|
INTERVIEW MET WFH
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
J. van Tijn 'Ik
heb nooit in de goedheid van de mensen geloofd' Vrij
Nederland, 2 april 1966 [De eerste
verrassing die Willem Frederik Hermans mij bereidde, was dat hij mijn verzoek om
een interview naar aanleiding van zijn laatste roman
Nooit meer slapen
inwilligde. Als gevolg van deze afspraak meldde ik mij op een avond aan het
perceel
Spilsluizen 17a
in
Groningen, waar Hermans zich de laatste 15 jaren als
lector in de fysische geografie aan de opleiding van studenten wijdt. Hij leidt
me in een ruime werkkamer, waarin het meeste opvalt de enorme afstand tussen de
kennelijk niet doelloos geplaatste fauteuils. Het is de dag na de verrassende
verkiezingen. Eigenlijk nog voordat ik zit, neemt hij het initiatief van het
gesprek: hij wekt dan nog de indruk enigszins naar deze contactmogelijkheid te
hebben uitgezien.] De eerste
vraag, die u mij zult stellen, [zegt hij, uitermate vriendelijk], is natuurlijk,
wat ik van de verkiezingsuitslag denk. Het is jammer, dat u mij niet een week
geleden hebt kunnen vragen, want dan had ik u kunnen vertellen, dat de PvdA
geweldig zou verliezen. De PvdA heeft namelijk de enorme vergissing begaan dat
ze zich in de luren heeft laten leggen door Cals, een man waartegen ik veertien
jaar geleden al heb gewaarschuwd. Cals heeft in 1951 op eigen houtje de subsidie
voor
Podium ingetrokken, waarna het met hem steeds hogerop is gegaan
totdat hij dan tenslotte minister-president is geworden. Dat alles is de schuld
van de PvdA. Toen staatssecretaris Cals de reisbeurs van v.h. Reve introk en
later de subsidie van Podium opschortte, had de PvdA moeten zeggen: deze
man mag verder geen carrière maken in dit land. En nu heeft hij ze erin laten
tuinen. Ik geloof dat inderdaad maar een gering percentage tegen het huwelijk
is, maar toch had de PvdA moeten tegenhouden dat het in Amsterdam plaats vond,
dat de PvdA-man Van Hall de politie met bullepezen liet spelen, en bovenal was
het stom om arme oude vader Drees in een te hoog opgehaalde broek als getuige te
sturen. Als men 14 jaar geleden de
Mandarijnen had gelezen, had
dit alles voorkomen kunnen worden. En dan is er nog iets: de numerus clausus.
Diepenhorst heeft volkomen gelijk, als hij zegt dat het nemen van provisorische
maatregelen een ramp is voor de universiteit. Die maatregelen kosten
honderdduizenden guldens. Wat niet wegneemt dat er wel maatregelen nodig zijn,
veel forsere, maar daar kan Diepenhorst niets aan doen. Want wie is vóór hem
meer dan tien jaar minister van Onderwijs geweest? Cals. Die man is een ramp
voor Nederland. Dus de rookbommen waren verkeerd geplaatst?
waag ik een
poging tot ironie, die hem aangenaam zou kunnen zijn. Hij gaat er niet direct op
in: Wat ik van
die provo's hoop is dat iemand uit hun midden, er nog eens een roman over
schrijft. Neem nou de politionele acties, een belangrijke periode uit onze
geschiedenis. Helemaal niemand heeft daar een boek over geschreven. Ik bedoel:
een inside boek, zoals dat ook door de provo's over de provo's geschreven zou
moeten worden. Goed, we hadden het over de verkiezingen. We komen aan de Boeren
Partij. De manier waarop de anderen op het succes van die partij gereageerd
hebben, is volstrekt lachwekkend. Ten eerste zeggen ze dat het verschuiving
betekent naar ultrarechts. Dat zie ik niet. Ten tweede is het dom om die
onschuldige boer Koekoek voor een fascist uit te maken. Het kwartje van Romme
heeft ook een duit in het zakje gedaan. Hij heeft gezegd dat het NSB-ers waren.
Dat is lasterlijk en heel dom. Die boeren krijgen drieëndertig cent voor hun
melk en willen meer hebben. Dat is concreet. Het heeft niets met fascisme te
maken. Als zo'n boer aan de regering vraagt: kan ik niet wat meer geld voor mijn
melk krijgen, dan staat in het parlement zo'n man, zo'n Schmelzer zal ik maar
zeggen, op en zegt: 'Mijnheer de voorzitter, ik dacht te mogen stellen dat dit
in het kader van de EEG en de gestegen dit of dat, en mede gezien de terugslag
voor de C.A.O. in het horlogemakersbedrijf...' [Hermans
is nu op volle toeren, ik houd zijn tirade nauwelijks bij, hij verzoekt me te
herhalen wat hij gezegd heeft. Ik herhaal het door Schmelzer in het parlement
gesprokene, waarbij ik het heb over de C.A.O. voor het horlogebedrijf. Hermans
interrumpeert]: -Nee, horlogemakersbedrijf, pas op. Zo'n antwoord daar heeft die
boer niets aan. Ik vraag hem, met voorbijgaan van het beginsel van de geheime
stemming, of hij wel op de PvdA had gestemd. Als ik kon zou ik van die partij wel willen houden, maar ze maken het je onmogelijk. Ze zeuren voortdurend over 'haalbare kaarten', maar ze hebben gebrek aan troefkaarten. Als ze nou een man als Wilson hadden... Onze politici zeuren over details, die voor Wilson ook wel belangrijk zullen zijn, maar hij zaagt er zijn publiek niet over door. Het publiek wordt hier bovendien op een toon toegesproken, zoals fonds patiënten door de dokter: 'slikt u het drankje maar, mijnheer, u hoeft niet te weten wat erin zit, maar u wordt dan wel beter.' [Hermans merkt dat ik weer koortsachtig zit te schrijven, en kondigt plechtig aan]: Ik zal een
kleine pauze inlassen. [Daarna]: Wat ik ook een ontzettende man vind: Roolvink.
Ze zeggen dat Koekoek hem niet begreep in dat debat voor de televisie, maar ook
een verstandig man zou deze Roolvink niet begrepen hebben. Die man 'dacht'
altijd maar, en 'stelde' maar en vooral: hij 'dacht' te 'mogen stellen'. Ik
verafschuw zulke stellers en die denkers in de verleden tijd. Als je de vijf
fractievoorzitters de avond vóór de verkiezingen bij elkaar zag, dan leek het
of ze allemaal van dezelfde partij waren. Niet dat ik pro Koekoek ben, ik ben
geen boer, ik verkoop geen melk. De enige partij waarvan de woordvoerders een
fatsoenlijke maar dikwijls te argeloze indruk maken, is toch de PSP. Maar het is
een partij uitsluitend voor intellectuelen. Dat is de ellende in Nederland: alle
partijen zijn kastenpartijen, waarbij de christelijke partijen helemaal iets
treurigs zijn; hebben niets van belang te vertellen. Beernink zegt: de CHU neemt
een eigen plaats in. Ja, dat doet het asbakje daar op die tafel ook. En dan de
PvdA. De PvdA zit, waar ik vijftien jaar geleden al tegen gewaarschuwd heb, nog
altijd in Ter Braak te lezen. Schipperen, hè! [Het heeft niet eens zo erg lang
geduurd voordat Hermans op dit thema terecht is gekomen. Hij zal het in de loop,
van het gesprek, op mijn
uitnodiging, nog enige malen aanvatten. Nu
blijven we nog even bij Koekoek, van wie Hermans het meest opmerkelijke vindt,
dat hij de TV weet te bespelen, in tegenstelling tot de andere 'politici'. Gisteravond
hoorde ik hem voor de radio zijn kiezers bedanken. Dat was precies een
toespraakje van de voorzitter van een feestvierende vereniging. En hij maakte
propaganda voor het blad De Vrije Boer - de handelingen van de Tweede
Kamer stonden er ook in, zei Koekoek - maar verdomd: hij vergat te vertellen,
hoevéél je moest storten, nadat hij wel het gironummer had vermeld. [De
verteller heeft in dit verhaal een niet onverdienstelijke poging gedaan Koekoek
te imiteren; 15 jaar Groningen dragen vrucht.] De mensen,
zegt Hermans, praten over fascisme en lezen Ter Braak en zo, maar als dit alles,
vrijgezellenbelasting, hoge kindertoeslagen, geen bankgeheim, landbouwschap en
zo, in de tijd van Ter Braak hadden bestaan, dan had je eens moeten horen!
Koekoek is tegen dingen die in Ter Braaks tijd helemaal niet bestonden in
Nederland. Wéér Ter Braak. Waarom toch deze volgehouden kruistocht
tegen Ter Braak, vraag ik. Het is geen kruistocht. Ik constateer alleen steeds een verering bij bepaalde mensen van een auteur die passé is. Ter Braak wist heel weinig van het fascisme en niets van politiek. Dat hij tegen het fascisme was, dat was normaal. Jef Last was dat ook, en Maurits Dekker, zelfs Huizinga die was allesbehalve progressief, maar toch tegen het fascisme. Kijk, Ter Braak, was in eerste aanleg helemaal geen man van links, hij nam de fascisten kwalijk dat zij Nietzsche volgens hem verkeerd interpreteerden, maar of ze dat deden is voor mij nog maar de vraag [heel plechtig nu, en meteen daarna met iets van geamuseerde verontschuldiging]: Met iets
over Ter Braak of Du Perron te zeggen hier, daar maak je iets mee los, dat is
onvoorstelbaar. Maar dat aanvallen van Ter Braak, doet u dat nu uitsluitend
om te pesten of is het een soort beginselverklaring? [Hermans
lacht nu zeer breed, het soort lach dat in beschrijvingen van hem sardonisch
genoemd pleegt te worden. Maar het is meer een plezier zonder vreugde, en
tegelijk een uitnodiging tot medeplichtigheid aan zijn woorden. Lachend op deze
wijze antwoordt hij]: Nee, het
is niet uitsluitend om te pesten. Als ik Ter Braak werkelijk een groot denker
zou vinden - hoewel natuurlijk passé -, maar ik vind het zo'n figuur die groot
geworden is bij gebrek aan beter. Maar Gomperts heeft toch althans de meeste van uw boeken goed
besproken. Oh, in het
begin helemaal niet. Hij is er tien jaar te laat mee geweest. In tegenstelling
tot Ter Braak heeft Gomperts nooit oog gehad voor de literatuur die in zijn
eigen tijd ontstond. Gomperts praatte bijvoorbeeld over Lucebert net als
Roolvink nu over de provo's. En na een paar jaar neemt men dan in het duister
zijn draai en wordt dan tenslotte hoogleraar. Je kunt je afvragen wat de
letterkunde er mee gebaat is, als iemand professor wordt die zegt, dat
literatuurkritiek niet alleen met het hoofd, maar ook met het hart bedreven moet
worden. Wat schiet de wetenschappelijke literatuurbeschouwing op met dergelijke
banaliteiten. Ik kan me vergissen, maar ik geloof dat Roolvink - of was het
Beernink? - precies hetzelfde gezegd heeft over het stemmen. [Hij voegt
er nog het een en ander aan toe, maar verzoekt mij uitdrukkelijk dat niet te
noteren. Ik voldoe aan dit verzoek, kán ook niet anders, want deze conditie
ging gepaard aan de toezegging van het interview. Ik vraag of deze
voorzichtigheid er op zou kunnen wijzen, dat hij in de loop der jaren milder is
geworden.] Nee. Kijk,
zo'n boek als Mandarijnen op
zwavelzuur beschrijft een periode van 10 jaar. Dat vind ik genoeg. Als
je één vlo goed hebt beschreven, heb je ze allemaal beschreven. En bovendien:
als je zoiets als Mandarijnen op zwavelzuur schrijft, heb je
moeite om het gepubliceerd te krijgen. Maar als je het NIET doet, zegt u dat het
gemist wordt. We komen,
haast vanzelf, op Zo is het. Hermans, vrij gretig televisiekijker naar
later zal blijken: Ik heb
zo'n idee, dat de geërgerdheid van de kijkers wordt bekokstoofd op de redactie
van De Telegraaf, waar ze die ingezonden stukken natuurlijk zelf
bedenken. [We praten
over het soortgelijke Engelse programma, dat verboden werd, en over de pogingen
van verschillende kanten om er ook in dit land vanaf te komen. Ik verkondig de
mening, dat Zo is het alleen kan bestaan bij de gratie van het zuilensysteem.
Hermans gelooft dat niet]: Ik ben er
van overtuigd, dat bij een commerciële televisie zo'n programma een kans zou
krijgen. Het zou toch prachtig zijn na ieder schot van Zo is het: pats,
rook Camel sigaretten? Jacques Gans kon vroeger ook alleen in obscure blaadjes
schrijven. Later zag De Telegraaf er brood in. De Telegraaf is
namelijk ook satire, maar niet zo geestig. Ik weet niet of u de laster gelezen
hebt die ze over de 63 indieners van dat adres hebben geschreven, maar daar zou
toch eigenlijk over geprocedeerd moeten worden. [Hier
volgt een klein intermezzo over Nooit meer slapen, dat ik
voorlopig nog even oversla. Details zijn niet interessant; het is gewoon een
boek, als elk boek van Hermans, dat gelezen moet worden en niet besproken, zoals
trouwens door recensenten al overvloedig is aangetoond. Ik vraag of de
Donkere
kamer van Damocles inderdaad tegen
J.B. Charles geschreven was. Hermans
ontkent]: Dat is
alleen een waanidee van hemzelf. Ik heb bij het schrijven werkelijk geen
ogenblik aan de brave man gedacht. Het is eigenlijk nooit in mij opgekomen hem
te vergelijken met een verzetsfiguur. Vindt u dat er in Nederland goed geschreven wordt? Nee, [zegt
W.F. Hermans, en op de vraag wat hij van Van het Reve denkt]: O, dat is zoiets
naars. Van het Reve is het voorbeeld van een zeer begaafd auteur, die door de
verhoudingen hier bedorven wordt. In het begin was hij zijn tijd vooruit,
schreef dingen die later door Pinter geschreven zijn. Maar toen heeft hij zich
vreemde illusies in het hoofd gehaald, dat hij met schrijven zelfstandigheid zou
veroveren, waardoor hij nu de pias moet gaan uithangen en in een wit
behangerspak in Carré moet optreden. Van het Reve is gecapituleerd voor zijn
publiek. Ik heb hem er voor gewaarschuwd en [weer die lach van daar straks] net
als de PvdA had hij naar mij moeten luisteren. Ik wil u ook wel zeggen, wat ik
dertien jaar gelden heb gezegd toen hij erover begon te praten van dat hij
Nederland wilde verlaten en zo. Als hij dat echt had gewild, had hij naar Canada
moeten emigreren, daar de taal leren en dan in die taal opnieuw beginnen. Maar
niet even naar Engeland overwippen en dan een boek uitgeven bij
Van
Oorschot. Je
moet iets voor honderd procent willen en anders kan je het net zo goed laten. Maar Op weg naar het einde was toch wel ontzettend
goed? Ja, het was een verbetering na die tien droevige of vrolijke verhalen. Maar nu met die nieuwe brieven ben ik bang dat het een soort Justus van Maurik of de oude heer Smits wordt. Als ik dit allemaal hoor, zeg ik, is het toch wel jammer dat
u niet van tijd tot tijd nog wat Mandarijnen laat verschijnen. Ik lees
niet veel. Als ik mij ontspannen wil, lees ik encyclopedieën of het woordenboek
van Littré. Als je zelf schrijft, kom je minder tot lezen. De meeste mensen
denken dat het schrijven langzamerhand makkelijker wordt naarmate je het meer
gaat doen. Dat is niet zo. Je denkt bovendien alleen nog maar aan schrijven,
niet aan lezen. U zegt, dat u niet veel leest. Ook geen buitenlanders?
Daarstraks had u het over Pinter. Zes jaar
geleden zag ik Pinter in Londen, De huisbewaarder. Ik dacht meteen: hé,
dat is Van het Reve. Ik moet er nog even aan toevoegen dat hij ook wel miskend
is, ondanks zijn succes. Wat trouwens vaak samengaat. Maar hij is naar de
verkeerde waardering toe gaan schrijven. Wat denkt u over Merlyn? Het kwam met een nieuw idee, maar kon het niet waarmaken. Dat was vooral duidelijk als het polemisch werd. Dan werd de close reading weer vervangen door de gebruikelijke amateurpsychologie, enfin, de gewone laster werd weer in werking gesteld. Behalve dat: Fens b.v. heeft al close readend een kritiek over Nooit meer slapen geschreven. Nu meende hij dat het oorspronkelijk een reisreportage is geweest waar later metafysische elementen in zijn gestopt. U moet mij geloven als ik zeg dat het in chronologische volgorde is geschreven, dat wil zeggen: eerst de eerste hoofdstukken, en tenslotte het laatste hoofdstuk. Zoiets als Fens zegt, kan iemand alleen uit een boek opmaken als hij niet begrijpt dat het metafysische organisch samenhangt met de rest. U hebt die kritiek niet gelezen? Dan zal ik hem er even bijhalen, dan kunnen we even close reading bedrijven. [Hermans
loopt naar een kast, haalt er een knipselmap uit, zet een bril op met zeer grote
glazen, die zijn hoofdberoep ineens weer geloofwaardig maakt, en begint docerend
voor te lezen; met zachte verwijten als: 'nonsens, hé?' en 'dat staat er niet'.
Hij verwacht geen instemming. We praten over het interview, voor de televisie
uitgezonden nog voordat het boek uit was en de kritiek daarop, dat dit uit
reclameoverwegingen zou zijn geschied. Hij vertelt dat hij pas vlak voor het
tijdstip van opname in de studio arriveerde - buiten zijn schuld - en dat er
geen gelegenheid meer was om iets door te praten. Slotconclusie]: Wat mensen
al niet verzinnen om mij onaangenaam te zijn, dat is fantastisch. Hebt u daat last van? Nee, ik
probeer tenslotte niet financieel onafhankelijk te zijn. Zou u zich kunnen voorstellen, dat u alleen maar zou
schrijven en er verder niets naast zou doen? Op den
duur niet meer geloof ik. Veel mensen kijken ertegen op dat ik hier lector ben.
Maar in het buitenland is die combinatie toch heel gewoon. Nabokov was professor
in de entomologie. U moet niet denken, dat ik dat lectoraat als bijbaantje zie.
Zo'n studie als deze had ik niet gedaan, als ik er geen belangstelling voor had
gehad. Maar ik zou het om een of andere reden niet willen: het idee om in
Nederland als schrijver te leven, zou betekenen het typische schrijversleventje
leiden: op het Leidseplein hangen en reclametekstjes schrijven voor OMO. Dit is eigenlijk het eerste boek, waarin uw andere leven zo
duidelijk is verwerkt. Niet voor
het eerst. Wel voor het eerst zo expliciet. Maar ook in
Conserve
en in
De tranen der acacia's zat het al. Hebt u wel het gevoel dat u in de loop der jaren als
schrijver de erkenning hebt gevonden waarop u meende recht te hebben? De hele
positie van de literatuur en de schrijvers wordt door mij niet erg hoog
aangeslagen.Ik ben in dat opzicht een Nederlander als andere Nederlanders... Ja,
de hele culturele situatie is hier zo, dat het schrijven geen serieuze zaak is.
Je wordt dan door de rest van Nederland in een hok geduwd waar ik me op den duur
niet thuis voel. En dat wordt door de schrijvers zelf in de hand gewerkt. Je
wordt een pias en dat wil ik niet. Van het Reve wil het publiek diets maken dat
dit alles zo hoort. Gerretson heeft dat soort dingen, dat een schrijver een
landloper hoort te zijn of een clown, al tientallen jaren geleden in een
interview met
's-Gravesande gezegd. Maar die kon het zeggen, die was directeur
van de Shell. In het buitenland is het soms anders. Iemand als Sartre is toch
geen pias? In de zin die u bedoelt misschien toch wel enigszins. In de
zin dat hij zich ook met de maatschappij bezig houdt, mee demonstreert, adressen ondertekent. Ja, maar
Sartre had ook hoogleraar in de filosofie kunnen worden. Maar dat wil-ie niet.
Maar in Nederland, zelfs al word je eredoctor, zoals Vestdijk, heeft de
literatuur niets om het lijf. Maar Vestdijk heeft medicijnen gestudeerd en is toch
uitsluitend schrijver geworden. U hebt dat niet gedaan. Ja, maar
hoor eens. Huisarts is toch iets heel anders dan docent aan een universiteit.
Als huisarts kun je er inderdaad niet nog bij schrijven ook. Maar hoe vindt u dan dat gevoel van: ik ben wel schrijver,
maar ik heb daarnaast ook nog een eerbaar beroep? Dat vind
ik in zekere zin een nadeel. Ik zou het prettig vinden als aan dat universitaire
werk door de buitenwereld minder nadruk werd gegeven. Om het grof te zeggen: ik
zou het vervelend vinden - en dat is ook de reden waarom ik na '55 minder gul
ben geworden met kritiek op schrijvers: ik ben bang dat dan de mensen zouden
zeggen: Hij heeft gelijk want hij is doctor. Sartre heeft de Nobelprijs
geweigerd omdat hij niet wilde dat de mensen zijn boeken kochten omdat
hij de Nobelprijs had gewonnen. Maar u hebt toch niets te maken met de motieven waarop de
mensen besluiten uw boeken te kopen. Ja, maar
wel met de gronden waarop ze ze beoordelen. Hoogleraren en dergelijke hebben
zoveel aanzien hier, dat ik niet wil dat de mensen een roman van je waarderen
vanwege het prestige dat het beroep heeft dat je toevallig óók nog uitoefent. Voelt u zich overigens thuis in zo'n academisch gezelschap? Ach, wat
is thuis? U moet zich ook niet voorstellen dat dat zo'n geweldig gezelschap is,
in de zin van gemeenschap. Daarvoor liggen de specialisaties ook te veruit
elkaar. Een domme
journalist heeft eens opgemerkt: waarom gaat Hermans zo te keer tegen
literatoren en niet tegen de universiteit? Het antwoord is eenvoudig dat de
wetenschap hier wel op een veel hoger peil staat dan de literatuur. Als u de
universiteit vergelijkt met andere culturele instellingen die de westerse
beschaving heeft voortgebracht, het leger en de kerk, slaat de universiteit toch
echt geen slecht figuur. U gebruikt uw universiteit dus niet als een
ontsnappingsclausule om aan te geven dat u ook nog wel wat anders kunt dan romans schrijven. Overigens hebben we het nog niet over
het nadeel gehad van met studenten te moeten omgaan. [Zeer
alert] O, studenten? Daar wil ik niets over in de krant hebben, hoor. Of waarom
ook niet? Studenten zijn erg lief. Lezen ze uw boeken? Dat heb ik
ze nooit gevraagd. Het enige dat me bij studenten interesseert is of ze bepaalde
door mij te stellen vragen bij u bekende gelegenheden, examens genaamd,
bevredigend beantwoorden. Verder interesseren ze u niet? Nee, niet
wat ze privé denken. Bent u gehecht aan
het universitaire
milieu? Ja. De
universiteit is toch altijd een soort wijkplaats voor de individuele vrijheid.
Het is niet ideaal, maar geen enkel particulier bedrijf kan het er bij halen.
Ja. Maar dit kunt u er wel bijzetten: mijnheer
Nuis, die hier ook nog in
Groningen heeft gezeten, heeft voorgesteld om schrijvers aan universiteiten te
verbinden. Een realistisch bezwaar tegen dit plan is, dat b.v. Simon Vinkenoog
geen zin zou hebben naar Groningen te verhuizen. Maar in principe is het niet
zo'n gek idee, want een schrijver verricht eigenlijk een soort research. Hoe schrijft u eigenlijk? Die vraag
valt me eigenlijk van u tegen. U bedoelt natuurlijk de manier waarop ik schrijf.
Ja. Een heleboel schrijvers urmen zo van dat ze alles dertig keer overschrijven.
Dat heb ik niet. Ik geloof wel, dat ik meer zou kunnen schrijven als ik in een
ander taalgebied leefde. Er is een wisselwerking tussen de taalgemeenschap en de
schrijver. Ik ben me er teveel van bewust dat in deze taal in honderden jaren
niets bijzonders is geschreven. Ik heb medelijden met de mensen die Nederlands
moeten studeren, die zich bezig moeten houden met teksten waar niets
interessants in staat. De Nederlandse literatuur is wel eenzijdig:
toneel is er
nauwelijks. Bij toneelspelers is er geen enkele belangstelling voor: Ik ben nog
nooit een regisseur tegengekomen die tegen me zei dat hij een hongerstaking zou
beginnen, als hij geen stuk van me kreeg. Guus Oster vertelt Bibeb dat geen
enkele Nederlandse auteur toneel kan schrijven. Nou dan! Een jaar of achttien
geleden wilden ze Coen van Slauerhoff opvoeren, wat toen tijdens de
politiële actie natuurlijk geweldig was geweest. Juist daarom werd het
verboden. Maar het is ook later nooit opgevoerd: het interesseert ze gewoon
niet. Curieus is ook het belang dat hier in Nederland aan lyriek wordt gehecht.
Dat hangt samen met de kleinheid van het land. Lyriek blijft in zo'n klein
taaltje het langst leven. In een land als Frankrijk zijn de lyrici gewoon
aardige mensen met zo nu en dan een leuke inval. En neem een man als Baudelaire:
bij hem zijn de
poëzie, de essays én de vertalingen vanuit dezelfde optiek
geschreven. Maar in Nederland heb je dichters die zeggen: ja, een gedichtje
kan ik schrijven, maar proza, dat kan ik niet. Dat is toch waanzinnig? Zou er op dit moment nog een proces tegen Ik heb altijd
gelijk gevoerd kunnen worden, of gelooft u dat intussen de mentaliteit is
veranderd? Nee, er is
nu iets veranderd. Ik wil niet zeggen onder invloed van het boek, maar er wordt
opener gepraat over al die toestanden die nog steeds bestaan. Toch heb ik met
dat boek gelijk gehad, én over het probleem van de overbevolking én over de
woningnood. De derde kwestie: dat Nederland op weg was een Balkanstaat te
worden, waar je door de wegen heen zou zakken, en door de huizen heen blazen, en
zo, dat is nog niet helemaal uitgekomen. Nóg niet... Nederland is een
zogenaamde welvaartsstaat, maar eigenlijk balanceert het op de rand van de
afgrond. Op Italië na is Nederland het armste land van de EEG. Dat komt
natuurlijk onder andere door de overbevolking. Er hoeft maar iets van een crisis
in de wereld te ontstaan, en Nederland zal een onvoorstelbaar harde klap
krijgen. [Hierna
hebben we het over het verfilmen van zijn Donkere kamer waar
Hermans niet op in wil gaan. Wel wil hij iets zeggen over de Nederlandse film in
het algemeen]: Laat ik er
dit van zeggen: het verfilmen van een paar billen is niet alles. Ja, schrijft u
dat maar op. Fons Rademakers is een aardige man, die mij altijd aan het lachen
maakt. Bovendien is hij de enige die een speelfilm kan maken en die niet zo
geweldig aan het 'improviseren' wil als Brusse of Haanstra.
De films van
Rademakers zijn niet volmaakt, maar je moet toch ergens beginnen. En de rest van
wat ik hierover zeg, moet u toch schrappen, dus u kunt zich de moeite besparen
om het op te schrijven. Waarom toch zo voorzichtig, u hebt toch niets te verliezen? Ik ben me
er van bewust dat het vragen om een interview te lezen vóór publicatie een
typische regentenmentaliteit is. In Engeland en Amerika is zoiets dan ook
ondenkbaar. Maar vergeet u niet: een politicus moet het er van hebben, van die
interviews. Een schrijver niet. Ik ben geen minister of afgevaardigde die
verantwoording schuldig is aan het publiek dat hem gekozen heeft. En ik kan u
verzekeren dat ik mijzelf met de interviews die ik in mijn leven heb
afgescheiden geen goed heb gedaan. Kijkt u veel naar televisie? Ja, vooral
naar Brandpunt en Achter het nieuws, dat vind ik het
onderhoudendst wat de TV te bieden heeft. En dan is de Duitse TV, bij voorbeeld
wat toneelstukken betreft, erg goed. Hebt u het gevoel, dat u op dit moment meer 'erkend' bent dan
tien jaar geleden in Nederland? Kijk, als
Van Gogh was blijven leven, was hij miljonair geworden. Als Kafka niet jong was
gestorven, had hij de tijd nog beleefd dat hij als pocketbook werd uitgegeven.
Oudworden is het grote geheim. Toch ben ik in essentie misschien niet erkend. Ik
word (sic! mg) nu in grote getale gelezen, maar dat kan er
ook aan liggen dat ik een betere uitgever heb. Wat is dan het criterium voor erkenning volgens u? In
hoeverre iemand die het boek leest, de hoofdzaken eruit pikt, of begrijpt. Is er zo'n criticus? Freddy de
Vree bijvoorbeeld heeft dingen geschreven over Nooit meer slapen
die geen een criticus hier in zijn hoofd zou halen. Ik heb er nooit een geheim
van gemaakt, dat ik mij geweldig voor Freud interesseer. Kijk maar in mijn
boekenkast: er zijn weinig schrijvers die ik zo compleet bezit als Freud. En dan
denk je: Freud is erkend, elke criticus kent hem. Maar als je dan goed oplet,
merk je dat de meesten zijn ideeën niet kunnen hanteren. Ze denken zo gauw dat
iets vieux jeu is en hebben het niet in de gaten, als een auteur er gebruik van
maakt. Een
criticus vond het bijvoorbeeld onwaarschijnlijk dat Alfred op een bepaald moment
de verkeerde weg inslaat. Terwijl ik dat moment toch uitvoerig heb voorbereid.
Het is een duidelijk voorbeeld van een Fehlleistung. Alfred leest zijn kompas
verkeerd af, omdat hij onderbewust Mikkelsen achterna wil, die de luchtfoto's
heeft. Dan denk je toch: schiet ik nou te kort of is hij te stom om het te
begrijpen? En dan denkt u automatisch het tweede? Niet
automatisch, maar ik neig er wel toe. U zegt nu: dan denkt u automatisch het
tweede. Het lijkt er dus kennelijk op, dat ik zelfingenomen ben. Maar dat is
niet zo. Ik heb u al gezegd: schrijven wordt gewoon moeilijker naarmate je het
meer doet. En dat meen ik inderdaad. [Ik weet
niet meer hoe, maar in deze fase van het gesprek komen we op Tegenstroom
dat Hermans (en Van het Reve) de enige grote schrijvers van Nederland vond.
Bezorgd vraag ik Hermans of ik niet te veel van zijn tijd verg]. Nee, [zegt
hij], dat is een van de dingen die ik bewonder in Fidel Castro, dat hij zich tot
diep in de nacht laat interviewen. En dan over Tegenstroom: Die jongens
roeiden inderdaad tegen de stroom in. Die plegen voorts een daad die alles wat
de Nederlandse auteurs in de loop der tijden aan misdaad hebben gepleegd, in de
schaduw stelt. Dezelfde critici die hier Jean Genet bejubelden, schreven over Tegenstroom
dat het door Elsevier betaald werd en toen ze de waarheid te horen kregen,
hebben ze niet erkend dat ze hadden gelogen. Waarmee hebt u dat image toch opgebouwd - of misschien moet
ik zeggen: waaraan hebt u dat image te wijten - van een groot schrijver die toch
een rotzak is? Het is
mogelijk hetzelfde soort laster als dat alle partijleiders vinden dat Koekoek een
fascist is. Ja, maar ik zei niet: fascist. Ik zei: groot schrijver-rotzak.
Zoiets dus als wat over Céline wordt gezegd. Céline is een ander geval. Met bepaalde dingen van Céline heb ik wel enige moeite. Maar als u iets van Céline wilt weten, ik heb een plaat waarop hij wordt geïnterviewd over zijn houding tijdens de oorlog. [Dus
verhuizen we in het nu volkomen stilgeworden huis naar de voorkamer. Hermans zet
de plaat op, neemt de veertienjarige maar nog steeds vitale kat 'Cals' op
schoot, en we luisteren naar de aanvankelijk stotterende, later ferm wordende
stem van Céline, die zich per zwarte schijf verdedigt tegen de aantijging dat
hij door de nazi's werd betaald, met de woorden: 'Je suis femme du monde, mais
non pas putain.' Daarna gaan we terug naar de oude plaats van samenkomst.
(Hermans: U zult toch wel weer iets willen opschrijven)]. [Dan]: Ik
weet niet waarom men mij voor fascist houdt...
Morriën heeft een stuk
geschreven, waarin werd gesproken over mijn pessimistische energie... dat werd
voor de oorlog de fascisten wel aangewreven. Zo van: we geloven nergens in, maar
zo kun je niet leven. Dus we nemen iets bij de kop, en daarvoor gaan we vechten
en desnoods sneuvelen. Maar het lullige van de Nederlandse beschouwingswijze -
en van Ter Braak, al kom ik er dan weer op - er zit veel meer aan het fascisme
vast dan die filosofie. Ik heb nooit de leidersidee of wat dan ook verdedigd.
Alleen: ik heb nooit principieel in de goedheid van de mensen geloofd. Maar wie
zegt dat fascisten dat niet deden? Die waren vóór 'reinheid' en vóór blonde
vlechten zonder lippenstift. Trouwens om op het Nederlandse provincialisme terug
te komen: De donkere kamer is in de communistische Lettres Françaises
en de linkse France-Observateur zeer lovend besproken, zowel het boek als
de film. Dus wat wil men nou hier met het fascisme van Hermans? Maar hier
schreef de zich links noemende Jef Last opgewonden ingezonden stukken naar De
Groene en Het Parool. Men is er gewoon helemaal naast. Hebt u zelf het idee, dat er een zekere ontwikkeling in uw
werk is aan te wijzen. Dit boek maakt op mij bijvoorbeeld de indruk, dat het
losser, met iets van ongewilde vrolijkheid hier en daar, is geschreven. Ik heb
om sommige passages, misschien geheel
tegen uw wil, zeer hartelijk gelachen, meer
dan ik dat in sommige vorige romans had. Ik zou me
kunnen voorstellen, dat dit boek iets meer gedetacheerd is dan de vorige. Maar
dat is geen ontwikkeling. Het kan best zijn, dat het volgende boek weer anders
is, Maar uit uw opmerkingen leid ik af, dat u oog hebt voor de tragikomische
kanten van dit boek. Dat vind ik fijn. Maar dat die vrolijkheid ongewild is, is
een misvatting. Zeg maar: de auteur zegt, dat bij zijn andere boeken ook
gelachen mag worden. Vindt u dat er een zekere overeenkomst zit in de hoofdfiguren
van De donkere kamer van Damocles en van Nooit meer slapen? De
mislukking bijvoorbeeld, de onmacht om het gestelde doel te bereiken, zij het
door uiterlijke omstandigheden vaak. De hoofdfiguren zoeken allebei naar iets wat ze niet vinden. Sommigen denken van dit boek dat het handelt over een geweldige mislukking. Dat heb ik eigenlijk niet zo bedoeld. Ik had eigenlijk als motto een citaat uit Newton moeten gebruiken, die toch in het oog van de wereld geen mislukking was [hij citeert uit het hoofd, en heeft het citaat zo in zijn hoofd, dat de aangehouden pauzes kennelijk meer dienen om mij het schrijven te vergemakkelijken dan om geheugenstoornissen op te vangen]: 'Ik weet
niet hoe anderen mij zien, maar in mijn eigen ogen ben ik toch niet veel meer
geweest dan een kleine jongen die aan het strand speelt om zich te amuseren een
steen of schelp opraapt omdat die gladder of mooier is dan een andere,
terwijl... [mompelend] ... terwijl the ocean... of ... ik weet niet meer wat...
o ja, terwijl de oceaan van de waarheid, ondoorvorst, vóór hem ligt.' In mijn
boek is geweldig belangrijk of grote wetenschappelijke ontdekkingen helemaal aan
het toeval moeten worden toegeschreven of niet. Daarover is een studie gemaakt
door Ernst Mach, misschien weet u niet wie dat was, maar als u een zoontje hebt
zal die zeker uitroepen: ja, pa, die ken ik. In het begin van Nooit meer
slapen zegt prof. Nummedal - die wel getikt is, maar ook dingen zegt die
waar zijn: de geoloog is gelijk aan de goudzoeker. En dat is zo. Iedere
onderzoeker, misschien. Is Nooit meer slapen een sleutelroman? Als u er ooit
de gelegenheid voor zou hebben gehad, zou het wel met dit boek zijn, met al die
geologen. Nee, niet
één van mijn romans is een sleutelroman. Alle figuren zijn synthetische,
gefantaseerde persoonlijkheden. Ik vind dat het gemaskerd schrijven van een
pamflet. Dan zou ik liever een pamflet schrijven. Ik probeer een roman te
schrijven, die sui generis is. De mensen vinden een roman fijn als er bekende
toestanden in voorkomen. Dat laat me koud. Een roman moet niet de wijn geven,
maar het bouquet. Niet de reportage, de journalistiek, maar wat ik dan de
essentie ervan vind. Maar waarom dan toch niet daarnaast nog de pamfletten? Iedere
generatie heeft toch weer zijn eigen vlooien. Ja, maar
de mutatie gaat niet zo snel. Of bent u misschien te geëngageerd geworden met de
maatschappij om nog pamfletten te schrijven? Nee, dat
is niet zo. Ik heb het idee, dat u veel ontoegankelijker wilt schijnen
dan u in werkelijkheid bent. Integendeel,
ik wil veel toegankelijker zijn dan ik schijn. Ik heb eens een verhaal gehoord, dat Gomperts u tijdens de
moeilijke periode van uw proces over Ik heb altijd gelijk, zijn oprechte
steun heeft aangeboden. En dat u niet alleen die hulp van de hand sloeg, maar
hem zelfs een korte handdruk tijdens het proces verder volstrekt negeerde. Wat
bedoelt u met zo'n houding? Die
anekdote is in grote trekken juist. Maar dat is de moeilijkheid altijd in dit
soort zaken. Gomperts is geen onaardige man, hij is redelijk goed gemanierd,
maar als essayist, als criticus, vertolkt hij zó de stem van de betere amateur,
die toch net niet weet waar het allemaal om gaat en dan de boot mist. En dat is
nóg zo, maar dat is met die Leidse leerstoel altijd zo geweest. U weet dat ik
Ter Braak niet zo hoog aansla, maar Gomperts is pertinent minder. Aan Gomperts
hebben Lucebert en ik toen we begonnen nooit iets gehad. Slauerhoff heeft aan
Ter Braak wél iets gehad. Toen het eerste stuk van De tranen der acacia's
in
Criterium verscheen, zeiden velen: Dat is pornografie, en Gomperts was één
van die velen. Ik geloof toch dat Gomperts ook De tranen goed heeft
beoordeeld. Ja, toen
het als boek verscheen, merkte hij kennelijk dat anderen het goed vonden. We
hebben het daarstraks over de positie van de letterkunde gehad in Nederland. U
hebt het gehad over mijn 'dubbelleven', en u vroeg of ik dat lectoraat als
ontsnappingsformule had. Dat is niet zo. Maar ik wel gemerkt, dat ik in mijn
wetenschappelijk werk door mijn schrijven van romans ben getekend. Ik zal u eens
een voorbeeld geven. In de tijd 'dat wij Nieuw-Guinea nog hadden' wilde ik mee
met een wetenschappelijke expeditie naar het Sterrengebergte, wat voor mijn
wetenschappelijke carrière van belang is geweest. Ik wilde dan ook erg graag
mee. Toen zei men: Ja, dat is toch wel moeilijk, want jij staat bekend als
antipapist en de expeditieleider, dr. Brongersma, is rooms. Alsof ik die man de
hele tocht lang zijn katholicisme zou hebben nagedragen! Terwijl ik misschien
een heel interessant boek over die expeditie had kunnen schrijven. Denkt u niet?
Ik hoop tenminste dat u dat denkt. Nu raakt die expeditie in de vergetelheid,
niemand heeft er iets blijvends over geschreven. En laten we nu eens zeggen dat
ik er een niet wetenschappelijk boek, maar een roman over had geschreven. Dat
had men in Nederland niet alleen als franje beschouwd, maar ook als iets
krankzinnigs. Je moet je de situatie in andere landen natuurlijk niet té
rooskleurig voorstellen, maar in ieder geval is schrijven in Nederland
toch niet meer dan schrijven. Je hebt als schrijver volstrekt geen
prerogatieven. Als er iets plezierigs aan het schrijven is, dan is dat het
schrijven zelf. Verder zie ik, maatschappelijk, alleen maar nadelen. [Het is
half zes. Het gesprek is ten einde. We lopen de naderende ochtend in, en stappen
in een witte Morgan uit het jaar (?) waaraan Hermans eerst nog even wat heeft
gesleuteld, snel, efficiënt. Vlak bij het station slippen we, draaien om onze
as, en komen aan de andere kant van de weg tot stilstand. Hermans is ontdaan]:
Dat is me nog nooit gebeurd, [zegt hij als na een nederlaag. Nu pas ziet hij dat
een dikke laag ijzel op het asfalt ligt. We rijden het laatste stukje naar het
station en ik stap uit, bedank hem voor zijn gastvrijheid. 'Zult u voorzichtig
terug rijden,' zeg ik hem. Peinzend kijkt hij me aan en rijdt weg. Vrij snel].
Voor de (her)publicatie van dit interview werd toestemming verleend door: ©
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
|
|
Bezoek deze pagina's in uw eigen volgorde Plaats "WILLEM FREDERIK HERMANS" bij uw favorieten Ach, waar bemoei ik mij eigenlijk mee?
KENNISMAKEN MET WFH --- SPELLETJES MET WFH LUISTEREN NAAR WFH --- BIJSCHRIJVEN OVER WFH --- ADVERTEREN MET WFH NAAR DE FILM MET WFH --- AUTOBIOGRAFIE VAN WFH MULTATULI EN WFH --- SCHRIJFMACHINES VAN WFH TIJDSCHRIFTEN OVER WFH --- PLAATJES KIJKEN MET WFH WEINREB, EEN KWESTIE VAN WFH --- BOEKJES LEZEN MET WFH RIJMEN MET WFH --- WITTGENSTEIN EN WFH --- NAAR ZWEDEN MET WFH? AANDENKEN AAN WFH --- OP TONEEL MET WFH --- INTERVIEWS MET WFH POST VOOR WFH --- TE GAST BIJ WFH
Bij het samenstellen van deze site heb ik gepoogd bestaande rechten op tekst en afbeelding te eerbiedigen. Mocht er toch nog bezwaar zijn tegen het gebruik van materiaal, laat u dat dan onverwijld weten?
De links naar de verschillende pagina's werden voor het laatst bijgewerkt op: zaterdag 23 december 2006 |