anti, technische kritiek wordt niet
geleverd. Lucebert
is een heel groot dichter, een van de grootste die er ooit in Nederland geweest
zijn. Nagel?
Die is zo dom, dat hij geen moeite hoeft te doen zijn status van intellectueel
te verbergen. Hij wil immers niet voor celebraal aangezien worden? Beïnvloed
ben ik vooral door Heinrich von Kleist, al heel vroeg. Vergelijk bijv. maar eens
Michael Kohlhaas met Osewoudt. Het is enorm geserreerd meneer. Nee, Damocles
heeft niets gemeen met Kafka, al zegt men dat steeds. Kafka is fragmentarisch te
lezen; Max Brod heeft de boel door elkaar gegooid en het bleef te lezen. Vroeger
heb ik Kafka bewonderd, vooral om het monolithische van zijn oeuvre. Dit
bewonder ik nog, maar ik ben te ongeduldig geworden om Kafka in zijn geheel te
kunnen herlezen. Ook niet beïnvloed door Camus, al zijn sommige thema's wel
gelijk. Camus is geen echt eersterangs schrijver. --
Bent u momenteel bezig met iets? H.
Ja, ik ben bezig met een nieuw boek. Over erosie. Geologische erosie en
bodemerosie. Nee, geen cultuurerosie! Ik loop ook met het plan rond voor een
boek uitsluitend over intellectuelen, die hun geleerdheid au sérieux nemen,
soms ook nog. Professoren misschien. Ook zou ik wel weer eens toneel willen
schrijven. --
Kunt u iets vertellen over de manier waarop u te werk gaat? Van het Reve zegt
achttien opeenvolgende versies van een boek te schrijven. H.
Nee, daar ben ik te lui voor. Het moet vlug gaan. Ik heb een groot vertrouwen in
de werkzaamheid van het onderbewuste. Snel schrijven en dan reviseren. Van het
Reve maakt soms maar één zinnetje in een hele week. Het lijkt mij schadelijk
voor zijn schrijverschap. Trouwens er kunnen meer mensen schrijven dan men
denkt. Sluit ze maar eens op met de boodschap dat ze de volgende ochtend een
boek af moeten hebben of op een vreselijke manier ter dood gebracht zullen
worden; reken maar dat ze dan schrijven! Van
een echt isolement kun je niet spreken. Je bent natuurlijk wel gepreoccupeerd
met je eigen werk. Je ontwikkelt een eigen techniek. Ik heb de laatste jaren
vrij weinig gelezen. Wat me in mijn eigen werk opvalt en waarvan ik niet weet of
het een kwaliteit is, is de compositorische afwisseling, de voor mijn gevoel
enorme wisselvalligheid in de manier van schrijven, eerder dan de samenbindende
factoren. Ja, ik herlees het nog al eens. Een
echte realist ben ik niet, ondanks mijn nauwkeurigheid. Die preciesheid heeft de
functie de werkelijkheidssuggestie te versterken. Het kan mij op zich zelf niet
schelen van de werkelijkheid af te wijken. 8ste Exloërmond bestaat niet, maar
is gekozen om de eentonigheid van de streek aan te duiden. De functie komt voor
mij op de eerste plaats. --
En 7e Exloërmond, bestaat dat, of is die plaats soms verder weg dan de 5de en
6de dito. H.
O, dat zegt die sergeant over de dokters uit de 5de en 6de Exloërmond, daar kan
ik niets aan doen. Misschien was het van algemene bekendheid dat de dokter van
7de Exloërmond altijd dronken was. Sebastiaan
uit Een landingspoging is misschien wat meer autobiografisch dan andere figuren.
Meestal zijn het niet eens segmenten van mezelf, al stammen ze natuurlijk wel
van me af. Die $ 300 heb ik niet zelf achterovergedrukt; toen ik naar Canada
ging kreeg ik een rond bedrag mee, waar ik een half jaar naar goeddunken van
leven mocht. Het werk dat ik doen moest heb ik met schoolmeesterachtige
plichtsgetrouwheid gedaan. Er waren toen nog deviezenbeperkingen. Ik had het
gevoel dat ik als auteur volkomen mislukt was. Als iedereen het zegt, ga je het
ten slotte wel geloven. De
stemming is verschaald; zoals trouwens het bier van Hermans. Een lid van het
U.S.A.-bestuur dringt er zachtjes op aan, dat de nihilisten maar eens moeten
opstappen, met het oog op de tijd. Haastig
roken we onze sigaretten tot peuken, legen onze glazen en laten ons onze jassen
geven. Hermans dankt voor de genoten gastvrijheid wat mij op het idee brengt
hetzelfde te gaan doen. Dan worden we uitgelaten. Het is twee uur. Er heerst een
windstille vorst. Ik
ga na al dat praten wat wandelen, zegt Hermans, om half zes gaat mijn trein naar
Groningen. Hij
slaat rechtsaf, dus richt ik mij naar links. Na een meter of honderd kijk ik nog
even om. Heel in de verte loopt snel een heer in regenjas, een aktetas aan de
stijfgestrekte arm. Hermans? Inderdaad, op weg naar de slaapplaats bij goede
vrienden op de Nieuwe Prinsengracht. 17
februari 1959 en 20
februari 1962. [Dit
interview is opgebouwd uit twee al eerder openbaar gemaakte vraaggesprekken: het
ene verscheen in Propria Cures van 28 februari 1959, jrg. 69 nr. 23, o.d.t.
'Het
evangelie van WF Hermans'
en is in
verkorte vorm afgedrukt in 'Voor wie dit leest' (Querido 1959), het andere
vormde een gedeelte van een uitzending in de toenmalige boekenrubriek van de
VPRO-televisie op 20 oktober 1962. H.U.
Jessurun d'Oliveira: 'Scheppen riep hij gaat van Au' Polak
en Van Gennep, Amsterdam 1964. blz. 9 - 23.
De uitgave is uitsluitend nog antiquarisch te koop. Pogingen om rechthebbende te achterhalen zijn (nog) niet geslaagd. Natuurlijk zal de webmaster op gepaste wijze reageren en desgewenst het interview van de site verwijderen wanneer rechthebbende bezwaar maakt tegen deze (her)publicatie.
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
|
|
Bezoek deze pagina's in uw eigen volgorde Plaats "WILLEM FREDERIK HERMANS" bij uw favorieten Ach, waar bemoei ik mij eigenlijk mee?
KENNISMAKEN MET WFH --- SPELLETJES MET WFH LUISTEREN NAAR WFH --- BIJSCHRIJVEN OVER WFH --- ADVERTEREN MET WFH NAAR DE FILM MET WFH --- AUTOBIOGRAFIE VAN WFH MULTATULI EN WFH --- SCHRIJFMACHINES VAN WFH TIJDSCHRIFTEN OVER WFH --- PLAATJES KIJKEN MET WFH WEINREB, EEN KWESTIE VAN WFH --- BOEKJES LEZEN MET WFH RIJMEN MET WFH --- WITTGENSTEIN EN WFH --- NAAR ZWEDEN MET WFH? AANDENKEN AAN WFH --- OP TONEEL MET WFH --- INTERVIEWS MET WFH POST VOOR WFH --- TE GAST BIJ WFH
Bij het samenstellen van deze site heb ik gepoogd bestaande rechten op tekst en afbeelding te eerbiedigen. Mocht er toch nog bezwaar zijn tegen het gebruik van materiaal, laat u dat dan onverwijld weten?
De links naar de verschillende pagina's werden voor het laatst bijgewerkt op: zaterdag 23 december 2006 |