|
INTERVIEW MET WFH
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
De Spiegel, 29 maart 1969 Uit
de Donkere kamer van W.F.Hermans door Dick van Ruler Willem
Frederik Hermans is alom erkend als schrijver. Maar dr. W.F. Hermans wil méér:
hij wil ook erkenning als fotograaf, en is bereid zich met zijn prestaties voor
de leeuwen te werpen. Dat doet hij op de volgende bladzijden met een keus uit
eigen fotowerk: de eerste nationale (mini)foto-expositie van W.F. Hermans. Zijn
eerste. Ook zijn laatste?
Het éérste interview
met Hermans als fotograaf? Ja,
ik geloof van wel. 't Is weer eens wat anders, ik had het alleen wel leuker
gevonden als het vijf jaar eerder was gebeurd. Toen was ik namelijk veel méér
met de fotografie bezig dan nu; ik schrijf nu weer meer. Het fotograferen is ook
al verminderd, omdat het me niet lukte er iets mee te bereiken. Ik heb wel eens
wat aangeboden aan bladen, maar ze namen het niet. Het moeilijke is natuurlijk
ook, toen ik wat rijker was, en me dus wat meer apparatuur kon aanschaffen, was
ik al gevestigd als schrijver. Dus toen geloofden ze niet meer in
Hermans-de-fotograaf.
Rijk genoeg, want
Hermans woont in wat advertenties ongetwijfeld een kapitale villa zullen noemen.
Het huis heet Lindenhof, maar, zegt Hermans, zich met klem distantiërend van
wat hij kennelijk als een halfzachtheid uit het verleden beschouwt, "die
naam zat er al op toen ik er in kwam," of ik dat maar even goed wilde
onthouden. Dus stel ik voor, nu we het toch over fotografie hebben, er Linhof
van te maken, naar het merk van een camera. Hermans heeft zich royalistisch
opgesteld in Harens Julianalaan, waar de appeltjes geschild, de schaapjes op het
droge en de mandarijnen op zwavelzuur gezet zijn. Wat
was de bedoeling eigenlijk? vraagt Neerlands bijna beroemdste auteur (van o.a.
De donkere kamer van Damocles, en
Nooit meer
slapen). Ik zeg dus: een verhaaltje over u als fotograaf en dan wat van uw eigen foto's er bij. Dezelfde aankondiging die ik vijf dagen tevoren ook al over de telefoon gedaan had, op grond waarvan de afspraak snel gemaakt werd. Nou, dat kon dan wel, die foto's, maar dan moest Spiegel wél betalen, want voor niets gaat de zon op en als wij hem dan zo interessant vonden als fotograaf, dan moest dat niet alleen met een verhaal, maar ook met een giro-overschrijving tot uitdrukking gebracht worden. "En dan niet zo maar een tientje per foto, maar ... Hoeveel krijg jij eigenlijk voor je foto’s," vraagt hij aan de bij dit gesprek aanwezige Ronald Sweering. Sweering mompelt wat, grijnst, plukt aan een van zijn fototoestellen, en zwijgt.
Een villa met cv
bewonen, een sportauto (Morgan) in de garage hebben staan, en dan toch goed geld
willen hebben voor foto's die altijd nog die van een amateur zijn?
Jawel, het is meer een principekwestie. Hermans ziet klaarblijkelijk het licht
gloren van een soort erkenning die hij als schrijver
in ruime mate geniet, maar als fotograaf tot zijn leedwezen nog immer ontbeert.
De schaapjes dan wel op het droge, maar de druiven zijn nog net zo zuur als de
mandarijnen.
Veel dingen zijn een
kwestie van image.
Hermans werkt aan 'n
roman waarover hij nog zwijgt. En in het voorjaar of het vroege najaar
verschijnt een boek dat waarschijnlijk zal heten De laatste resten tropisch
Nederland: korte stukken over zaken die betrekking hebben op Suriname en de
Nederlandse Antillen, opgedaan in januari tijdens een studiereis voor de Sticusa.
Maar zijn fotografie
is toch nog actueler, want rond 1 mei zal bij Thomas Rap zijn Fotobiografie
verschijnen. Zoiets als een autobiografie in foto's, met dien verstande dat
Hermans er, voorafgegaan door een reeks voorouders, zelf in voorkomt tot zijn
21ste jaar. Ongeveer
het begin van de Duitse bezetting. Later niet; op een of andere manier vind ik
dat niet leuk; misschien als ik 80 ben. De aanleiding tot het boek was... in '68
is mijn vader overleden, 86 was hij, m'n moeder was al eerder gestorven; ik heb
nu geen familie meer. Toen ik het huis opruimde vond ik allemaal foto's. Daar
aan de muur hangt achter glas een betovergrootvader, van moeders zijde. Ja, die
kant is dominant bij mij, althans wat betreft bepaalde karaktertrekken. Het boek
begint met de betovergrootvader van mijn moeders kant. Een foto en een
getuigschrift, dat hij gestolen had van een Duitse kok. Daarmee solliciteerde
hij bij stadhouder Willem V, als mondkok. In dat papier heb ik het woord mondkok
voor 't eerst gelezen. Die lieden hadden niet zomaar een kok, maar een mondkok.
Met gestolen getuigschrift. Dat soort grappen staat in het boek. Pokkenbriefjes
zitten er ook bij; in die ouwe tijd konden koeien nog wraak nemen door de mensen
te besmetten met koepokken; is er niet meer bij tegenwoordig. En dan foto's van
mezelf. Als baby, en... Ik
heb 't boek aangeboden aan Rap. De Bezige Bij wilde het niet doen zoals ik
wilde. Veel dingen zijn nu eenmaal een kwestie van image. Als Rap met een gek
boek komt, dan kan 't wél, en als een andere uitgever het doet, zegt men: dértig
gulden! Zijn ze gék geworden.
Ik ben neutraal, want
ik ken het boek niet, maar hoe reageert u als men zou zeggen dat zo'n
familiealbum een soort exhibitionisme zou lijken? Exhibitionisme?!
't Zijn neutrale foto's hoor! Als ik al zo'n vijftien boeken heb geschreven, is
zo'n fotoboek dan nog een exhibitionisme? Wat je schrijft is veel explicieter
dan foto's. Bovendien is dat verwijt van exhibitionisme ten aanzien van bepaalde
schrijvers ook zoiets als een open deur intrappen. Tegen
een bioloog die schrijft over wat hij in de sloot gevonden heeft, zeg je toch
ook niet dat het een viezerd is omdat-ie in de modder wroet. Nee ... De meest
gruwelijke dingen die een schrijver over zijn familie kan onthullen, dat heeft
tot functie dat anderen het herkennen.
Aha, denk ik, daar
hebben we dan eindelijk een aanknopingspunt voor de foto's. Dus prik ik door:
fotografie brengt u in uw boeken in verband met 'het uur van de waarheid'; hoe
zit dat? Dat
kan ik niet meer vertellen. Citeer het maar uit Nooit meer slapen. Een boek
schrijf je nu eenmaal erg zorgvuldig, je schrapt, je vijlt bij. Dus zoiets op 'n
achternamiddag uit het blote hoofd nog weer vertellen, nee, dat vind ik geen
redelijke vraag. Aanval mislukt. Ik dacht overigens dat ik 200 km was komen rijden om wél een antwoord op dergelijke vragen te krijgen, want dat boek heb ik per slot in m'n kast staan. Drie jaar geleden heb ik de fotopassage zelfs dik aangestreept, omdat het - mede gezien De donkere kamer van Damocles, waarin de hele vraag van het bestaan van de helpende dubbelganger van Osewoudt, Dorbeck, is opgehangen aan de vraag of een foto gelukt is of niet - een zeer belangrijk moment is. Nooit meer slapen, pagina 32, over de drie belangrijke stadia in de geschiedenis van de mens: "Het derde stadium begint met de uitvinding van de fotografie. Hoe dikwijls gebeurt het dat er een pasfoto van ons gemaakt wordt, waarvan wij evenveel houden als van ons spiegelbeeld? Hoogst zelden! Voordien, als iemand zijn portret liet schilderen en het beviel hem niet, kon hij de schuld aan de schilder geven. Maar de camera, weten wij, kan niet liegen. En zo kom je in de loop van de jaren, via talloze foto's, erachter dat je meestal niet jezelf bent, niet symmetrisch met jezelf, maar dat je het grootste deel van je leven in een aantal vreemde incarnaties bestaat voor welke je alle verantwoordelijkheid van de hand zou wijzen als je kon."
Maar portretten van
anderen dan? Er
zijn twee foto's van mij in het prentenkabinet in Leiden; één ervan is een
portret. Ze wilden foto's van me hebben. Was ik zeer vereerd door natuurlijk,
ja. Ik stuurde dus wat op en ze hebben er twee uitgezocht. Ik maak betrekkelijk
weinig portretten, omdat ik weinig modellen heb. De mensen zeggen altijd nee als
ik ze vraag: mag ik je portret maken. En aangezien ik verlegen ben van nature
dring ik niet aan.
Algemener dan maar;
niet over portretten, laat staan zelfportretten. De passie achter 'het
fotograferen' van wat dan ook? Dat
je - om 't wat dik te zeggen - niet iets wilt vastleggen van de
vergankelijkheid. De onhistorische vergankelijkheid. Luns die uit een vliegtuig
stapt vind ik niet interessant, want dat doet-ie drie keer per week en iedereen
fotografeert dat drie keer per week. Foto's die ik maak zijn van dingen waarvan
je hoopt dat niemand erop let. Vijftien jaar geleden maakte ik dingen die toen
nog vrij origineel waren. Lelijke grafmonumenten bijvoorbeeld. Dingen waarvan
Groningers zeggen: wáa's daár nou áan?! Die fotografeer ik. Op het ogenblik
dat je het fotografeert, is het nog niet vergaan, 't is nog een actualiteit.
Fotograferen is een poging van mensen om te proberen er achter te komen in wat
voor wereld ze staan. Alles verandert, alle auto's..., de hele scene, zoals ze
dat tegenwoordig modieus zeggen, verandert per seconde. Dát vastleggen...
Foto's die ik lang geleden maakte en nu weer bekijk geven me vaak
associaties. Het is bijvoorbeeld niet zo leuk te constateren gut ja, toen ik die
foto maakte was ik tien jaar jonger. Jazeker, morbide onderwerpen, de hele
wereld is morbide. Alleen, als ze ansichtkaarten maken, laten ze dat weg. Op
Aruba heb ik een foto gemaakt van een Nederlandse molen omgeven door palmen. Ik
verzeker u dat dát morbide is.
Zeventien
schrijfmachines en vier camera's Ik
kreeg een boxcameraatje toen ik tien jaar was, of elf. Of nee; wij hadden thuis
die camera en ik kreeg wel eens een filmpje op m'n verjaardag. Zo ging dat.
Daarna had ik een 9 bij 12 camera met dubbeluittrek en een dubbele anastigmaat.
Nu heb ik twee Leica's en een Pentax. Een Rolleiflex ook nog. Een kinderachtig
cameraatje, een Olympus Pen, 18 bij 24.
Hermans' donkere kamer
is de vliering van zijn garage. Vergrotingsapparaat, waterbak, flesjes chemicaliën,
een glansmachine. Geen
luxe outfit, nee; 't moet allemaal een beetje wrak zijn. Het heeft me
bijvoorbeeld moeite gekost om de Leica's van twintig jaar oud in de steek te
laten voor de moderne Pentax. Mijn schrijfmachine ook, een oud ding. Ik geloof
niet dat ik een nieuwe moet kopen, dan wordt het zo kantoorachtig.
De fotovliering ziet
er wat verlaten uit. Dat klopt, want Hermans fotografeert niet veel, op het
ogenblik; het uur van de waarheid wil niet slaan, of hij wenst de klok niet op
te winden. Ik
maak weinig speciale fototochten; foto's afwerken en ze dan in de kast leggen
vind ik niet zo interessant. Ik zou, geloof ik, ook niet schrijven als ik niet
kon publiceren. Trouwens, een mens kan au fond maar één ding goed doen, denk
ik dan wel es. Wat betekent deze gedachte van de auteur Hermans voor de aan de Groningse universiteit wetenschap bedrijvende Hermans? Dat is een vraag waarop hij zegt het antwoord liever schuldig te blijven. De rekening loopt dus op; de klok draait door (eindelijk raak ik de zon, die precies valt op de stoel waarin Hermans mij gezet heeft, kwijt), maar 'de waarheid' blijft verhuld.
Krijgt de
Fotobiografie een motto? Hé,
nog niet aan gedacht, 't is misschien wel een idee. Als ik het doe, dan wordt
het ongetwijfeld een uitspraak van Mark Twain: "De fotografie is een kunst,
maar een zwarte". Ja, moet ik es over denken... Mark Twain eens te meer
omdat hij een van de eerste is geweest die op de schrijfmachines schreef.
Tolstoj ook.
(Hermans verzamelt
niet alleen oude
camera's, maar ook schrijfmachines. Camera's zijn moeilijk op
te spitten, maar de voorraad typewriters is gestegen tot zeventien.)
De interessantste
dingen die je zegt worden niet opgeschreven. De
kwintessens van het boek, het oorspronkelijke ervan, is ... iedereen die
terugkijkt op zijn leven en dan zegt of schrijft wat hij zich herinnert..., 't
is allemaal aanvechtbaar. Maar als je het op foto's ziet, - die zijn objectief.
Dat boek gaat tot mijn 21ste, plús de oude doos van de familie. Een collectie
dus. Maar in veel opzichten is-ie niet compleet. En ten tweede zijn de
ogenblikken willekeurig, aan toeval gebonden. Oom Piet krijgt een boxje en maakt
even een stoot foto's en dan jaren niets meer. Ik ben getrouwd en er is geen
enkele foto gemaakt, terwijl het toch een gewichtig gebeuren was. Of de foto's
mislukken. Toen ik 27 was, ging ik naar Amerika. Bij de Niagara Falls wilde ik
mezelf op de foto hebben tegen de achtergrond van de Falls. Ik laat het iemand
doen en 't gaat fout. Geen foto. Dat is dan erg jammer. Altijd hetzelfde: op de
ogenblikken die het meest interessant zijn, is er net geen fotograaf aanwezig.
Dat is nu eenmaal zo. Net zoals de interessantste dingen die je zegt niet
opgeschreven worden. Schrijven
heb je meer van a tot z in de handen dan fotograferen. Schrijven geeft je een
veel grotere vrijheid. Wat ook weer zijn bezwaren heeft: als je niet
gedisponeerd bent om iets te verzinnen gaat het niet door. Maar een foto maken
kan altijd. Het is tenslotte 't bedienen van een machientje; een chimpansee kan
het ook. Hoewel...
Toen ik De donkere kamer van Damocles geschreven had ben ik ook van plan
geweest... In Voorburg heb ik het boek bedacht, in Groningen heb ik 't
afgemaakt, in '58. Ik hoorde: die blauwe tram wordt afgebroken. Ik dacht, ik ga
er naar toe om foto's te maken van de echte locaties die ik in het boek
gebruikte; Leidschendam, Leiden. Ik kwam thuis, ontwikkelde de film en er stond
niets op. Ik had dezelfde fout gemaakt als Osewoudt: het retourknopje niet
gespannen, zodat de tandjes de film niet pakken. 't Is toch wel heel gek dat me
dat juist toén overkwam, uitgerekend na dát boek. Een vreemd lot, nietwaar.
Tja, zoiets moet je overgeven.
Kiekeboespelen met de
fotograaf
Ronald Sweering
dribbelt een half uur om Hermans heen. Hij schiet een paar rolletje op.
Opvallend: de man die spijt betuigt over het feit dat hij geen portretmodellen
kan vinden, laat z'n gezicht direct verstrakken zodra Sweering richt. Hij voelt
zich enorm bekeken, weigert zich te laten pakken
'zoals hij is'. Een beetje kiekeboe; het binnenste van het kastje van Sweering
is kennelijk een donkere kamer waarin het zwaard van Damocles is opgehangen aan
een draadje garen. Buiten schot blijven, bij voorkeur niet praten over zichzelf,
wel over anderen, betbetovergrootvaders bijvoorbeeld.
Als we weggaan, krijgt
Ronald Sweering de Mandarijnen op zwavelzuur
cadeau. Voor mij, die zich in een ver verleden gewijd heeft aan de studie der
godgeleerdheid, blijkt hij ook nog wat te hebben: een nieuwe druk van Annum
Veritatis, geschreven door Pater Anastase Prudhomme s.j. "Voor Dick van
Ruler, een theologisch tractaat", schrijft hij voorin. De ondertekening A.
Prudhomme is, wat betreft de A en de P, uitgevoerd
in buitengewoon krullende letters; de zelfverhulling is totaal.
Tussen Groningen en
Randstad lees ik het Tractaat door. Het begint met de zin: "Het Jaar van de
Waarheid". Zo zie je maar weer dat een uur erg kan uitlopen. Als ik de
(opzettelijke) taalzwelling lees, die inhoud moet geven aan de beginzin, begrijp
ik ook wel waarom Nabokov zo'n hartgrondige afkeer heeft van de z.i. holle
uitdrukking "het uur van de waarheid". Ik tel van 1 tot 10, wie niet weg is is gezien, ik kom. Ik kwam, maar kreeg sterk de indruk dat ik Willem Frederik niet te zien heb gekregen; het zal zijn dubbelganger geweest zijn, Prudhomme bijvoorbeeld. W.F. Hermans is waarschijnlijk op zijn 21ste ondergedoken en meent nu dat er nog steeds een oorlog aan de gang is.
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
|
|
Bezoek deze pagina's in uw eigen volgorde Plaats "WILLEM FREDERIK HERMANS" bij uw favorieten Ach, waar bemoei ik mij eigenlijk mee?
KENNISMAKEN MET WFH --- SPELLETJES MET WFH LUISTEREN NAAR WFH --- BIJSCHRIJVEN OVER WFH --- ADVERTEREN MET WFH NAAR DE FILM MET WFH --- AUTOBIOGRAFIE VAN WFH MULTATULI EN WFH --- SCHRIJFMACHINES VAN WFH TIJDSCHRIFTEN OVER WFH --- PLAATJES KIJKEN MET WFH WEINREB, EEN KWESTIE VAN WFH --- BOEKJES LEZEN MET WFH RIJMEN MET WFH --- WITTGENSTEIN EN WFH --- NAAR ZWEDEN MET WFH? AANDENKEN AAN WFH --- OP TONEEL MET WFH --- INTERVIEWS MET WFH POST VOOR WFH --- TE GAST BIJ WFH
Bij het samenstellen van deze site heb ik gepoogd bestaande rechten op tekst en afbeelding te eerbiedigen. Mocht er toch nog bezwaar zijn tegen het gebruik van materiaal, laat u dat dan onverwijld weten?
De links naar de verschillende pagina's werden voor het laatst bijgewerkt op: zaterdag 06 januari 2007 |