|
INTERVIEW MET WFH
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
Soma, 1970-71, nr 10/11
Het
gesprek vindt plaats ten huize van uitgeverij De Bezige Bij, waarvan de directeur,
de heer
G.
Lubberhuizen, tevens aanwezig is. Voor
we beginnen: op interviews heb ik altijd tegen dat er nooit letterlijk inkomt
wat je letterlijk gezegd hebt. En bovendien, ik ben tenslotte een schrijver,
geen spreker. Als ik zo zit te praten, dan druk ik me meestal heel erg gebrekkig
uit. Dus, ook al staat het op een band, dan is dat nog van nul en gener waarde.
Ik heb vroeger wel eens bedacht, en ook bij interviews gezegd: hoor eens meneer,
ik moet dat allemaal eerst lezen en corrigeren. Maar dat is vreselijk
omslachtig. Alles wat ik zeg blijft voor uw verantwoording.
Ik zal het niet corrigeren, u kunt schrappen, u kunt het door elkaar
hutselen. Maar dat van die verantwoording moet er wel in. Dat zullen we er inzetten. Goed
zo. Meneer Hermans, onze vragen zijn, misschien jammer genoeg,
nogal uitgebreid. Het zijn ook geen zakelijke vragen, als 'Houdt u van spinazie?', of... Nee
- ja, die vind ik ook erg lekker. Lubberhuizen:
Brussels lof? Nee,
dat vind ik ook wel lekker maar die bedoel ik niet. Selderie heet dat geloof
ik... Dan is dit onze eerste vraag: in Voer voor Psychologen zegt
Harry Mulisch ergens dat het pessimisme van Hermans en Van het Reve mogelijk
terug te brengen is op het feit dat hun puberteitsjaren vielen in de dreiging
van de Tweede Wereldoorlog. Hijzelf zou optimist zijn, omdat er voor hem steeds
een bevrijding in zicht was. Hoe staat u tegenover deze visie wat uzelf betreft? Wat
mezelf betreft, moet ik zeggen dat ik nooit die Tweede Wereldoorlog als een
bedreiging heb gevoeld. Ik herinner me dat ik op ongeveer 17, 18-jarige
leeftijd, toen het Akkoord van München afkwam, dacht: hè, jammer, het gaat
niet door. Want je had wel eens gehoord over oorlogen. Moet ik dan mijn hele
leven doorbrengen zonder ooit iets van een oorlog meegemaakt te hebben? Dat is
toch ook treurig. Je hele opvoeding word je volgepropt met verschrikkelijk fijne
oorlogen: Punische oorlogen, Tachtigjarige oorlog. Dus dat was helemaal niet
zo'n bedreiging voor de mensen van onze leeftijd. En exact, of bijna exact
hetzelfde, komt dat ook bij Van het Reve voor, ik meen in De ondergang van de
familie Boslowits. Dat hij op het dak staat, meen ik, en dat hij zoiets ziet als
luchtdoelgeschut dat op vliegtuigen schiet. En dan bij zichzelf denkt: hè fijn,
nou is het begonnen. Dat is een reactie die er niets mee te maken heeft. Harry
Mulisch ziet al die dingen helemaal verkeerd - hij ziet wel méér dingen
verkeerd; ik neem hem dat niet meer kwalijk. En het is ook niet zo dat het ervaren van die oorlog bij u
centraal staat in uw werk? U heeft tenslotte meerdere romans geschreven die in
oorlogstijd gesitueerd zijn. Centraal
staat het niet, maar het is natuurlijk wel zo dat het, zoals alles in het leven,
een bittere teleurstelling is geworden. Ik bedoel: achteraf heb ik geweldig
grote spijt dat ik hem heb meegemaakt. Laten we zeggen dat ik hem op een
ongunstig tijdstip heb meegemaakt. Neem nu de heer Lubberhuizen hier, die was
maar enkele jaren ouder dan ik, maar die had toen de oorlog begon al een fijne
studententijd achter de rug. Die heeft veel pret gemaakt in Utrecht. En zo. Maar
toen de oorlog in 1940 begon, was het net het jaar dat ik eindexamen deed en
student werd. Dus toen werd net mijn hele studententijd er volledig door
verpest. Toen die oorlog afgelopen was, was ik 23. Nou ja, ik heb in die tijd
wel een heel merkwaardige kijk op de menselijke geest gekregen, die me nooit
meer verlaten heeft. Dat moet ik wel zeggen. En dat beschouw ik nog steeds als
een groot voordeel. Al die mensen die nu over straat hobbelen om de mensheid te
verbeteren vervullen mij vaak met een bepaald soort deernis.
Ik weet dat dat niet mogelijk is. De mensen zijn nog veel en veel
slechter dan deze jongelui vermoeden. Nu, op het ogenblik dat we in een soort
welvaartsstaat leven, zijn we nog tamelijk fatsoenlijk. Maar het hoeft niet meer
dan 10, 20 % achteruit te gaan of het beest komt helemaal boven. Ik bedoel: in
zo'n oorlog kon je niet met een droge boterham op zak lopen of je moest allebei
je handen erop houden, anders jatten ze hem eruit! Het is verbazingwekkend wat
zogenaamd fatsoenlijke mensen aan misdadigheid kunnen ontplooien in dergelijke
noodsituaties.
céline
Dat die oorlog zo'n enorme teleurstelling voor u was, en dat
u daarna het inzicht kreeg dat de mensen nog oneindig veel rotter zijn dan u
zich kon voorstellen: dat lijkt op de geschiedenis van Voyage au bout de la nuit
van Céline, die als vrijwilliger de oorlog in ging. Ja
natuurlijk, die twee oorlogen hebben op elkaar geleken. En dat boek van Céline,
heb ik in die tijd gelezen en ik heb gezien dat dat een heel groot schrijver
was. U heeft het vóór de oorlog gelezen? Nou,
ik kan u precies vertellen wanneer ik het gelezen heb. Ik heb het gekocht in
april 1940, dus ik was op het een en ander voorbereid. Net een maand voor de
oorlog uitbrak kocht ik dat boek. Jaja. Maar het is echt waar: het is een van de
weinige romans met een zeldzaam hoog waarheidsgehalte. U bent lektor in de fysische geografie en auteur van een
verhandeling over erosie. Uw fatalisme, zoals u heeft gezegd gebaseerd op uw
overtuiging dat maatschappelijke veranderingen alleen uit de technologische
ontwikkeling kunnen voorkomen, lijkt in tegenspraak met uw weerzin tegen vernietiging
en verkwisting, waaronder u ook bv. revolutie rekent. Verschijnselen ten aanzien
waarvan een fysisch geograaf inderdaad niet, maar een logisch fatalist toch wél
onverschillig zou blijven. Het feit dat u schrijft, filosofeert en fysische
geografie bedrijft, en met inzet, doet toch vermoeden dat u in zeker opzicht
door idealisme gedreven wordt? Nou,
ik zou niet weten welk idealisme. Maar er is natuurlijk een bepaalde grens aan
iemands pessimisme. Je kunt niet, laat ik zeggen, de natuurwetten gaan
ontkennen; dat komt eerder bij optimistische mensen voor. Dat is geen kwestie
van idealisme. Ik geloof alleen niet dat mensen iets kunnen verbeteren door
waarheden niet onder het oog te willen zien. Of door te zeggen: alle
wetenschapsbeoefenaars zijn grote boeven, dat moet afgeschaft worden, die moeten
allemaal in hun blote gat in de woestijn gaan zitten, net als 3000 jaar geleden.
Daar zie ik helemaal geen heil in. Maar ik zeg ook niet, dat ik nu zo'n
bijzonder groot heil zie in de ontwikkeling van de wetenschap. Dat heb ik nooit
beweerd. Maar u bent niet monomaan in uw pessimisme, zoals Céline? Maar
Céline was helemaal niet zo'n pessimist. Hij was veel optimistischer dan ik.
Want Céline zag toch dat er bepaalde categorieën rotzakken waren die
uitgeroeid konden worden. Hij was wel degelijk een fascistoïde man, die toch
het enthousiasme kon opbrengen om twee boeken van 600 pagina's te schrijven
waarin de schuld, of het grootste deel van de ellende op de wereld, op de Joden
werd geworpen. Zoiets zal ik nooit doen. De Joden zijn aan de narigheid op de
wereld niet schuldiger dan andere groepen of volksstammen. Hij geloofde
dat dus toch nog. Maar hij had wel, en dat deel ik wel, ook een afkeer van
bijvoorbeeld toestanden die hij in Sovjet-Unie had opgemerkt. Waar hij ook een
heel pamflet tegen heeft geschreven. Hij had wel in de gaten, en dat ben ik met
hem eens, dat veel mensen die idealistische ideologieën verkondigen, als ze er
enig succes mee hebben allang begrijpen dat dat idealisme toch tot niets leidt,
maar dat ze het volhouden om de kluit te bedriegen, doodeenvoudig om aan de
macht te blijven. Iemand als Fidel Castro moet allang in de gaten hebben, dat
hij Cuba niet verbeteren kan. De ellende van Cuba is dezelfde als van zoveel
tropische gebieden, namelijk dat ze op monocultures zijn aangewezen. Toen Castro
aan de macht kwam heeft hij wel naar adviseurs geluisterd en gezegd: van die
monoculture moeten we af, we moeten gevarieerder producten gaan voortbrengen.
Dat werd niets, dus nu gaan ze zich holderdebolder, met meer kracht dan ooit, op
die monoculture werpen. Daarvoor wordt de hele bevolking gemobiliseerd,
geterroriseerd, gemilitariseerd en weet ik wat meer. Dan moet Castro eigenlijk
al inzien dat zijn revolutie bedrog is, of liever gezegd, mislukt. Als het een
echt fatsoenlijke man was, had hij zich een kogel door z'n kop geschoten. Maar
dat heeft hij niet gedaan, omdat hij zoals als dat soort mensen aan de macht wil
blijven. Die willen coûte que coûte de winkel openhouden en of je dan drop
verkoopt of stront, maakt ze niet uit; het kasregister moet blijven rinkelen. Is
overal zo, bij Castro ook zo. U ziet de natuur als een absolute macht. Het
is een macht waar wij een onderdeel van zijn. Alle praat die niet correspondeert
met de werkelijkheid of met de waarheid is loos. Maar op zichzelf is het
bedriegen van grote groepen mensen misschien ook een natuurlijk proces. Dat is
heel waarschijnlijk. Het is hetzelfde als wanneer er een steen van een dak valt:
je kunt naar boven kijken en die steen ontwijken, je kunt er ook moedwillig
onder gaan staan zodat je die steen op je kop krijgt. Die vrijheid heb je - neem
ik aan tenminste. Zelfs dat is nog dubieus.
hermans' gelijk
De titel van uw roman Ik heb altijd gelijk refereert aan het
tautologische karakter van de roman als zodanig, en dat literatuur eigenlijk
alleen maar een tautologie kan zijn. Zoals
u wilt, ja. Maar het is in hoofdzaak toch ook een soort ironische titel: de
hoofdpersoon van dat boek verzet zich juist tegen de mensen die altijd gelijk
hebben; hij moet echter toegeven dat ze inderdaad gelijk hadden. Het is
hetzelfde
als dat het vervelend is dat de meeste waarheden erg banaal zijn. Je zou kunnen
zeggen: ik heb een esthetische bezwaar tegen banaliteiten, dat echter met de
waarheid van die banaliteiten niets te maken heeft. Dat hij zich daartegen verzet en daartegen ten strijde trekt
is toch een soort idealisme? Het
is geen kwestie van ten strijde trekken tegen, maar iets wat je als schrijver of
als schilder of wat ook, toch wel moet erkennen. Anders kun je geen aardig,
interessant kunstproduct maken, indien je je zou bepalen tot het opschrijven van
allang bekende banaliteiten, hoe waar die ook zijn. Ja,
u kijkt me nou zo twijfelachtig aan: u bent het toch wel eens met wat ik
allemaal zeg? (Lacht.)
Een romanschrijver heeft voor zichzelf altijd gelijk,
natuurlijk.
Maar
beste meneer, hoe kunt u nou van iemand verlangen dat hij 300 pagina's
volschrijft, terwijl hij zelf gelooft dat het allemaal nonsens is. Dat kan toch
niet! Dan kun je toch beter gaan tuinieren... Voor zover de lezer met de romanschrijver mee gaat, heeft de
romanschrijver ook voor hem gelijk. Ja,
wat is gelijk hebben... Romans gaan over een materie, waarover altijd discussie
mogelijk is. Een roman is niet hetzelfde als een wiskundige verhandeling. Het
zweeft allemaal in het vage: het suggereren van gevoelens, van toestanden. Maar als het dus toch om een tautologie gaat, waarom is het
dan nog zinvol om in beschouwend werk subjectiverende tussenvoegsels als
'mijns inziens', 'naar ik meen' enzovoort, te hanteren? Zo
nu en dan wil ik op mijn manier bescheiden zijn, begrijpt u? Om mijn gelijk niet
al te onverdraaglijk voor de lezer te maken. Maar, als ik zeg 'mijns inziens',
dan meen ik au fond natuurlijk wel dat het absoluut zo is. En ik zeg het
óók wel eens als ik over een bepaald onderwerp iets zeggen moet ik er niet
zeker van ben of ik daar wel volledige informatie over heb. Want als je bij
alles wat je schrijft alle mogelijke dingen bijna volledig zeker zou moeten
weten en alles helemaal zou moeten uitzoeken - wat ik wel zo veel mogelijk
probeer -, dan is dat voor een man alleen niet mogelijk. Dus je hebt altijd dat
je van een bepaalde zaak denkt: nou, het is zus, maar ja, alles heb ik niet
gecontroleerd. Omdat je dat eenvoudig niet kunt doen. Maar je moet verder. En
dan moet je op een bepaald moment wel zeggen 'mijns inziens' is het zus, en dan
zeg je dat erbij. Er staan bepaalde fragmenten in Mandarijnen op zwavelzuur die
u nogal in opspraak hebben gebracht, temeer, omdat u dat er dan niet bij zei. Jaaa
maar, die zijn in opspraak gekomen om hele andere redenen. Omdat het niet
alleen 'mijns inziens' waar was, maar überhaupt waar. En de geschiedenis heeft
mij gelijk gegeven! U moet maar kijken: straks komt de derde druk van
Mandarijnen op zwavelzuur uit, en nu heeft u misschien al opgemerkt, dat in de
tweede druk het portret van doctorandus Gomperts een beetje kleiner is dan in de
eerste druk. En in de derde druk is het weer wat kleiner. Zo is de zaak nu
eenmaal. Wij worden benieuwd hoe u uw twijfels aangaande dat gelijk -
dat u steeds weer bevestigd ziet - zoudt formuleren. Wel,
ik heb geen twijfel aan mijn gelijk als zodanig. Maar ik twijfel er wel aan of
het nu de moeite waard is dat gelijk te boek te stellen. Anton van Duinkerken is
allang dood; die was zonder Mandarijnen op zwavelzuur ook wel dood gegaan. Alles
vergaat in het leven. Als u bijvoorbeeld ergens een nieuwe broek koopt bent u
heel enthousiast daarover, maar drie jaar later is het een versleten, ouwe
broek. Literatuur is niet van graniet. Sommige boeken zijn van een materiaal
waarvan de sterkte die van graniet benadert, maar een groot aantal auteurs
blijft alleen bekend doordat een stel literatuurwetenschappers hebben
afgesproken om de schooljeugd steeds met hun werk lastig te blijven vallen. Maar
de meesten hebben niets geschreven wat de moeite van het bestuderen waard is.
Ikzelf, misschien met uitzondering van
Focquenbroch, weet geen enkele
auteur ouder dan 200 jaar, waarin ik nog iets lezenswaardigs weet te ontdekken.
Als een ander daar anders over denkt moet hij dat natuurlijk zelf weten. Maar iemand van de allure van een Shakespeare natuurlijk wel. Om
echt te kunnen oordelen wat Shakespeare is moet je goed thuis zijn in ouderwets
Engels. Ik heb hem eigenlijk nooit voor mijn genoegen gelezen. Wel heb ik
verscheidene stukken van hem gezien, die een diepe indruk op mij hebben
gemaakt. Maar de opvoering van het stuk is dan in feite al een herinterpretatie:
het wordt tenslotte altijd twintigste-eeuws opgevoerd, en wie weet op een
manier die hij helemaal niet bedoeld heeft. Wat geweldige indruk op mij maakte,
is een Japanse film die ik een paar jaar geleden heb gezien, naar Macbeth
gemaakt, maar helemaal in Japan verplaatst, met Japanse ridders enzovoort. En
het is kenmerkend voor de grootsheid van Shakespeare dat het stuk een bepaalde
kern heeft, die niet alleen een transpositie van drie eeuwen overleeft maar ook
een naar het andere eind van de aardbol. We kunnen het er met zijn allen over
eens zijn: Shakespeare was heel groot. Nou ja. Misschien dat, juist doordat het steeds weer aan
herinterpretaties
bloot staat, toneel in een bepaalde zin meer van graniet zou kunnen zijn dan
andere literatuurvormen. Toneel
hoeft niet van graniet te zijn. Je kunt ook zeggen: 't is een klei, met een
vaste kern waarvan je toch weer een modificatie kunt aanbrengen waardoor het
weer courant wordt. Ontwerpt u een schema, waar volgens u te werk gaat, of
vertrouwt u op uw improvisatievermogen tijdens het schrijven? Dat
is van secundair belang. Het is de ene keer zus, de andere keer zo. Ik maak
natuurlijk wel aantekeningen, maar het komt ook wel eens voor dat het schema
gewoon in mijn hoofd zit zonder dat ik dat van tevoren te boek gesteld heb. En bij het schrijven van Nooit meer slapen bijvoorbeeld? Hoe
ik dat boek geschreven heb zou ik niet meer weten.. Het manuscript heb ik geloof
ik weggegooid. Ik weet wel dat het, toen ik het afmaakte, een zeer regenachtige
zomer was, in 1965. Het was heerlijk stil in
Groningen. Eind augustus was het af
en toen ben ik tien dagen naar Italië gegaan. Toen had ik het gevoel: dat heb
ik nu eens echt verdiend. Na alle ontberingen van Nooit meer slapen. Ja,
want als ik een boek afmaak slaap ik eigenlijk bijna niet. Dus u schrijft niet volgens een vaste dagindeling? In
bladen als Paris Match of Libelle lees ik altijd dat Georges Simenon het op de
volgende manier doet: twee keer per jaar gaat hij met zo'n 500 scherpgeslepen
potloden en een stapel papier in een tuinhuisje zitten en schrijft in 14 dagen
een boek. Mij zou zoiets nooit lukken. Meestal stagneert het na ongeveer een
derde. Dan staat het een tijdje stil en daarna maak ik het af. Op ongeregelde
tijden en met een onpraktische dagindeling. Niet leuk. Nee. Lubb: Hoe ben je voor je naaste omgeving, als je schrijft? Zeer
onaangenaam, zeer veeleisend. Lubb:
O, en dat weet je ook van jezelf? Dat
zeggen ze me. Ik vind zelf van niet. Zelf vind ik dat ik met minimum genoegen
neem. Maar als ik niet schrijf ben ik aardiger, iets aardiger.
filosofie en literatuur
De eerste zin van uw boek
Wittgenstein in de mode luidt:
'Filosoferen is het ontwerpen van een wereldbeeld'. Deze definitie zou je ook
voor literatuur kunnen geven. Kan literatuur volgens u geldigheid bezitten
doordat zij buiten zichzelf treedt? We bedoelen iets als een verandering in
het bestaande denken, die dus niet inhaakt op een reeds bestaand denkpatroon. Ja,
dat kan wel. Maar u moet hier goed begrijpen dat in krantentaal onder 'denken'
van alles en nog wat wordt verstaan. Als je dat woord in de zin van Wittgenstein
gebruikt gaat het om een denken dat werkelijk exact is. Maar men praat in het
dagelijks leven over 'het politieke denken', 'het godsdienstige denken',
enzovoort, soorten van denken die eigenlijk door teams van psychologen
onderzocht zouden moeten worden. Voor mij houdt het niets anders in dan dat men denkt
te denken maar
niet in werkelijkheid denkt. Men laat een aantal voorstellingen door
zijn brein circuleren. Men heeft sympathieën en antipathieën. Men windt zich
zonder enige evenredigheid op over bepaalde dingen, over Vietnam, maar niet over
Ambon. Of men windt zich wel op over Ambon en niet over Vietnam. Bij dat domein
van het vage denken, dat werkelijk aan geen enkele exact kritische maatstaf kan
voldoen, hoort de literatuur. Soms denk ik dat er misschien een culturele fase
kan komen - hoe lang het nog duurt weet ik niet - waarin de mensen aan dat soort
denken geen behoefte meer zullen hebben. Zoals bijvoorbeeld de godsdienst
bezig is te verdwijnen. Dat dat soort, je zou kunnen zeggen artistieke denken,
vrije denken, visionaire denken, helemaal verdwijnen zal. Dan denk ik dat de
mensen tevreden zullen zijn met voetbal op de televisie en verder niets, behalve
de hele dag knoppen van computers in drukken. Voetbal op de televisie en met
elkaar naar bed gaan en eten. Een pilletje eten. En verder afgelopen. De
menselijke geest van het huidige ogenblik heeft de voortdurende behoefte om zich
in visioenen en hallucinaties te verliezen. Ik wil niet zeggen, dat een
dergelijk soort denken door de literatuur gevoed wordt, maar het vindt tegelijk
in de literatuur haar uitdrukking, terwijl de mensen die het consumeren er een
geestelijke bevrediging in vinden om dat soort dingen zwart op wit geformuleerd
ook weer tot zich te nemen. Maar dat vage denken, dat ligt meer in het domein
van de wellust of erotiek, dan op dat van de logica. En wat het denken van
Wittgenstein betreft: het eigenaardige daarvan is, dat het oorspronkelijk
bedoeld is als een denken dat uitsluitend op het domein van de logica betrekking
heeft, maar daarnaast toch een geweldige esthetische bekoring kan hebben. In
hoeverre Wittgenstein dat zelf beseft heeft, weet ik niet. Maar in ieder geval
is het een feit dat de werkelijke exacte en interessante dingen steeds meer het
werkterrein worden van een allengs kleiner wordende groep mensen, terwijl de
anderen steeds meer de functie zullen krijgen van werkbijen.
En voor de erotische verstrooiing van die groep zou de
literatuur dan nog van waarde zijn? Ja,
maar dat is zij al eeuwen lang. En ach, je kunt de wereld opvatten als een groot
brok dat door de ruimte zweeft en waar een aantal levende en soms verdriet
hebbende, en soms ook plezier hebbende individuen op leven, die op een of andere
manier met elkaar tot overeenstemming kunnen komen om elkaar het leven niet al
te zuur te maken en om die 50, 60, 70, 80 jaar dat ze dat leven hebben, niet al
te beroerd te maken. En ik geloof dat de literatuur tot hun geestelijk welzijn
bijdraagt. Dus u gelooft dat dat de waarde van literatuur is. Dat
wil zeggen: van sommige literatuur. Van veel literatuur natuurlijk niet. Maar
bepaalde boeken hebben een vertroostend effect. Merkwaardig genoeg juist die
boeken, die niet pogen de lezer te troosten. Laten we zeggen: je bent een
klein mannetje. Je bent een klein sigarenwinkeliertje... je hebt ruzie met je
huisbaas. Je gaat naar een stuk van Shakespeare. Je ziet Macbeth en - je bent
niet zo'n man als Macbeth - maar je kunt je problemen daarop projecteren. En het
maakt het misschien allemaal een beetje minder troosteloos en somber en
drabbig en troeperig en vies dan het in werkelijkheid is. Dat is een soort
maatschappelijk nut van sommige literatuur, dat geloof ik wel. Hoe zou u van uw eigen werk in die zin de waarde beoordelen? Ik
kan mijn werk niet zelf beoordelen en dat probeer ik ook niet. Als ik wat ik
zelf schrijf aan een waardemaatstaf onderwerp is dat een heel andere. In
hoeverre het technisch geslaagd is, is het enige wat mij interesseert. En
helemaal niet wat andere mensen er van denken. Als dat je gaat interesseren moet
je in de Libelle gaan schrijven of in een dagblad... ... of in de Haagse Post? De
Haagse Post is erg sophisticated, hoor. Maar ik bedoel te zeggen: dan moet je leuke
dingen schrijven, dan moet je Toon Hermans worden, ja verdomd! Het is
helemaal geen familie van mij, maar misschien kan die je een avond aan het
lachen maken. Nou schiet ik daarbij nooit in de lach... Het is gewoon een
schande dat die man ook Hermans heet. U gaat zelfs nog een stapje verder. U zegt dat men u niet
begrijpt, of wilt begrijpen. Heb
ik dat gezegd? Dat heb ik nooit gezegd. Houdt u ons ten goede: dat heeft u meermalen gezegd. Waar
staat dat? Dat heeft u in verscheidene interviews beweerd... ...Ja
precies! Ik heb toch gezegd dat er in interviews altijd onzin staat. Dus wat
wilt u nou nog meer? Dat hoeft u in feite helemaal niet vast te stellen, want
als u nog wat verder gestudeerd had in die interviews had u dat zelf kunnen constateren: dat het waar is! U heeft het dus niet gezegd, maar... Het
komt er wel op neer ja. Het was een tip. Tip voor belangstellenden. U hebt ook gezegd dat literatuur het scheppen van wanbegrip
is. Ja,
daar komt het dikwijls op neer. Dat hoort ook bij de hele zaak. En ook om de
mensen een keer met opzet om de tuin te leiden, dat hoort er allemaal bij. Dat doet u dus wel in uw boeken? Dat
heb ik wel eens gedaan, neem ik aan. Zoudt u daarvan een voorbeeld kunnen noemen? Nee,
dat schiet me nu niet te binnen. Maar impliceert dat wanbegrip niet dat literatuur als medium
tot zinloosheid is gedoemd? Dat
bedoel ik nou. Het is een zinloos medium, dat zeg ik u toch. Het ligt op het
terrein van de erotiek, van de visioenen. En zinvol is alleen: staal is harder
dan hout e.d. Verder zijn er geen zinvolle uitspraken mogelijk. De rest is
gewauwel.
Maar literatuur is gewauwel dat bepaalde literaire kwaliteiten heeft, die het
gewauwel van de doorsnee mist. Zo is de menselijke geest samengesteld: voor 99 %
van de tijd dat hij leeft houdt hij zich bezig met geouwehoer. En nu heb je een
beter soort geouwehoer, net zoals je mooie hoeren hebt en lelijke hoeren! Dat is
alles. Maar dat schept toch de vraag hoe uw kennelijke bezetenheid
van het schrijven hiermee te rijmen valt. Laat
ik dit vertellen: als ik een van de twee of drie grootste wiskundigen van deze
eeuw was - wat ik niet ben -, dan zou ik geen enkele roman geschreven hebben,
dan zou ik daar dezelfde minachting voor hebben die de meeste wiskundigen voor
dat soort bezigheden hebben. Hoewel, laat ik niet overdrijven, juist dat soort
mensen heeft vaak een soort angstige eerbied daarvoor. Dat merk je wel eens, bij
ingenieurs en dat soort mensen. Die zeggen: hoe krijgt-ie het voor elkaar. En ze
zien niet dat literatuur voor 99 % gewoon uit onbescháámde brutaliteit
bestaat. Dat fundamentele wanbegrip, dat zowel de meeste van uw
hoofdpersonen als uzelf van de buitenwereld ten deel valt, is daarbij sprake van
moedwil van de buitenwereld, of bent u het zelf die dat niet-begrepen-worden min
of meer moedwillig aan uzelf en uw personages oplegt? Zoals bv. door het
onbeantwoord
laten van de vraag of Dorbeck, in De donkere kamer
van Damocles, al of niet bestaat, wat ons binnen deze roman
essentieel lijkt. Nou,
dat is niet zo essentieel voor die roman. Essentieel voor die roman is, dat er
bepaalde gevallen mogelijk zijn, waarin het niet valt uit te maken of 'Dorbeck',
het kan iemand of iets anders wezen, werkelijk bestaat óf niet bestaat. Dat
acht ik essentieel voor het hele leven. Het gaat dus om een illustratie van uw filosofie. Inderdaad.
interpretatie en kritiek Waaraan hecht u meer: aan een zo objectief mogelijke kritiek,
die alle gegevenheden van een roman als functionele onderdelen van een tautologisch systeem accepteert, of aan
een psychologiserende interpretatie, die dus erkent dat de strekking van een
roman altijd in laatste instantie de neerslag is van de
biografie van de
auteur? Het
eerste wat u noemt is interessant. Dat is interessant voor een auteur om te
lezen. En wat hij zich dan moet afvragen is: in hoeveree ben ik erin geslaagd om
datgene wat ik in mijn hoofd had over te brengen, voor het voetlicht te brengen.
Maar al die psychologiserende interpretaties zijn totaal oninteressant En als het betrekking heeft op een andere schrijver? Als u
kritiek op het werk van een ander bedrijft? Ja,
kritiek bedrijven, dat is een ander punt. Het kan ook gewoon zijn dat je een
soort kritiek bedrijft, gewoon, om een auteur aan wie je een hekel hebt een
poets te spelen. Maar als ik iets lees over een andere auteur, dan wil ik weten
of die dingen gebaseerd zijn op exacte gegevens, die in een roman of in het
kunstwerk aanwezig zijn. En niet een hoop geouwehoer van 'ja, toen en toen wilde
hij ambtenaar op het Ministerie van Koloniën worden, maar hij zakte voor het examen en toen ging hij die roman schrijven'. Niemand kan bewijzen of hij, als
hij ambtenaar was geworden, niet tóch een roman had geschreven. Of misschien
wel twee. En als u een essay schrijft over bijvoorbeeld De Sade? Maar
dat is toch niet zo'n sterk psychologiserend essay? Ik heb vooral gepoogd om aan
de hand van bepaalde voorbeelden uit het werk van Sade duidelijk te maken wat nu
eigenlijk de filosofie was die De Sade daarin voordroeg of liet voordragen door
zijn romanpersonages. Maar de biografie van De Sade kan hierbij wel zeer
illustrerend zijn. Die
is natuurlijk illustrerend, maar dat is weer zo'n geval waarbij je niet kunt
zeggen of deze man zo'n beroerd leven gekregen heeft, omdat hij die en die
boeken schreef, wat een heel plausibele veronderstelling is, ofwel dat hij al
zo'n beroerd leven had en daarom die boeken is gaan schrijven. Dat is ook een
heel plausibele veronderstelling, want hij heeft inderdaad het grootste gedeelte
van zijn boeken in de gevangenis geschreven. Bij een interpretatie op psychologische aspecten kunnen we in
Nooit meer slapen een structuur zien die in veel opzichten analoog is aan die in
De donkere kamer van Damocles. Omdat het ons niet onaannemelijk lijkt dat het
hier gaat om een transpositie van eenzelfde problematiek op een nieuwe
omgeving, willen we u vragen of het mogelijk is om in Nooit meer slapen
een soort 'vervolg' te zien op De donkere kamer van Damocles, in ieder geval op
bepaalde aspecten daarvan. Wel,
wat u nu zegt, dat is helemaal nieuw voor mij. Het is nooit bij me opgekomen. Ik
heb ook nooit van andere mensen gehoord, dat het mogelijk zou zijn om op een
andere manier Nooit meer slapen op te vatten als een vervolg of transpositie van
De donkere kamer van Damocles. Dat is volstrekt nieuw voor mij. Ik heb het dus
in ieder geval niet zo bedoeld en als het er op een of andere manier in zit,
moet het er ongemerkt in geraakt zijn. Ik vind het wel een aardige vraag, maar
wat moet ik er verder op zeggen? Nou ja, het houdt dus in ieder geval in, dat deze
interpretatie op psychologische aspecten niet een interpretatie is waarvan u de
componenten er bewust hebt ingelegd. Anders zou u de vraag hetzij bevestigend,
hetzij ontkennend kunnen beantwoorden. Maar
dat kan toch ook wel. Maar wat is nou uw vraag? Het was geen vraag, het was een constatering. Dat
kunt u vaststellen, ja. Dat zou dus, ook voor u, de betekenis kunnen zijn van een
psychologiserende analyse. O,
maar als iemand daar plezier in heeft... Dat genoegen wil ik hem niet ontzeggen.
Ik zeg alleen dat het voor mij als auteur niet zo geweldig belangrijk is om te
weten. Belangrijk is - maar dat
komt zelden voor, hoor - een kritiek die zich uitsluitend met de roman als totaal
bezig houdt. Wat Merlyn indertijd wilde was mij sympathiek, alleen vond ik dat
ze het erg droog uitwerkten. Maar dat is een tweede. Lubb: Waar komt zo'n vraag nou vandaan? De
heren stelden hem. Wij dachten inderdaad een analogie te zien, die in de
hoofdpersonen... ...Ja,
maar dat is natuurlijk iets anders, dat is iets anders. Ik wil zelf helemaal
niet ontkennen dat ik geloof dat au fond iedere romanschrijver, net als ieder
gewoon mens, nou is een romanschrijver geen gewoon mens - het klinkt allemaal
verschrikkelijk pretentieus, maar dat is niet de bedoeling -, bepaalde
problemen heeft, bepaalde dingen die hij in zijn leven heeft meegemaakt, waar
hij over blijft nakauwen, blijft nazaniken. Daar zijn grote dingen bij en
kleine. Bepaalde grote zeuren jaren door en eigenlijk is iedere roman, of ieder
letterkundig voortbrengsel, op een bepaalde manier een transpositie daarvan.
Ik heb ook wel eens gezegd, en dat houd ik staande, dat eigenlijk iedere
romanschrijver steeds weer dezelfde roman schrijft. Maar toch, niet ontkend zou
kunnen worden dat Nooit meer slapen een totaal ander boek is dan De donkere
kamer van Damocles. Maar ik heb er geen belangstelling voor, om de analogie
tussen die twee boeken, en nog andere boeken van mij, zelf te gaan opsporen. Dat
zal een criticus moeten doen. Als een criticus dat op een aardige manier doet,
dan is mij dat wél. Dat kan mij verder ook niets schelen. Maar u zou wellicht aan de hand van een introspectie na
kunnen gaan of die criticus gelijk heeft naar uw eigen oordeel. U heeft het over
gebeurtenissen, de criticus moet in feite herleiden uit uw werk, als hij daarin
geïnteresseerd is. In de meeste gevallen zal hij er dus volledig naast zitten. Jaja. Dan is er natuurlijk een misverstand geschapen; als die criticus nu ook nog een man van naam is, kon zijn
interpretatie wel eens
school gaan maken. Ja,
dat is mogelijk. Bij dat misverstand legt u zich neer? Ach,
dat zou je toch ook moeten als je overleden was? Wat is er over Shakespeare niet
allemaal na zijn dood afgeschreven? Maar
zo lang ik leefde zou ik mij er niet bij neerleggen. Maar nu is dit niet zoiets
sensationeels; niet dat ik zeg: daar moet ik met alle geweld tegen protesteren.
U specificeert het ook niet. Gesteld, u zou zelf die criticus willen zijn, dan
zou u toch een aantal pagina's nodig hebben. Ik bedoel, zo in de vaagte kan ik
dat niet zeggen. Het zou een heel werk wezen om dat idee aannemelijk te maken. Het had kunnen zijn dat u zelf al tot die ontdekking was
gekomen. Tot
die ontdekking ben ik nooit gekomen. Nee. Ik zie het ook helemaal niet.
freud en parcival
Hoe staat u tegen een interpretatie op Freudiaanse motieven,
zoals Weverbergh geprobeerd heeft die te geven? Tegenover
een Freudiaanse interpretatie sta ik niet van te voren vijandig. Bovendien, het
hele boek verraadt ook wel dat ik met de ideeën van Freud op de hoogte ben. Ook
de hoofdpersoon van het boek denkt Freudiaans, zoals iedereen, want dat heeft
zich als een soort kruipolie door het Westerse denken verbreid. Deze jongeman is
steeds bezig met zijn vader; op dat idee was hij zonder Freud waarschijnlijk
niet eens gekomen. Iedereen is bezig met zijn vader, dus is het niet zo ver
gezocht. Kunnen we daarmee stellen dat de Freudiaanse symboliek een
onderdeel is geworden van uw romantechniek? Nee,
dat geloof ik niet. Niet, dus. Nee.
Maar in De donkere kamer van Damocles wordt toch ook veel
gebruik gemaakt van Freudiaanse symboliek. Ja
maar kijk eens, die hele Freudiaanse symboliek is zodanig dat je die op alles in
het leven kunt toepassen. Een paraplu betekent dit en een portemonnee betekent
dat. En een berg betekent zus. Iemand die eenmaal kennis heeft genomen van de
ideeën van Freud kan die op veel diversiteiten toepassen. Als u Freud nooit
gelezen had, dan was het beklimmen van een berg het beklimmen van een berg en
daarmee afgelopen. Nu
gaat u direct aan allerlei andere dingen denken. Wat ons interesseert is, of u die symboliek er bewust in
legt. Die
leg ik er niet bewust in. Maar zonder de waarheid geweld aan te doen kun je ook
weer niet zeggen dat ik die er niet in breng. Ik kan namelijk ook niet zeggen:
wel, dat is niet met opzet zo gedaan. Het boek is geen allegorie. Dat wil ik
niet. Maar ja, Freud is er nu eenmaal geweest en het is duidelijk dat dat soort
connecties worden gelegd; ik denk hierbij - dat is niet erg Freudiaans maar het
lijkt er wel op - aan de mededeling in Nooit meer slapen, dat deze jongeman
Alfred aan het slot met een vliegtuig naar huis gaat en ziet dat de zee rimpelt,
zonder dat hij de golven ziet bewegen. Dat is heel gek, je bent dan zo hoog dat
de zee volstrekt roerloos lijkt, maar golven zie je wél. Hij denkt dan: als
mijn zusje gelijk heeft, dan ziet mijn vader, of God, de wereld ook op deze
manier, als een luchtfoto... en ik heb de luchtfoto's niet. Dat is misschien
iets waar ik zonder Freud nooit opgekomen zou zijn. Maar het boek is niet, zoals
bijvoorbeeld Arrival and departure van Arthur Koestler, geschreven om de
juistheid van de theorieën van Freud te onderstrepen. Dat is het punt van het
boek niet. Alfred, in Nooit meer slapen, is op zoek naar een
meteoorkrater die zijn hypothese kan ondersteunen. In De donkere kamer van
Damocles wordt de hoofdfiguur Osewoudt, die voortdurend naar zijn dubbelganger
op zoek is, geleid door een analoge drang de vondst te doen die zijn
erkenning, ja zelfs zijn roem, kan bewerken: in casu de Leica-camera. In
hoeverre zijn die twee objecten van zoeken, de meteoorkraters en de verdwenen
Leica, of nog beter Dorbeck, met elkaar te vergelijken? Dat
is een algemeen motief in de hele Westerse cultuur: het Parcivalmotief, het
zoeken naar de Graal. Het is dát, getransponeerd op meer moderne dingen. En gelooft u niet dat iedere roman eigenlijk een Parcival-thema
heeft? Waarschijnlijk
niet iedere roman, maar wel die romans die mij interesseren. Hoewel, als je zo'n
boek als Voyage au bout de la nuit bekijkt: wordt daar nu iets bepaald in
gezocht? Nee.. -Wordt wel gevonden, het einde van de nacht wordt gevonden. Maar
een boek dat ik ook erg bewonder, ik kan niet zeggen dat het mij beïnvloed
heeft, ik heb het kort geleden gelezen en niet in mijn jeugd, is Moby Dick.
Gesteld dat ik dat boek op mijn achttiende jaar gelezen had, dan zou ik zeggen,
dat is een boek dat mij sterk beïnvloed moet hebben. Het is een oertype van een
roman, dat ik hogelijk bewonder. Maar het staat natuurlijk ook weer niet alleen.
Het is voor een groot deel op Bijbelse motieven gebaseerd, die duizenden jaren
oud zijn. Maar in Voyage au bout de la nuit vinden we in de figuur van
Robinson toch ook dat motief terug, die er immers steeds 'al geweest is'. Dat
duidt toch ook op een zoeken. Ja,
maar hij wil hem eigenlijk niet zoeken, hij achtervolgt hem. Hij wordt gedreven. Die
Robinson komt steeds als een noodlot opduiken en brengt weer allerlei misère
met zich mee. Tenslotte verzoent Bardamu zich min of meer met hem, waarna de misère
zijn toppunt bereikt. Bij de afbeelding van een filosofie tot verhaal lijkt het ons
onvermijdelijk een symbolentaal te hanteren: in Nooit meer slapen de Freudiaanse symboliek. Is dat
symbolensysteem hier nu
een taalvorm doormiddel waarvan uw specifieke werkelijkheidsbeeld zich aan de
lezer 'toont', gaat het in dit geval om een middel, of gaat het om een doel? Die
hanteer ik niet als middel. Het is zo, dat de hoofdpersoon van het boek, Alfred,
een aantal zeer concrete (althans, dat is mijn bedoeling geweest) dingen
meemaakt. Het meeste eruit bestaat echt, de berg Vuorje bestaat bijvoorbeeld
echt. Iedereen kan dat nachecken. Maar wat hij in feite doet, en wat veel
mensen in hun leven doen, is aan de concrete dingen die ze in hun leven meemaken
achteraf een symbolische betekenis geven. Waarom
doen de mensen dat? Omdat eigenlijk niemand gewis is van zijn toekomst, maar de
onbedwingbare neiging heeft om zichzelf de toekomst te voorspellen. Laten we
zeggen, je koopt een huis van een makelaar, dan denk je: zou die man fatsoenlijk
wezen? Je kijkt naar zijn gezicht. Heeft hij een fatsoenlijk gezicht of niet?
Het bewijst op zichzelf natuurlijk helemaal niets, maar toch gaat iedereen in
zijn leven dáár op af. Die man loopt mank, wat kan dat betekenen, 't is
misschien een bedrieger, of is 't juist een heel fatsoenlijke man. Iedereen
poogt gebeurtenissen symbolisch te interpreteren, om op die manier een magische
greep op zijn toekomst te krijgen. Een van de vreselijkste menselijke
eigenschappen. Maar één die erg veel voorkomt en daarom in de literatuur
beschreven moet worden.
filosofie en authenticiteit
Als fysisch geograaf is een meteoorkrater voor u, althans
zijdelings, object van wetenschappelijke bestudering. Voor Alfred uit Nooit meer
slapen geldt dat eveneens, maar wij
kunnen ons toch niet aan de indruk onttrekken dat er tóch sprake is van een
allegorie en dat, in die zin, de meteoorkrater daarin een functie vervult die
nog veel verder gaat. Aan
die indruk mag u zich gerust overgeven, maar daar heb ik niets mee te maken.
(Lacht.) Maar u ontkent de allegorie niet? Hoe
zou ik die allegorie kunnen ontkennen? De hoofdpersoon zelf zegt, dat wat hem
juist in de meteoorkraters boeit het ontstaan ervan is, de inslag van een
buitenaards object, dus iets wat het isolement waarin de aarde en haar bewoners
zich bevinden doorbroken heeft, met geweld. Is dat niet te vergelijken met iets waar u ook veel over
geschreven heeft: de uitvinding als gevolg van een irrationele ingeving? Ja,
zeker wel. Het is de krankzinnige hoop van de mens dat er iets in dat kolossale
heelal buiten hem zou wezen, dat op de een of andere manier met hem begaan is,
of hem een boodschap zal sturen. Heel fundamenteel menselijk. Daar heeft u een roman over geschreven. Die
roman gaat niet helemaal speciaal daarover. Daarvan wordt de lezer toch wel,
dacht ik, voldoende op de hoogte gebracht door de gesprekken van de hoofdpersoon
en door Alfreds intieme gedachten, die door de romanschrijver als gedachtenlezer
te boek gesteld zijn. Is het schrijfproces zélf voor u niet het vinden van
meteoorkraters? Nou,
ik hoop het, ik hoop 't. Gesteld, dat Alfred die meteoorkrakers inderdaad zou
ontdekken, of dat Dorbeck tenslotte toch nog ten tonele verscheen - wat
uiteraard binnen de interne structuur van beide boeken absurd zou zijn. Alfreds
artistieke aspiratie, in dit geval het fluitspelen, wordt op voor hem
irrationele gronden door zijn moeder gefnuikt. De irrationele ontdekking van die
meteoorkraters zou het absurde element in de beknotting van de ambitie van de
jonge Alfred kunnen verzachten. Nou,
dat geloof ik helemaal niet, dat zou ook een enorme teleurstelling met zich mee
brengen. Ik heb er wel eens over gedacht om een vervolg op De donkere kamer van
Damocles te schrijven, waarin Dorbeck toch nog opduikt. Maar dat wordt
natuurlijk een geweldige teleurstelling, want al die dingen waarvan Osewoudt de
schuld of de verantwoordelijkheid op Dorbeck schuift, zou Dorbeck ongetwijfeld
weer van zich afschuiven. U moet goed begrijpen, er is toch wel een essentieel
verschil tussen Alfred en Osewoudt, onder andere dit: de lezer neemt het
misschien voor zoete koek, maar alles wat Osewoudt Dorbeck in de schoenen
schuift, wel, daar zou indien iedereen met de billen bloot kwam waarschijnlijk
weinig van overblijven. Terwijl het vinden van die meteoorkraters... Nou,
laten we het boek eens verder fantaseren. Goed, Alfred gaat niet naar huis
terug, hij leest in de krant: er is een echte meteoor gevallen. Hij gaat gauw
terug, onderzoekt die meteoorkrater en schrijft een wetenschappelijk artikel
van veertien pagina's. Dat komt in The American Geologist, of een dergelijk
blad. En tenslotte wordt Alfred lector in
Groningen of zoiets. Hè? (Lacht)
Waarmee dan de roman van zijn allegorie ontdaan zou zijn. Een beetje wel, ja. Maar het is ook niet zo, dat het lot van de romanschrijver even treurig zou moeten zijn als dat van zijn hoofdpersonen; dat is niet mogelijk. Dat is gewoon een opeenstapeling van ellende. Dan krijg je het soort schrijver als Nescio of Van h |