|
INTERVIEW MET WFH
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
Amigoe, 25 januari 1969. HERMANS WAS HIER Floor Snijders
WILLEM FREDERIK HERMANS. De encyclopedie vermeldt over hem o.a.: Geboren 1 september 1921 te Amsterdam. Belangrijkste Nederlandse romanschrijver na Wereldoorlog II. Sinds 1958 lector in de fysische geografie aan de Universiteit te Groningen.
Publicaties: Poëzie: Kussen door een rag van woorden, 1994. -
Romans en novellen: Conserve. 1947. Moedwil en misverstand. 1948. De tranen der acacia's. 1949. Ik heb altijd gelijk. 1951. Drie melodrama's. 1953 De god Denkbaar, Denkbaar de God. - 1957 Een landingspoging op Newfoundland. 1957 De donkere kamer van Damocles. 1958
Essays: Het geweten van de Groene Amsterdammer of Volg het spoor omhoog. 1955 Mandarijnen op zwavelzuur. 1964 Het sadistisch universum. 1964.
De nieuwste publicaties zijn in deze encyclopedie nog niet vermeld: Een wonderkind of een total loss.
1968. Hermans
of Williams. In
het verhaal Een veelbelovende jongeman, in de bundel Een
landingspoging op Newfoundland, dat in Canada speelt, treedt een psychiater
op, genaamd dr. Herman
F. Williams. Op
het bord voor zijn deur staat behalve zijn naam "Hullo fellers! Come
and see me today". De
psychiater wordt als volgt omschreven: "Doctor Herman F. Williams was een
tamelijk jonge man met een glad wit gezicht, een enorme gladgeschoren onderkaak,
witte tanden die eruit zagen of ze de hardste noten konden kraken en een
verbazingwekkend hoog voorhoofd, dat de indruk gaf of al zijn hersens er achter
aangetreden stonden om een uitval te wagen bij de geringste provocatie. Hij keek
Sebastiaan aan met een honende glimlach en nu zag Sebastiaan dat zijn ogen
merkwaardig verschillend waren. Het ene had een zwaar halfgesloten ooglid en
keek tamelijk treurig, maar het andere stond iets wijder open en staarde
meedogenloos en kil voor zich uit: het oog van een beul." Als
ik Hermans voor het eerst in werkelijkheid ontmoet, let ik goed op: lichte ogen;
dat van dat ooglid is sterk overdreven; de ogen zijn ietwat asymmetrisch, dat is
alles. En hij is nu niet wit meer, maar een beetje gebruind en verbrand tijdens
de tropische vakantie. Hij is lang, vrij fors, met grijzend haar, sterk krullend
op het achterhoofd. Ik ben verrast door iets zachts en vriendelijks in zijn
optreden. Tegelijkertijd denk ik aan de ontboezemingen in het verhaal
Hundertwasser: "Op het eerste gezicht neem ik de mensen voor mij in".
En verder: "Hoe goedhartig ik ook ben, eigenlijk bedoel ik het niet goed...
Wie mij voor het eerst tegenkomt, krijgt daar geen enkel vermoeden van". Als
ik hem van het hotel af kom halen voor het interview, valt mij zijn manier van
lopen op: met iets haastigs, gepreoccupeerds en naar de grond kijkend.
Binnenshuis daarentegen beweegt hij zich eerder langzaam en bijna onhandig.
Tijdens het gesprek zit hij wat voorovergebogen en vouwt daarbij voortdurend aan
een halfleeg pakje Gauloises, tegelijk met zijn ogen een pluisje volgend dat
iedere keer op het punt staat weggewaaid te worden, maar dat tenslotte toch over
de vloer in de huiskamer heen en weer blijft ................ laconiek,
schiet daarbij vaak in een onverwachte lach, vol aanstekelijke, soms wat
malicieuze pret. Aan het eind van zijn antwoorden kijkt hij meestal met een
glimlach even op. Een aantrekkelijke glimlach, constateer ik. En opvallend
witte, grote tanden; inderdaad, de notenkrakers van psychiater Williams. Schrijven
geen edele bezigheid Een misschien wat afgezaagde vraag. Gelooft u aan inspiratie
of bent u van mening dat die vanzelf wel komt tijdens het schrijven? Terwijl
je schrijft, raak je vanzelf wel in de stemming. Nee, ik voel me niet een
lyricus die "bevlogen" moet raken. Trouwens, ik vind dat schrijven -
het is soms niet helemaal mogelijk - iets is dat zoveel mogelijk ambachtelijk
beoefend moet worden. Bestudeert u romantechnieken? Nou,
bestuderen.. Het is niet zo dat ik er ooit een systematische studie van heb
gemaakt, maar ik heb me vaak vroeger bij boeken die me troffen, afgevraagd hoe
dat kwam. Ik kan wel zeggen dat het ongeveer hetzelfde is als wanneer een bakker
die eens een keertje het brood van een andere bakker proeft, dit niet doet in de
verwachting iets lekkers te proeven, maar dit meer doet om te kijken wat die
ander ervan gemaakt heeft. Welke boeken waren dat, die u het meest getroffen hebben? Ja,
dat is moeilijk te zeggen. Dat is een hele serie. Dat wisselt natuurlijk ook met
de levensperiode waar je in zit. Maar als auteurs die mij vroeger getroffen
hebben en nu nog steeds treffen, zou ik kunnen noemen: Kafka, Flaubert, Celine,
Herman Melville, Hemingway en van de Nederlandse auteurs bijvoorbeeld Multatuli. Denkt u, terwijl u schrijft, aan de mensen die u later zullen
lezen, of laat uw toekomstige publiek u onverschillig? Hmmm.
(denkt enige tijd na) Nou, ik denk niet dat het me helemaal onverschillig laat.
Ik denk wel eens: die of die zal zich enorm ergeren. En u schrijft het dat toch? Ja,
zeker. (een malicieuze glimlach) Nou ja, schrijven is eigenlijk niet zo'n edele
bezigheid, het is soms wel een beetje gemeen eigenlijk. Kan het u iets schelen of uw boeken na uw dood nog gelezen
zullen worden? Na
mijn dood, - nee, dat zal ik niet meer meemaken. Als ze het tot mijn dood halen,
ben ik meer dan tevreden. Welke moderne auteurs bewondert u het meest? Nou...,
ik heb eigenlijk zoveel moeite met de boeken die ik zelf nog wil schrijven, dat
ik aan het bewonderen van auteurs nauwelijks toekom. Noodlot
van klein taalgebied Ziet u het nog steeds als een noodlot om tot een klein
taalgebied te behoren? Dat
is zeker waar, maar tot een groot taalgebied te behoren is natuurlijk ook een
noodlot, maar een heel ander noodlot. Hoe zou u dat noodlot willen omschrijven? Wel..eh..hoe
kleiner de gemeenschap is, waarin de schrijver leeft, des te zwaarder zal de
maatschappelijke tegendruk zijn. Er zijn nog andere moeilijkheden: als een
taalgebied erg klein is bijvoorbeeld, dan is het al haast niet meer mogelijk om
schrijven als een beroep te beoefenen. Aan de andere kant, mensen denken vaak:
als ik maar een Amerikaans schrijver was, dan zou ik heel wat gemakkelijker
kunnen leven, maar er zijn daar toch ook maar heel weinig mensen die van de pen
kunnen leven. Van het Reve is het niet gelukt om in het Engels te
schrijven. Ik
heb niet de indruk. Anders was hij er wel mee doorgegaan. (lacht) Gelooft u dat de problematiek van de meeste Nederlandse
schrijvers in het buitenland niet begrepen wordt? Het
is erg duister wat buitenlanders niet begrijpen aan de Nederlandse literatuur of
de problematiek ervan. Of dat het hierin zit, dat vertalingen van het
Nederlandse in een andere taal niet erg adequaat zijn. Dat zal heel dikwijls het
geval zijn. Omdat je maar heel erg weinig zult hebben dat een buitenlander een
obscure taal als het Nederlands goed beheerst, maar ook dat hij zijn eigen taal
zo goed kent dat hij een adequate vertaling kan maken. Het vertalen van een
roman en van poëzie zeker, is niet iets wat iedere leraar zo maar kan doen, al
heeft hij nog zoveel goede wil. En dikwijls worden dingen uit het Nederlands in
bijvoorbeeld het Engels vertaald door een Engelsman die een tijdje in Nederland
heeft gezeten, en daar op een consulaat heeft gewerkt of zo. Terwijl omgekeerd,
vertalingen uit het Engels of Spaans in het Nederlands dikwijls door schrijvers
gedaan worden. Maar dan moet ik dit er ook bij zeggen: heel veel in het
buitenland heel beroemde schrijvers die in het Nederlands vertaald zijn, worden
in Nederland ook door bijna niemand gelezen. Er zijn maar enkele vertaalde
buitenlandse schrijvers die in Nederland veel succes hebben. Buitenlandse
vertalingen Uw boek De tranen der acacia's is pas in het Duits vertaald.
Waarom niet in het Engels? Ja...,
er is nooit een Engelse uitgever op het idee gekomen om dat te gaan vertalen. Was u tevreden over de Duitse vertaling? Ik
geloof wel dat het correct vertaald was in zoverre, dat alles wat in de
Nederlandse tekst stond, er ook in de Duitse stond, maar ik ken niet voldoende
Duits om te weten of de Duitse tekst die dan ontstaan is, in de oren van geboren
Duitsers ook aangenaam klinkt. Welke boeken van u zijn nog meer vertaald? De
donkere kamer van Damocles
is vertaald in het Frans, Engels, Zweeds, Noors, Deens en Fins. Nooit meer
slapen is vertaald in het Zweeds. Hoe waren de reacties in het buitenland op De donkere kamer
van Damocles? Ik
weet dat het in Zweden zeer goed ontvangen is en dat het in Engeland in sommige
kranten gunstig besproken is en dat andere het weer bespraken op een manier dat
je denkt: nou, dat is helemaal niet gelezen, dat is gewoon beroepsmatig werk.
Kijk eens, Nederland is zo weinig bekend in het buitenland en speciaal de
literaire kant, dat het erg moeilijk is daar belangstelling voor te krijgen. In
Frankrijk is het bijvoorbeeld in de France Oberservateur zeer goed besproken. Recensenten Het komt dus blijkbaar meer voor dat een recensent boeken
bespreekt die hij niet gelezen heeft, evenals de moeder van Alfred uit
Nooit meer slapen. Dat
komt wel meer voor, ja. Het is ook wel te begrijpen. U kunt wel nagaan, als u
beroepscriticus bent en u zit veertig jaar aan een krant en u zou iedere week
twee of drie boeken moeten bespreken, dan is dat niet te doen om je daarop in te
stellen, - want je hebt toch een zekere rust nodig om op een nieuw boek of
auteur kritiek te leveren, dat kun je van die mensen toch niet vergen. Je kunt
het ze ook niet kwalijk nemen dat ze zich dus bij wijze van nieuwsvoorziening
beperken tot een soort berichtje, zodat men weet dat het boek überhaupt
bestaat. Maar eh... dan hebben deze mensen toch vaak allerlei pretenties en
wanneer het dan binnenlandse auteurs betreft, nemen ze bijvoorbeeld de kans waar
om wraak te nemen en dat zijn natuurlijk dingen die mij zeer ergeren. (fel
opeens) Maar de moeder van Alfred had geen pretenties. Die
had geen pretenties, nee. Maar die vormt ook het prototype van een bepaald soort
Nederlandse schrijver en dat bestond al jaren hoor, want bijvoorbeeld Busken
Huet... als je de verzamelde werken van Busken Huet leest, daar staan zoveel
uitvoerige kritieken in, ook van buitenlandse boeken, Frans bijvoorbeeld, dat
het wel te begrijpen is dat die man het onmogelijk allemaal zelf kan hebben
gedaan. De stijl waarin hij bijvoorbeeld over Franse auteurs
schrijft, is anders dan wanneer hij Nederlandse boeken bespreekt. Hij
moet zich ongetwijfeld op Franse kritieken gebaseerd hebben. Als ik professor
was en een student moest bij mij promoveren, dan zou ik zeggen: een mooi
onderwerp, ga maar eens uitzoeken waar Busken Huet de mosterd vandaan gehaald
heeft. (lacht voluit, geamuseerd). Waarom verdelen ze de nieuwe boeken ook niet onder meer
recensenten? Ja,
er zijn natuurlijk altijd maar heel weinig mensen die dat erg goed kunnen. En
dan merk je in Nederland ook: als een boek uit de een of andere obscure taal
vertaald is, dan krijgt een of ander vriendje van de redacteur het, niet een
eersterangs man met gezag. Heeft u met de moeder van Alfred een bestaande Nederlandse
recensente op het oog gehad? Ik heb bij uw beschrijving gedacht aan Annie
Romein-Verschoor. Dat
is een van de niet zo weinigen die inderdaad wel aan de beschrijving voldoen.
Maar ik bedoel eigenlijk hoogst zelden met personen in mijn boeken bestaande
iemanden. En Annie Romein-Verschoor..., nou, die is misschien niet het meest
uitgesproken voorbeeld. (grinnikt vermaakt). Reizen Gelooft u dat reizen voor de meeste schrijvers inspirerend
werkt? Soms
wel, soms niet. Het gevaar van reizen is natuurlijk dat je een roman laat spelen
in een land waar je misschien een week geweest bent en eigenlijk niets van af
weet. Uw boeken spelen toch wel vaak in andere landen. Canada
bijvoorbeeld. Ja,
daar ben ik een half jaar geweest. En Finmarken, daar ben ik ook vrij lang
geweest. Zou u ooit willen emigreren? Nu
helemaal niet meer, nee. Geeft uw beroep u geen mogelijkheden om het ook ergens anders
uit te oefenen? Daar
zou ik helemaal nooit over denken om het ooit ergens anders te doen. Ik dacht.. omdat u in uw boeken nogal op Nederland afgeeft.. Ja,
maar dat is bij alle Nederlanders toch eigenlijk een soort haat-liefde. En het
is voor een schrijver toch nooit mogelijk om zich van zijn vaderland los te
maken. Al die schrijvers die zogenaamd emigreren, die emigreren in werkelijkheid
niet en blijven hun leven lang toerist. De schrijver is degene die het van zijn
vaderland moet hebben. Ze moeten het hebben van Nederlandse kranten, schrijven
stukjes voor Nederlandse kranten, ze raken meer in het typisch Nederlandse
provincialisme verstrikt dan wanneer ze gewoon thuis gebleven waren. Met
schilderen bijvoorbeeld is dat natuurlijk heel wat anders, dat is veel
universeler. Schijven
en vriendschap Wie vindt u de beste Nederlandse schrijver van de laatste
tien jaar? Daar
heb ik nooit over nagedacht. Hoe vindt u Jan Cremer? Jan
Cremer vond ik bij tijden erg goed, bepaalde fragmenten uit Jan Cremer I dan.
Het hele boek op zichzelf heb ik achter elkaar uit gelezen. Jan Cremer II, daar
kon ik niet doorheen komen. En Jan Cremer III, daar ben ik niet nieuwsgierig
naar. Herkennen mensen zichzelf vaak uit uw boeken? Ja,
dat komt dikwijls voor dat mensen zichzelf menen te herkennen. Ten onrechte? Daar
kan ik mij niet over uitlaten, dat is het beroepsgeheim van de auteur. In
Mandarijnen op zwavelzuur schrijft u dat men moet kiezen
tussen schrijven en vriendschap. Ja,
dat is vaak wel zo. (lachend). Zou u over iemand om wie u geeft, ooit ironisch kunnen
schrijven? Ik
geloof het niet. (zeer beslist). Of zou u überhaupt niet kunnen schrijven over mensen op wie
u gesteld bent? (na
een korte pauze) Ik geloof het niet.. Ik ben niet op zoveel mensen gesteld. Maar
eh.. nogmaals, ik schrijf niet over mensen, ik creëer gefantaseerd personages,
die uit de verte misschien op bestaande personages geïnspireerd zijn. Anders
zouden ze helemaal niets menselijks meer hebben. U heeft geschreven over du Perron dat hij eigenlijk meer
geïmponeerd was door levenskunstenaars als Cassanova, Malraux en
Lawrence of Arabia dan door de literatuurkunstenaar. Bij welke groep zou u zelf
het liefst willen horen? Ja,
dat is erg moeilijk te zeggen. Ik hoor eigenlijk bij geen enkele groep. Ik zie
mezelf niet als een levenskunstenaar. Aan de andere kant zou ik ook geen
typische literatuurkunstenaar willen zijn. Ik voel me niet zozeer een
'kunstenaar', hoogstens een ambachtsman. Amigoe,
27 januari 1969. (Vervolg
van het interview in Amigoe van zaterdag 25 januari door Floor Snijders.). Wat vindt uzelf uw beste boek? Dat
weet ik niet. Het is geloof ik, bij iedere auteur zo: zijn beste boek moet hij
nog schrijven. Ik heb vroeger wel eens gezegd dat ik zeer in het bijzonder op De
god Denkbaar was gesteld. Dat zou ik nu niet zeker meer durven zeggen. Ik vond De tranen der acacia's het meest aangrijpend. Ja?
Ik vind mijn latere boeken technisch beter, economischer geschreven. Als u een boek schrijft, weet u dan van te voren al hoe het
afloopt of gaat u van bepaalde figuren uit en ontspinnen de gebeurtenissen zich
dan vanzelf? Ik
probeer er wel zo gauw mogelijk achter te komen hoe het afloopt. Ik beschouw een
boek als een voorbereiding tot het slot, ik vind het slot het belangrijkste.
Maar ik werk niet volgens een bepaalde werkmethode of recept. Filmscenario's Zou u ooit filmscenario's willen schrijven? Jazeker,
ja. Voor Paranoia en
Als twee druppels water heb ik het wel gedaan. Alhoewel dit
geen
eigenlijke filmscenario's waren maar meer uittreksels van het oorspronkelijk
boek. Hoe vond u die beide verfilmingen? Nou,
allebei niet helemaal bevredigend, maar dat is ook van zoveel verschillende
factoren afhankelijk. Daar zou ik uren over kunnen praten. Een boek kan je
helemaal alleen doen en als het misgaat, kan je alleen jezelf de schuld geven,
maar bij een film komt zoveel te pas. Het lijkt me ook erg moeilijk om voor een bepaald soort
onaantrekkelijke figuren als Osewoudt uit De donkere kamer van Damocles
een geschikte auteur te vinden. Je
moet natuurlijk goed zoeken, er zijn toch ook heel beroemde buitenlandse acteurs
- ik denk aan Peter Lorre bijvoorbeeld - die juist van dat soort figuren een
specialiteit hebben gemaakt. Maar de hele filmindustrie in Nederland is nog zo
primitief dat er eigenlijk ook geen geld is om systematisch echt goede mensen te
zoeken en als men ze heeft, ze ook zodanig te betalen dat ze het blijven doen. Erotiek U hebt eens geschreven dat u, zelfs terwijl u schrijft, nog
verlegen bent. Is dat de oorzaak dat er in uw boeken geen gedetailleerde seksscènes
voorkomen? Ja
kijk, die seksscènes zijn zo aan mode onderhevig. Ik heb destijds met De tranen
der acacia's geweldig veel moeite gehad, juist omdat de seksscènes
te gedetailleerd waren. Tegenwoordig mag alles en vergelijkenderwijs zijn deze seksscènes
eigenlijk nog zeer ingetogen. Maar ik heb het nooit als mijn speciale roeping
gezien om seksscènes
tot in details te beschrijven. Ik heb dat altijd meer functioneel willen houden. Ingetogen is eigenlijk wel het woord voor de erotiek in uw
boeken. Ja,
dat is geen kwestie van preutsheid of van verlegenheid zelfs, maar ik vind de
taalkundige behandeling van die dingen heel erg moeilijk. Er zijn bepaalde
auteurs - en ik denk hierbij aan Jan Wolkers - die zeer ver gaan in hun
beschrijving van details in seksscènes, maar in zulke bewoordingen, dat ik het
dan vaak onsmakelijk vind. Bij Jan Cremer is het niet onsmakelijk omdat het hele
boek in een bepaalde sfeer... kijk, alle woorden die er voor de diverse seksuele
organen bestaan, zijn platte woorden. Als nu het hele boek in een bepaald soort
plat is geschreven, dan past het er harmonisch in, maar zogauw een auteur dat
plat niet voldoende beheerst en het doorspekt met laten we zeggen officieel
Nederlands, dan leidt het tot een soort uit de toon vallen dat ik onaangenaam
vind. Het is een kwestie van vocabulaire. Hoe staat u tegenover pornografie? Neutraal,
neutraal. Ik vind het onzinnig om te verbieden. Leest u zelf wel pornografie? Ik
heb het wel veel gelezen, ja. Typen
en schrijven Schrijft u met de hand of op de typemachine? Op
de typemachine. Weet u wie de eerste auteur was die op de schrijfmachine
schreef? Mark Twain. En ook een van de eersten was Tolstoi. Ik ben namelijk op
de hoogte van de geschiedenis van de schrijfmachine, want ik verzamel schrijfmachines. En u weet ook hoe ze in elkaar zitten? Jazeker,
en ook welke modellen er allemaal bestaan. Toch zijn er een heleboel schrijvers, ook veelschrijvers als
Simenon bijvoorbeeld, die beweren alleen met de hand te kunnen schrijven. Als
ze dat leuk vinden, moeten ze dat doen. Kost uw werkkring u veel energie? Houdt u voldoende tijd tot
schrijven over? Tijd
is eigenlijk nooit een probleem voor mij. Nee, mijn werkkring kost mij niet
zoveel energie meer. Vroeger wel en zo'n zestien jaar geleden werkte ik
bovendien aan mijn dissertatie maar ik kan niet zeggen, dat ik toen minder
schreef dan nu. Schrijft u tot laat in de nacht? Ik
begin vrij laat in de avond; het liefst werk ik 's nachts. En u kunt dan de volgende dag normaal uw werk doen? Ja. Is het toeval dat u in
Groningen woont of voorkeur? Toeval,
gewoon toeval. Vindt u Groningers plezierige mensen? Moeilijk
te beantwoorden, ze zijn zeer gesloten. Ze houden helemaal niet van
plichtplegingen. Zoiets vriendelijks als de mensen hier bijvoorbeeld, zoals op
de avond van mijn aankomst hebben gedaan dat komt in het brein van een Groninger
niet op. Nee, in geen geval. Is het de eerste keer dat u in een tropisch land verblijft? Ja.
Ik ben wel eens in een subtropisch gebied geweest, in Turkije, maar niet in een
heel tropisch land.
Kinderen Het milieu waar Alfred uit Nooit meer slapen vandaan komt, is
weer helemaal verschillend van wat u in vorige werken beschrijft. Welk milieu
komt het meest overeen met dat waar u zelf uit komt? Niet met dat van Alfred, eerder met dat uit de Elektriseermachine van Wimshurst. Dat
is eigenlijk een autobiografisch verhaal. Ach,
dat zal ook nu nog wel eens voorkomen, maar op een andere manier dan. Niet zo
formalistisch als ouders vroeger tegen hun kinderen waren. Je hebt massa's
mensen die zich van hun kinderen weinig aantrekken. Maar ik mag helemaal niet
zeggen dat mijn ouders zich van ons weinig aantrokken, integendeel, maar het was
een...ja, zeer tiranniek natuurlijk. Wie zijn kinderen liefheeft, kastijdt ze;
dat had bij ons met grote letters op de muur kunnen staan. (lachend) U beschrijft in uw boeken meestal gezinnen met twee kinderen,
een broer en een zuster. Komt u zelf uit een dergelijk gezin? Ja,
uit een gezin met twee kinderen ook. Ik had een drie jaar oudere zuster die zich
het leven benomen heeft in 1940. Was dat Deborah uit Ik heb altijd gelijk? Deborah?
Ja, ja, ja, ja... ja, daar leek ze volkomen op, ja.
Een
zoon. Geen dochter, nee, mijn zoon is enig kind en leeft dus als een vorst...
geen concurrentie. (lacht voluit) Isolement Zou u het gevoel van geïsoleerd te zijn, het voornaamste
probleem willen noemen van al uw hoofdfiguren?
Ja,
maar niet alleen van mijn hoofdfiguren. Ik geloof dat het een algemeen probleem
is, een van de algemene problemen die mij bijzonder bezighouden. Het is niet op
zichzelf zo vreemd om geïsoleerd te zijn, maar de mensen willen het vaak doen
voorkomen alsof het niet zo is. Het is een vreemde neiging die vaak ook wel
begrijpelijk is maar... eh... (kort lachje; hij maakt de zin niet af). De mensen willen het dus blijkbaar niet zien. Ja,
omdat men nu eenmaal gedwongen is, in een gemeenschap te leven en men daarom
bepaalde pijnlijke dingen wil verhullen. Denkt u dat de verlegenheid van uw hoofdpersonen samenhangt
met hun strenge opvoeding? Mogelijk,
maar ik ben geen psycholoog; ik kan dat niet beoordelen. Aangeboren is het niet. Hebt u destijds met de Mandarijnen veel vijanden gemaakt? Ja.
(hij grinnikt vol pret; allerlei dingen schijnen hem opeens te binnen te
schieten) Staat u nog steeds achter alle aanvallen daarin? |