|
INTERVIEW MET WFH
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
De Vlaamse Gids 62, 1978, nr 5, september-oktober. Gesprek met Willem Frederik Hermans Willem M. Roggeman
U hebt niet alleen
talrijke romans en novellen geschreven, maar u hebt ook veel nagedacht over de
technische problemen van het schrijven. Uw meest geciteerde beschouwingen
hierover vinden wij terug in uw essay Experimentele romans?, dat werd opgenomen in de bundel
Het sadistische universum 1. Daarin
zegt u o.m.: 'Romanschrijven is wetenschap bedrijven zonder bewijs', maar ook:
De roman hoeft niet te streven naar waarheid, maar naar waarschijnlijkheid en
deze waarschijnlijkheid moet hij ontlenen aan zichzelf.' Dit lijken mij twee
tegengestelde verklaringen. Want wat niet waar is, is leugen. En dat is fictie
toch ook, en dat kan dus toch niet wetenschap zijn. Wel
kijk, echte wetenschap is wetenschap met bewijs. Maar ik heb gezegd:
'Romanschrijven is wetenschap bedrijven zonder bewijs.' Maar
romanschrijven heeft deze analogie met de wetenschap dat het een gebeurtenis,
een proces beschrijft. Bij
romanschrijven is dat maar gedeeltelijk gebaseerd op waarneming. Het is ook
een soort herscheppen van de wereld, want waarschijnlijk is het de diepste
bedoeling van een romanschrijver God te zijn of God te vervangen, en een
wereld te scheppen. Er zijn veel geleerden, die eigenlijk dezelfde mening zijn
toegedaan. U weet waarschijnlijk wel dat hele theorieën in de exacte
wetenschappen dikwijls vlug en soms wat later door feiten achterhaald worden.
Ook een wetenschappelijke theorie is maar zeer betrekkelijk waar. Maar het
verschil tussen een romanschrijver en iemand die wetenschap bedrijft, is dat
iemand die wetenschap bedrijft, tenminste als hij een goede wetenschapsbedrijver
is, niet zijn best doet de resultaten te forceren, terwijl een romanschrijver
meestal de resultaten wel forceert. Hij heeft er belang bij
de resultaten te forceren. Het verschil tussen een romanschrijver en iemand die
wetenschap bedrijft is ook dit: als iemand wetenschap bedrijft en het goed doet,
dan beschrijft hij de wereld die hij vindt,
die er is, en hij probeert zich daartegenover neutraal op te stellen, terwijl
een romanschrijver waarschijnlijk in wezen iemand is, die niet tevreden is met
de wereld die hij vindt - dit kan zijn de wereld waarin hij geboren is, de
wereld die met zijn eigen leven te maken heeft, de manier waarop hij leeft, enz.
Daarover fantaseert hij en dat ligt ten grondslag aan zijn roman. Als ik zeg:
'Romanschrijven is wetenschap bedrijven zonder bewijs,' ten eerste is dat geen
echte wetenschap meer, en ten tweede is het dan nog zeer subjectieve
'wetenschap', tussen aanhalingstekens.
In ditzelfde essay geeft u
ook een bepaling van wat volgens u een klassieke roman moet zijn, nl. 'een roman
waarin alles wat gebeurt en alles wat beschreven wordt, doelgericht is;
waarin bij wijze van spreken geen mus van het dak valt,
zonder dat het een gevolg heeft.' Hieruit leid ik af dat u niet intuïtief
schrijft, maar alles heel bewust plant en streng construeert. Kunt u uw
werkwijze bij het schrijven van een roman wat meer belichten? Ik
moet tegenspreken dat ik voor een roman van tevoren een plan maak en dat ik dat
allemaal streng logisch construeer. Je hoeft helemaal niet op die manier te
werken, om een roman te maken die ik genoemd heb: een klassieke roman. Ik heb
meer bedoeld: op de manier waarop zich een schaakspel ontwikkelt, waarin ook
alle stukken een bepaalde functie hebben. Het gaat zelfs gewoonlijk beter zonder
schema. Ik doe het bijna zonder schema. Je begint met een aantal gegevens en
probeert met die dingen te spelen, probeert die dingen met elkaar te laten
reageren. Het is dus onelegant om halverwege (bijvoorbeeld omdat het wel moet)
een personage in te voeren dat niet is voorbereid. Het is een kwestie van wat ik
zou willen noemen: roeien met de riemen die je hebt. Maar je bent natuurlijk
vrij een bepaald aantal riemen van tevoren in de boot te leggen. Die moet je
gebruiken, en ook blijven gebruiken. Het nadeel van veel zogenaamd realistische
romans is, dat alles los aan mekaar hangt, dat het dus eigenlijk iets wordt als
een verslag van de ronde van Frankrijk of zo. Ik vind dat een roman wel
onderscheiden moet worden van een reisverslag of van een autobiografie, waarin
dingen gebeuren die niet afgemaakt worden. Ik vind dat een roman één
bepaald onderwerp moet behandelen en dat bepaalde onderwerp moet uitputten, maar
niet dat hij het leven in een dorp moet beschrijven. Dat vind ik geen onderwerp
voor een roman. Bij sommige schrijvers is dat het onderwerp, maar voor mijn
romans vind ik dat niet geschikt. Ik wil een roman hebben waarin uitgebeeld
wordt één dramatische gebeurtenis. Maar ik moet zeggen, deze theorie is al
lang geleden door mij geuit. Bijna twintig jaar moet dat zijn. En misschien zijn
sommige van mijn latere boeken op dat punt toch wel wat minder streng. Deze
soort roman, heb ik helaas genoemd een klassieke roman, - want het is eigenlijk
geen klassieke roman, maar er schoot mij geen betere term te binnen, omdat ik
vond dat het klassieke drama ten tijde van Sofokles zo opgebouwd was. Het is een
roman die eigenlijk in de eerste plaats de personages niet beschrijft door ze te
beschrijven, maar door ze te laten handelen. Een soort
roman die in de Nederlandse literatuur zeer ontbreekt! Dit is volgens mij de
oorzaak dat de Nederlandse literatuur internationaal zo weinig waardering
krijgt. Als een roman niet zo is en een roman, laten we zeggen, begint
met een aantal personages in te voeren en dan gaat beschrijven wat die mensen
toevalligerwijze van dag tot dag doen, net zo als wij zelf in ons dagelijks
leven min of meer toevallig iedere dag wat doen, wat niet altijd een bepaalde
samenhang heeft. - Het gebeurt maar zelden in het leven van werkelijk bestaande
mensen dat ze met een bepaald doel iets doen. Een man die dag en nacht bezig is
een bepaalde vrouw het hof te maken, of een man die bezig is een bepaalde
positie in de maatschappij te verwerven - maar dat gebeurt in een normaal
mensenleven maar zelden. Meestal leven de mensen maar zo voort, vandaag zoals ze
gisteren leefden, enz. Als je nu romans maakt uitsluitend over dat soort
personages, dan wordt een roman een soort pseudo-journalistiek en ja, dat
wordt vervelend, en goedkoop; dat is niet interessant. Ik vind dat een
romanschrijver in de eerste plaats een schepper moet zijn en niet een
fototoestel.
Toch speelt de fotografie
bij u een grote rol. Ja,
zeer zeker. De
fotografie boeit me daarom zo, omdat je hetzelfde probleem toch
ook hebt bij fotograferen. Er zijn goede foto's en er zijn slechte foto's.
Eigenlijk is dat heel absurd dat er slechte foto's kunnen bestaan. Maar waarom
is de ene foto vervelend en de andere niet vervelend? Meestal is een
niet-vervelende foto niet een willekeurig uitknipsel uit de werkelijkheid, maar
is ze een zodanig gekozen uitknipsel uit de werkelijkheid, dat een bepaald
verband gesuggereerd wordt. Daarin bestaat de scheppende bijdrage van de
fotograaf, die dat gezien heeft toen hij de foto maakte.
Maar de fotografie komt
ook voor in de titel en in de inhoud van een roman als
De donkere kamer van
Damokles en u hebt ook een boek
Fotobiografie gemaakt en u maakt zelf
ook
fotocollages. Is de fotografie voor u misschien een geschikter medium dan
de literatuur om te proberen iets van de werkelijkheid te achterhalen? O
nee, helemaal niet. Ik beschouw die fotografie hoofdzakelijk als een
tijdspassering. Ik heb wel eens, doordat ik mij vrij veel met de fotografie heb
beziggehouden, met de gedachte gespeeld: zou ik niet beter fotograaf kunnen
worden in plaats van schrijver? Maar het schrijven gaat mij zoveel gemakkelijker
af dan het fotograferen, dat ik die stap onmogelijk zou kunnen nemen.
Benevens de fotografie en
het maken van fotocollages hebt u nog een andere hobby, het verzamelen van
schrijfmachines. Het evangelie van O. Dapper Dapper, heeft een motto van Friedrich
Nietzsche: 'De schrijfmachine is vooreerst afmattender
dan welke manier van schrijven, hoe dan ook.' Wat betekent de schrijfmachine
voor u en schrijft u ook nog met de hand? Waarschijnlijk toch uw gedichten
vroeger? Ja.
Ik heb ook verhalen en twee romans met de hand geschreven. Die twee romans zijn
nooit verschenen, te slecht. Na 1944 heb ik bijna alles met de schrijfmachine
voortgebracht. Dat bevalt me heel goed. Ik denk te snel, of schrijf met de hand
te langzaam. Met de schrijfmachine
kan ik beter bijhouden wat ik schrijf. De geheime reden waarom ik
schrijfmachines verzamel, zal wel zijn dat ik eigenlijk op honderd machines
tegelijk zou willen schrijven.
In
Mandarijnen op
zwavelzuur hebt u zeer vinnig gereageerd op andere schrijvers. Vindt u het
dan inderdaad de moeite waard om daarop te reageren? Is dit gewoon geen
verspilling van
tijd en energie, die u had kunnen besteden aan het schrijven van ander werk? Ik
vind het nu eigenlijk niet meer de moeite waard. In die tijd - en dat is
eigenlijk al een hele tijd lang, lang van voor het jaar waarin de Mandarijnen
op zwavelzuur verschenen - was het zeer de moeite waard, want het waren
mensen, die mij eigenlijk het publiceren onmogelijk maakten. In de eerste tijd
werd ik ontzettend tegengewerkt. Haast al mijn boeken van 1945 af, zijn met
grote vertraging verschenen omdat ik op alle mogelijke manieren werd
tegengewerkt. De mensen zeiden tegen uitgevers: dat moet je niet doen, dat is
pornografie, dat is dit, dat is dat. Die mensen waren zeer middelmatige
letterkundigen, op het ogenblik allemaal dood en vergeten weliswaar, en
daartegen stelde ik mij dus te weer. Later heb ik ook wel gezien dat 't niet
meer zo belangrijk was. Ik heb mijn best gedaan om die stukjes zo grappig
mogelijk te maken en ze zo goed mogelijk te schrijven. En ja, gedeeltelijk is
dat geslaagd, gedeeltelijk misschien minder geslaagd. Laten we zeggen, ik vind
nu nog de beste stukken uit Mandarijnen op zwavelzuur de stukken die het
meest de kant van het verhaal of van een verhaaltje of van een klein
toneelstukje opgaan. Die vind ik nog het aardigst. Laten we zeggen, zo'n stukje,
u zult zich dat herinneren, 'Dialoog tussen Jacques Gans en Hiltermann',
allebei heel onbelangrijke mensen. Die Jacques Gans is al lang dood en vergeten.
Het stukje is misschien veel grappiger voor diegene, die Jacques Gans heeft
gekend en die weet met wat voor pretenties die man schreef. Het was een man, die
begon met zich voor een soort Nederlandse Léautaud te houden en verder gewoon
een betaald broodschrijver van De Telegraaf werd. De aanleiding tot sommige
stukjes is nu natuurlijk niet zo erg belangrijk meer. Het is soms eenvoudig niet
meer voor te stellen. Het was ontzettend wat je in die tijd werd tegengewerkt.
En dat vond ik ook wel van belang om in een boek vast te leggen.
De titel van uw eerste
novellenbundel Moedwil en misverstand is programmatisch. Hij bevat de
samenvatting van uw levensopvatting; altijd lopen alle dingen mis, de ene keer
door kwade
opzet, de andere keer door vergissingen, en doorgaans door een onontwarbaar
mengsel van beide. Schrijft u nu om dit aan te tonen of om hieraan te verhelpen? Nee,
niet om er iets aan te verhelpen. Om het aan te tonen.
Wat is dan volgens u de
functie van de literatuur? In een gesprek, dat verscheen in het tijdschrift Soma,
zei u dat sommige literatuur bijdraagt tot het geestelijk welzijn. Dat
is wat iedere schrijver waarschijnlijk hoopt. Het minimum wat je van een boek
kan verwachten is dat de lezer zich er een paar uur mee bezighoudt en gedurende
die paar uur verlost is van zijn eigen zorgen. Misschien kun je iets meer van
een boek verwachten, maar het is wel zaak voor een auteur om zich daarover niet
al te veel illusies te maken.
U hebt wel geen hoge dunk
over de functie van de literatuur. Ik
heb van niets een hoge dunk. En aangezien ik mij hoofdzakelijk met literatuur
bezighoud, is dat toch nog wel datgene waar ik de hoogste dunk van heb. Maar dat
hoeft, absoluut gezien, nog niet zo'n geweldige hoge dunk te zijn.
In dat zelfde interview
zei u ook dat Voyage au bout de la nuit van Céline, 'één van de
weinige romans met een zeldzaam hoog waarheidsgehalte' is. U schijnt dit dus
toch wel van belang
te vinden, terwijl u anderzijds schrijft dat de roman niet naar waarheid hoeft
te streven. Ja,
maar je hebt, buiten de door de wetenschap nagestreefde absolute waarheid,
waarheid op allerlei mogelijke manieren. Maar wat ik eigenlijk bedoelde met het
waarheidsgehalte van het boek van Céline, is dat de mensen daarin worden
beschreven zoals ze waarschijnlijk allemaal zeer geheim in hun binnenste over
zichzelf en over anderen denken. Dat is het eigenaardige van dit boek. In de
meeste boeken treden de mensen op zoals wij graag zouden willen zijn in
andermans oog, zoals ze zijn in de komedie die ze in het dagelijkse leven spelen
en gedwongen zijn te spelen. De personages van Céline spelen ook komedie,
maar de visie van de schrijver maakt die komedie volstrekt doorzichtig.
U hebt als motto voor de
bundel Moedwil en misverstand een uitspraak van Schopenhauer gebruikt:
'Das Leben und die Träume sind die Blätter eines und des nämlichen Buches'.
Hieruit kan men afleiden dat het oproepen van een krankzinnig universum, zoals u
doet in
Paranoia en in het verhaal Glas als typisch mag gelden
voor de algemene denkwijze.
Met Paranoia
bedoelt u echter niet het bekende ziektebeeld. In Gard Sivik zegt u
immers dat u zelfbewust paranoied bent en dat de meeste mensen dit zijn. Kunt u
verklaren wat u dan met die term bedoelt? Daar
bedoel ik mee ongeveer hetzelfde als het wetenschap bedrijven zonder bewijs.
Iemand die echt paranoied is, iemand die echt ziekelijk is, die zou b.v. gaan
beweren dat mensen van buiten met geheime stralen ideeën in zijn kop blazen.
Normale mensen denken dat niet. Maar de hoofdpersoon van Paranoia heeft
vreemde ideeën in zijn hoofd en probeert daar een verklaring voor te vinden.
Dat is eigenlijk al een wetenschappelijke onderneming. Alleen verzint hij een
verklaring die onwaar is. En dat is enigszins verwant met wat ik gezegd heb over
het romanschrijven. Niet dat romanschrijvers altijd verklaringen geven die
onwaar zijn, maar toch verklaringen, die niet bewezen kunnen worden.
Uw roman
De tranen der
acacia's, verschenen in 1949, heeft als hoofdfiguur de Amsterdamse student
Arthur Muttah, zoon van een Belgische vader. Deze jongeman komt naar Brussel en
de omgeving van
Brussel wordt in deze roman beschreven. Deze
beschrijving lijkt mij authentiek. U hebt trouwens, meen ik, in die tijd
ook in Brussel verbleven. Kunt u daar iets over vertellen? Hier hebt u dus toch
bestaande adressen en straten waarheidsgetrouw weergegeven? Nee,
ook niet helemaal: of misschien wel helemaal niet. Het speelt wel in een toen
bestaande buurt die mij boeide, Ukkel, daar is nu veel veranderd helaas. Ik
hield veel van die omgeving, dus gebruikte ik haar.
Lucien, de neef van Arthur
Muttah, spreekt in deze roman een gebrekkig Nederlands. Hij is eigenlijk een
franstalig Vlaming. Geldt deze figuur als prototype van de Vlaming uit die tijd
of had hij eerder een andere functie in deze roman, bv. om het isolement van de
hoofdfiguur te versterken? 't
Is meer dat Lucien Arthur als een concurrent ziet en daarom de
Nederlands-Belgische familiehereniging wil verhinderen. Hij was door mij eerder
bedoeld als een Waal die zich verbeeldt dat hij goed Nederlands spreekt, maar
deze taal toch minacht. Ik
heb vrij veel met Walen verkeerd. Ik verbaas me er wel eens over dat ondanks
alle taalstrijd veel Vlamingen niet beseffen hoe zeer ze door de Walen worden
geminacht - ik wil niet stoken, hoor
De meeste van uw romans
beantwoorden aan de bepaling, die u zelf hebt gegeven van de 'klassieke roman'.
Maar u hebt ook de experimentele roman
De God Denkbaar Denkbaar de God
geschreven. Waarom hebt u nu dit boek geschreven, dat niet beantwoordt aan de door u voorgestelde formule? Dit
boek, geloof ik, zit veel beter in elkaar op de manier van een klassieke roman
dan het misschien lijkt. Ik vind niet dat er in dat boek ooit een mus van het
dak valt zonder dat het gevolg heeft. Maar het is een boek, waarin de
ontwikkeling eigenlijk drijft op een bepaalde intonatie. Het is vooral een boek
dat zijn ontstaan dankt aan de zangerigheid van de taal, die er in gebruikt
wordt. Dat is met mijn andere boeken minder het geval. En dat was ook de
bedoeling van dit boek. Dat was ook het experiment dat ik nam. De God
Denkbaar is een boek om hardop voor te lezen. Zo nu en dan mag ik er nog
graag grote stukken eruit hardop voorlezen. Uit het vervolg trouwens ook, Het
evangelie van O.Dapper Dapper. Misschien maak ik er nog een tweede vervolg
op.
Blijkens een mededeling
aan het slot van de roman De donkere kamer van Damokles werd dit boek
geschreven tussen mei 1952 en juli 1958. In deze periode schreef u, behalve uw
proefschrift nog een roman, een aantal verhalen, twee
toneelwerken en talrijke
essays. Betekent dit nu dat u eigenlijk aan verscheidene boeken
tegelijkertijd werkt? Tegelijkertijd
niet, maar afwisselend. Met De donkere kamer van Damokles is het zó
gegaan. Ik ben er aan begonnen in het voorjaar 1952. Toen heb ik een stuk
geschreven dat later in het boek gekomen is, iets voorbij het begin. Daarna ben
ik ermee opgehouden, want ik wist niet verder meer.
Jarenlang heb ik er niets aan gedaan. In 1958 heb ik het afgemaakt. Het
is namelijk zo: omstreeks 1950 werden er in Nederland allerlei onthullingen
gedaan over merkwaardige gebeurtenissen die tijdens de Duitse bezetting hadden
plaatsgevonden. Die onthullingen kwamen in kranten. Ondertussen was er ook een
parlementaire enquête aan de gang, die zeer uitvoerige verslagen publiceerde
over alle mogelijke mensen, die met die oorlogstoestand te maken hadden. Er
zijn drie dikke delen van die verslagen verschenen. Die heb ik gekocht, al nadat
ik het begin van die roman geschreven had. Ik ben ze in een antiquariaat
tegengekomen. Daar kon ik ze voor weinig geld kopen. Dat heeft toen jarenlang
bijna mijn dagelijkse lectuur gevormd. Ik vond dat buitengewoon intrigerend, al
die verklaringen van die mensen, van parlementsleden, van generaals, van
ex-ministers, van spionnen, van verzetslieden enz., die soms de meest
fantastische
verhalen hadden. Die verhalen waren dikwijls volstrekt met elkaar in strijd,
zodat daarna de slotsom was, van ja, nou heb ik al duizenden pagina's gelezen,
maar nu weet ik nog niet precies hoe het allemaal in mekaar zat. En dat heeft
mij veel inspiratie verschaft voor het vervolg van het boek.
U roept in sommige romans
een werkelijkheid op, die associaties losmaakt met de realiteit buiten het boek.
De donkere kamer van Damokles is trouwens geïnspireerd door de zaak Van
der Waals, die voorkomt in de verslagen van de Enquêtecommissie
Regeringsbeleid 1940-1945. De romanwerkelijkheid verwijst hier dus naar de
historische werkelijkheid. Ik heb de indruk dat u de oorlogssituatie gebruikt omdat deze voor u een ideale
illustratie is van de algemene menselijke situatie. Ja,
dat is zo. De roman verwijst naar een bestaande werkelijkheid, in het oog van
iemand die de laatste toevallig kent. Maar de roman moet kunnen bestaan,
begrijpelijk zijn, zonder enige bepaalde geografische of historische
werkelijkheid.
Kunt u wat meer vertellen
over de relatie tussen de werkelijkheid buiten het boek en de
romanwerkelijkheid? Niet
zo veel. De zaak Van der Waals is één van die dingen, die werkelijk zijn
gebeurd. Iemand die de zaak Van der Waals en het boek kent, herkent iets van die
zaak in het boek. Maar het boek gaat niet over de zaak Van der Waals. Van der
Waals was een bedrieger, maar Osewoudt is te goeder trouw. Er zijn nog een boel
andere zaken geweest en die hebben mij ook geïnspireerd. Het boek is, alles
bij elkaar, een totaal fantastische geschiedenis, maar daarbij is gebruik
gemaakt van meer of minder getransponeerde dingen, die in werkelijkheid gebeurd
zijn.Wat in het boek beschreven wordt, had in werkelijkheid ook kunnen gebeuren.
Toch is het in wezen een volstrekt fantastisch amalgama van diverse elementen.
Het verhaal heeft de ondoorgrondelijke, de absurde structuur gemeen van dingen,
die werkelijk gebeurd zijn. U
zegt dat het boek verwijst naar een werkelijkheid buiten de roman, maar ik
geloof dat dat maar ten dele het geval is. Iedereen weet wat oorlog is, wat het
woord 'bezetting' betekent, wie Hitler was, enz. Ik geloof en hoop dat het
boek gelezen en begrepen kan worden door mensen, die, afgezien van die algemene
basisfeiten, van de oorlogsgeschiedenis in Nederland niets afweten. Als dat
niet zo was, zou ik dat mijzelf kwalijk nemen. Dit
is trouwens ook iets dat mij in het Nederlandse literaire leventje zo dwars zit:
dat lezers of critici juist eisen dat in een roman de werkelijkheid buiten de
roman goed weergegeven is. Ik zal u daarvan een voorbeeld vertellen. Een paar
weken geleden heeft er een stukje gestaan in NRC-Handelsblad van een meneer, die
allerlei onwaarachtigheden in romans aantoonde. Hij bracht o.a. daarin ter
sprake mijn boek Ik heb altijd gelijk, waarin voorkomt een adres,
Wouwermanstraat 162. Nu zei de man: 'Dat vind ik bedrog, want de Wouwermanstraat
(die bestaat inderdaad in Amsterdam) is zeer kort, daar kan geen nummer 162
bestaan.' Maar ik had juist om te
voorkomen dat mensen, in de Wouwermanstraat wonende, zouden denken dat ik ze in
die roman beschreven had, een nummer gekozen dat in die straat niet voorkwam,
nr. 162. Verder speelt de lengte van die straat in de werkelijkheid van het boek
helemaal geen rol. Dus, het is gewoon idioot van die man te zeggen: dat is
bedrog,
want Hermans beschrijft een adres dat helemaal niet bestaan kan. Ik schrijf een
roman, ik schrijf geen Baedeker van Amsterdam.
Maar toch gebruikt u in uw
romans, en dus ook in De donkere kamer van Damokles een schrijftechniek,
die de illusie kan wekken dat u realistisch schrijft. Er zijn inderdaad een aantal middelen, die de werkelijkheid suggereren, zoals de historische
stof, de personale vertelsituatie, de nauwkeurige beschrijving van geografische
situaties, die buiten de roman inderdaad voorkomen, en het gebruik van de
tegenwoordige tijd. Het
gebruik van de tegenwoordige tijd? Dat weet ik niet, of dat zo'n belangrijke
factor is, maar wat die andere dingen betreft, een schrijver heeft met een
leugenaar gemeen dat hij de indruk wil wekken dat het waar is. Hij wil een
waarachtige indruk maken. Daarvoor breng ik enkele offers. Ik zal bv. als het zo
uitkomt bestaande straatnamen gebruiken, maar als het niet gunstig uitkomt om
een bestaand adres te noemen, dan zal ik een zodanig nummer kiezen dat het niet
bestaan kan, of zelfs een straat die helemaal niet bestaat. In Ik heb altijd
gelijk komt een buurt voor, waar alle straten naar snoepgoed zijn genoemd.
Ik deed dat om het satirische effect, zo'n buurt bestaat niet in Amsterdam.
In 1963 kwam een film uit
naar de roman De donkere kamer van Damokles. De titel ervan was
Als
twee druppels water, een uitdrukking die tweemaal in het boek voorkomt.
Aanvankelijk had u zelf een scenario geschreven, dat echter werd afgewezen door
de regisseur Fons Rademakers. Deze maakte dan zelf een scenario, waarin
vergeleken met de roman veranderingen waren aangebracht, die tot andere
interpretaties leidden. U bleek niet zo gelukkig te zijn met dit scenario, maar
toch is die film er gekomen. Hoe is dat gegaan? Ik
heb die verfilming niet goedgekeurd, maar ik kon het niet meer tegenhouden. Ik
ben trouwens ook niet naar de première gegaan. Ik heb een conflict met Fons
Rademakers daarover gehad. Dat is later wel weer bijgelegd. Het was eigenlijk
toch een onbelangrijke zaak. Die film is al lang vergeten. Ik heb me aangesloten
bij de mening van Thomas Mann. Ik geloof dat het zijn roman De Zauberberg was,
die ook eens verfilm werd, niet op een manier waar hij erg blij mee was. Toen
zei hij: 'Immerhin ist der Roman doch da.' Dat kan ik over dit boek ook zeggen.
Het boek wordt nog steeds druk gelezen, maar de film bekijkt niemand meer. Waar
zou ik nog kwaad over zijn?
In het interview met
Jessurun d'Oliveira, verschenen in 1965 in de bundel Scheppen riep hij gaat
van Au, zegt u: 'Mijn gedichten vind ik verwerpelijk, daar wil ik niets meer
van weten.' Toch publiceert u drie jaar later de bundel
Overgebleven
gedichten. U was dus blijkbaar intussen van mening veranderd. Ja.
Ik was iets van mening veranderd, maar u ziet het: Overgebleven gedichten,
de titel zegt het al, is maar een klein gedeelte uit de gedichten, die ik vóór
die tijd gepubliceerd had en die ik nog wel voor een deel niet mooi meer vind.
Ik moet er ook bij zeggen dat er in Overgebleven gedichten een aantal
ongepubliceerde gedichten staan, die ik nog niet gepubliceerd had in de tijd
van d'Oliveira, sommige geloof ik niet eens geschreven. En ten tweede dat ik
verbeteringen heb aangebracht in de versies, van de wel al
eerder
gepubliceerde gedichten.
In het reeds geciteerde
interview, met d'Oliveira, dat eigenlijk reeds in 1962 werd afgenomen, zegt u
ook: 'Ik loop ook met het plan rond voor een boek uitsluitend over
intellectuelen,
die hun geleerdheid au sérieux nemen, soms ook nog. Professoren misschien.' Nu
is er twaalf jaar later, in 1974, een boek verschenen,
Onder
professoren.
Uw moeilijkheden aan de universiteit van Groningen waren misschien de directe
aanleiding voor het schrijven van dit boek, maar het
plan bestond dus reeds heel lang. Kan dit boek niettemin toch als een
wraakoefening gelden? Nee,
dat moet niet zo gezien worden. Dat hebben de mensen ervan gemaakt. Aan dat boek
Onder professoren was ik al begonnen voor er van die moeilijkheden
sprake was. Het begin is uit 1969, dat ten eerste. Ten tweede kan je dus met dat
citaat van d'Oliveira aantonen dat het al in de pen was - maar dan wel in de
pen, nog geen druppel op papier - in 1962. Maar het plan is eigenlijk in tweeën
gesplitst, want waar ik over dacht in die tijd toen ik met d'Oliveira praatte,
was een ander boek, dat later
Nooit meer slapen is geworden.
Deze roman Nooit meer
slapen blijkt te wemelen van toespelingen op motieven uit de Noorse
mythologie en de Edda- en Saga-literatuur. Hieruit kan men afleiden dat er heel
wat voorbereidend
werk, heel wat lees- en studiewerk aan te pas komt, vooraleer u een roman begint
te schrijven. U bent, meen ik, ook vooraf naar Scandinavië geweest. Kunt u wat vertellen over de manier waarop de ideeën voor zo een roman groeien. Die
ideeën zijn, wat dit boek betreft, wel voor een groot deel gegroeid tijdens de
wandelingen door het noorden van
Zweden en
Noorwegen, die ik omstreeks 1960
gemaakt heb. Eigenlijk omdat het in dit geval goed kon, is dus de
entouragebeschrijving in dit boek volstrekt authentiek, maar dat kwam omdat ik
er zelf geweest was en omdat ik daar een wetenschappelijke expeditie heb
meegemaakt. Maar dan onder heel andere omstandigheden dan de hoofdpersoon in het
boek, want ik was veel ouder en er zijn helemaal geen ongelukken gebeurd en al
die dingen meer. Maar dat kwam nu eenmaal heel goed uit. Het verloop van de
werkelijk gemaakte tocht was bruikbaar als plan voor de denkbeeldige tocht
in het boek. Dat is toeval. Maar die elementen uit de Edda, die hebt u opgezocht als voorbereiding om dit boek te schrijven? Nou,
niet om dit boek te schrijven, maar op een bepaald ogenblik kwam dit te pas
omdat tussen de deelnemers aan de tocht een soort discussie ontstaat over wat
eigenlijk de waarde is van zowel theologische als geologische scheppingstheorieën.
En dat ze er zich over verbazen dat de primitieve mens rotsvast kon geloven aan
scheppingsverhalen, die voor 90 procent uit fantasie bestonden en de schepping
niet verklaarden, ook niet als ze waar zouden zijn geweest, maar die toch ook
wel een heel klein beetje op werkelijkheid berustten. Een voorbeeld: een van de
personen zegt naar aanleiding van die verhalen: Misschien dat er uit opgemaakt
kan worden dat die oude Vikings al enig idee hadden hoe het er in Italië
uitzag, met vulkanen en dergelijke. Terwijl het hele boek zich eigenlijk
bezighoudt met zin en functie van de geologische wetenschap en dus van de
schepping, was die discussie in het kader van het verhaal van belang om de visie
van deze mensen te ontwikkelen op de mythologie van het ontstaan van onze
wereld.
Het afwijzen van de
metafysica is een constante in uw oeuvre. Het komt reeds voor in uw eerste
roman,
Conserve, geschreven in 1943. Deze roman en ook enkele werken, die hierop volgen, beantwoorden helemaal niet aan het streven naar
waarachtigheid
dat uw latere romans kenmerkt. De gebeurtenissen, die hierin voorkomen,
kunnen gewoon niet echt gebeuren.
In die tijd had u dus andere opvattingen over literatuur? Kunt u daar iets
over vertellen en over uw ontwikkeling tot u tot de opvattingen omtrent de 'klassieke roman' bent gekomen? Er
zijn wat meer gratuite uitweidingen in dan in mijn andere werken, maar niet
veel. 't Meeste is er eigenlijk al even functioneel als later. Onitah's
mummificatie is voorbereid door haar afkomst uit mormoons milieu, waar men zich
met de oude Egyptenaren bezighield. Ferdinand is afkomstig uit Nicaragua, dus
een Maya, afstammeling van de Amerikaanse piramidebouwers, enz. Hoe ik aan die
'klassieke' roman kom? Heb ik al verteld, is al heel oud. Veertig jaar of nog
langer geleden werd over sommige Nederlandse schrijvers beweerd dat ze kafkiaans
waren. Lees je nu een echt verhaal van Kafka, bv. Die Verwandlung of In
der Strafkolonie, dan zie je dat dat ijzersterk in elkaar zit. En die
Nederlandse verhalen niet.
In een gesprek, dat in
1963 in
Gard Sivik verscheen, vertelt u dat u een dagboek houdt, maar
haast alleen als u gedeprimeerd bent. Welke rol speelt dit dagboek voor u?
Schrijft u daarin met het idee dat het ooit zal gepubliceerd worden? Nee,
ik schrijf daarin uitsluitend met het idee dat het nooit gepubliceerd zal
worden. Met het gevaar natuurlijk dat je onverhoeds kunt komen te overlijden,
waardoor het dagboek niet vernietigd wordt voordat je dood gaat.
Maar mijn dagboek is in hoofdzaak een omgekeerde agenda. Zoals in een
agenda dingen staan, die gebeuren moeten, staan in mijn dagboek: a. dingen die
gebeurd zijn en b. dingen die ik wil onthouden. Daarbij zijn dus ook dingen, die
ik eventueel later wil gebruiken in verhalen of romans. Er staan ook dingen in,
die ik op een bepaald ogenblik wil onthouden, maar die later niet van belang
zijn, die ik dus nooit zal gebruiken. Het is geen dagboek als een soort
literaire vorm. Je hebt mensen die er voor gaan zitten om een dagboek te maken
met het idee: nou, over twee jaar breng ik het naar een uitgever en publiceer ik
dat. Maar zo een dagboek is het helemaal niet. Het is een omgekeerde agenda. Hoe staat u tegenover de romantheorie die teruggaat tot Paul Valéry en thans vooral verdedigd wordt door Jean Ricardou, als zou de schrijver vertrekken van niets en ook niets te zeggen hebben, maar een taalrealiteit opbouwen, die letterlijk begint bij het eerste woord van zijn tekst. Het is er deze auteurs om te doen te laten blijken wat ten overstaan van een vrijwillig en willekeurig gekozen werkelijkheidssituatie de auteur helemaal niet weet, wat hij niet kan achterhalen of uitbeelden en wat hij niet door middel van de verbeelding mag op- of aanvullen, vertekenen of verdoezelen. Deze schrijfopvatting staat veel dichter bij een wetenschappelijke dan een dichterlijke aanpak van de realiteit en zou u dus, dacht ik, toch wel moeten aanspreken. Nou,
ik weet het niet, hoor. Ik ben er slecht van op de hoogte. Ik houd weinig van
Paul Valéry. En ja, taalrealiteiten en dat soort zaken, ik weet het niet. Ik
geloof dat taal toch altijd naar beelden verwijst en beelden oproept en dat dat
het voornaamste is. Het is heel moeilijk te zeggen wat het voornaamste is. De
taal die een schrijver gebruikt, is wel heel heel belangrijk. Het is zeer
belangrijk een taal te schrijven, die aan de ene kant niet echt literair is,
niet doorspekt bv. met archaïsche woorden, die niemand meer gebruikt, die aan
de andere kant ook vrij is van modieuze anglicismen, of gallicismen of
germanismen, die vrij is van het modetaaltje dat door journalisten wordt
gebruikt, vrij van het kletskoekvocabulaire dat je op de televisie hoort, enz.
Het is heel moeilijk om de taal echt zo te houden dat je er na een paar jaar nog
achter kunt staan. Ik geef direct toe dat het heel belangrijk is, maar dat dat
het enige is, dat geloof ik niet, nee.
Maar u hebt wel in De
God Denkbaar bv. een andere taal gebruikt
dan in uw andere boeken. Dat
is zo, maar dat zit vooral in twee dingen. Ten eerste is het grote gewicht dat
er gehecht wordt aan de ritmische waarde van de volzinnen, aan het ritme van de
woorden. En ten tweede, het ironische taalgebruik, de ironie waarmee je dus
woorden gebruikt die je anders niet zou gebruiken.
In De donkere kamer van
Damokles ziet de lezer de wereld vanuit het oogpunt van Osewoudt. Elke
observatie in de roman is hier even subjectief als in een roman in de ik-vorm. U
hebt zelf deze vertelvorm 'de verhulde ik-vorm' genoemd. Achter de
romanwerkelijkheid schuilt de alwetende auteur, die de elementen van zijn
romanrealiteit selecteert en structureert.
Wat u geordend hebt, wilt u echter laten doorgaan als zonder bedoeling en
toevallig. Ook gaat u graag schuil achter een maskerpersonage of zelfs een
fictief auteur. Waarom? Daar
ga ik helemaal niet zo graag achter schuil. In vergelijking met wat andere
auteurs op dat gebied gedaan hebben, ben ik daar zeer gematigd in. Ik schrijf
alleen iedere week een stukje in de krant onder pseudoniem, maar iedereen weet
dat ik dat ben. Maar dat heeft deze functie, dat die meneer, dat zogenaamde
personage, een beetje anders schrijft dan ikzelf schrijf. Hij schrijft over
alledaagse dingen, over kleine dingen enz., waar ik onder mijn eigen naam niet
over wil schrijven. Het is een veel sulliger en lichtzinniger figuur, dan ik
ben. Alles is erin samengebracht wat ik zelf heb op onbedachtzame ogenblikken.
Maar waarom hebt u dan
Het
evangelie van O. Dapper Dapper niet met uw naam ondertekend, maar wel als Schrijver
Dezes? Omdat
dat volledig in overeenstemming met de waarheid was.
U zei daarstraks dat de
Nederlandse literatuur niet hoog wordt geschat omdat er niet veel gebeurt in
deze romans, omdat de personages niet voldoende handelen. Maar in de Franse
literatuur zijn er toch heel wat beroemde romanciers, die hun personages ook niet laten handelen, waarin alleen de
innerlijke gemoedsbewegingen worden beschreven. Ik denk bv. aan Marcel Proust
en de nouveau roman van Alain Robbe-Grillet en Nathalie Sarraute. Ja,
maar de nouveau roman is het einde van de internationale betekenis van de Franse
romankunst geweest. Waarschijnlijk in een zeer veel Frans lezend land als België
wordt op het ogenblik nog Franse literatuur gevolgd, maar verder nergens ter
wereld meer. De nouveau roman is het einde. Niemand leest ze. Frankrijk is
literair failliet al zeker tien jaar. Dat is gewoon niet om door te komen. Nu
moet ik erbij zeggen, sommige van die nouveau romanmensen, laten we zeggen
Robbe-Grillet, dat was inderdaad wel wat, daar zat wel iets in. Hij werd zelfs
verfilmd. Als het uitsluitend woordkunst was,
zou je het niet kunnen verfilmen. Proust
ken ik erg slecht. Daar kan ik niet zo goed over spreken, maar hetzelfde
wordt, zeer ten onrechte, ook beweerd over Flaubert, die ik beter ken. Als je
een roman van Flaubert leest en je vergelijkt het met de navolging door Lodewijk
van Deyssel, dan zie je het pas. Als je een boek als Een Liefde van
Lodewijk van Deyssel leest, dan zie je pas wat een boek is waar echt iets
gebeurt. Maar een boek als Madame Bovary is heel rijk aan zeer zinrijke
en zeer expressieve gebeurtenissen, dingen die je nooit vergeet. Er wordt niet
alleen beschreven dat madame Bovary met een middelmatige dokter is getrouwd,
maar het wordt ook uitgebeeld hoe middelmatig die man was. Hij gaat een operatie verrichten, meen ik, op een man die een horrelvoet
heeft of iets dergelijks. Dat doet dan die meneer Bovary. En de man, die de
operatie ondergaat, die is voor zijn leven lang nog erger kreupel, loopt als een
levend bewijs van Bovary's fiasco door het dorp. Dat is geen beschrijving, dat
is uitbeelding. Dat is waar ik het over heb.
In uw oeuvre is ook de
vaderproblematiek belangrijk. Deze komt tot uiting in de tegenstelling tussen de
onmacht om te ontsnappen uit de familiale wereld en de voortdurende wil er
uit los te breken. In De donkere kamer van Damokles is de
'oude man' ook een duidelijke vaderfiguur. Als reactie tegen een sterk
Oedipuscomplex probeert het personage zich steeds te identificeren met de vader.
Ongetwijfeld schuilen er heel wat autobiografische elementen in uw boeken. Heeft
het schrijven voor u ook een therapeutische functie? Die
vraag kan ik met ja beantwoorden, maar zonder nu te zeggen dat het komt omdat ik
zo ontzettend aan mijn vader lijd. Het is wel waar dat ik mij zeer slecht voel
als ik een paar weken niet schrijf. Dan ga ik psychisch echt achteruit. Maar ik
schrijf niet uitsluitend over mijn vader. Het is waar dat ik me in mijn jeugd
door mijn vader tekort gedaan voelde, maar de tijd dat dit mij dwars zat, is
voorbij. Ik heb mijn vader nog meegemaakt toen hij een beetje zielige oude man
van 87 jaar was. Ik koester geen enkele jaloersheid of rancune of andere
gevoelens meer tegen hem. Niettemin ben ik na die tijd ook blijven schrijven. Ik
heb mijn vader allerlei verwijten gedaan, maar als je nu vraagt: wat denk je
over je vader?, dan zou ik zeggen: Ik had de indruk dat die man een heleboel
dingen verkeerd deed ten opzichte van mij en van mijn zuster, maar als ik het nu
achteraf bekijk, geloof ik wel dat die man niet anders kon dan hij gedaan heeft.
Hij heeft echt gedacht dat hij het volgens zijn beste kunnen deed.
U gebruikt vaak heel
curieuze namen in uw romans. Hoe komt u daaraan? Vindt
u dat? Nou, Nummedal is een bekende naam, dat is een Noorse naam. Dorbeck is ook
een bestaande naam. Die heb ik uit een oud literair woordenboek voor Noord- en
Zuid-Nederland uit de vorige eeuw. Dat soort boeken blader ik dikwijls door om
namen te vinden. Soms ook telefoonboeken, maar daar vind je altijd zoveel
dezelfde namen in, dat is wel vervelend. Maar uit dat boek heb ik veel namen
gehaald. De hoofdpersoon uit Nooit meer slapen, Issendorf. Ik vertel dat
zijn over-over-overgrootvader dominee was, die gedichten schreef. Die dominee
heb ik in dat letterkundig woordenboek gevonden. Die dominee bestond echt. Die
dominee kreeg in 1743 al zijn emiraat wegens ongeschiktheid, ha, ha! Of die man
een achter-achter-achterkleinzoon heeft, dat weet ik niet. Datzelfde geldt
voor Diederik Geelhoed. In de 18e eeuw heb je een dichter gehad, die heette
zo. Ook al lang vergeten. En Osewoudt, ja, dat vond ik een prachtige naam. Hoe
kwam ik daaraan? Ik woonde toen in de buurt van Den Haag, in Voorburg, in
1951-'52. Als ik van Voorburg naar Den Haag fietste, kwam ik aan de rand van Den
Haag langs een gebouw. Daar was een firma in verwarmingsapparaten: Osewoudt.
Voor ik het boek zelfs bedacht had, kwam ik dikwijls langs dat huis en ik zag
daar die naam Osewoudt. Dat vond ik een heel mooie naam. En ook heel gek,
nietwaar. Osewoudt is dezelfde naam als Oswald. Oswald, ook op een omstreden
manier om het leven gekomen. De moordenaar van Kennedy. Ook zo'n figuur,
misschien. Dat kon ik in 1952 toch echt niet weten.
U hebt in 1976 een studie
gepubliceerd.
De raadselachtige
Multatuli. Wat trok u nou bepaald aan in
de figuur van Multatuli? Ik neem aan dat er wel meer is dan het feit dat u hem
een groot schrijver vindt. Het
voornaamste dat mij nu in hem aantrekt - ik lees hem eigenlijk al sinds mijn
twaalfde jaar, in de loop van die tijd ben ik natuurlijk andere dingen van
belang gaan vinden - , maar wat mij nu in hem aantrekt, dat is dat hij eigenlijk
de auteur is, die het beste Hollands heeft geschreven. Er is geen enkele auteur,
zelfs niet uit veel latere tijd, die zulk goed Hollands schreef als hij.
Misschien ook wel het feit
dat hij eveneens een controversiële figuur was? Dat
boeide mij toen ik een jaar of twaalf was vooral. Op het ogenblik vind ik dat niet zo heel belangrijk meer. Hij wou de
Hollanders weg hebben uit Indië. Nu zijn ze weg. Maar er is toch niet veel
verbeterd voor de arme mensen daar. Ik vind het wel verwonderlijk dat hij zulk
een controversiële figuur was. Dat zo een man zo ontzettend eenzaam was, dat
tekent eigenlijk wel de conformiteit van het Nederlandse leven, niet alleen
toen, maar ook nu.
Tot afsluiting van dit
gesprek wil ik nog even terugkomen op uw manier van een roman te componeren en
het eventueel gebruik van een schema hiervoor. Wanneer u een roman begint te
schrijven, hebt u dan het boek al helemaal in uw hoofd? Ja,
grotendeels wel. Ik weet wel waar het over gaat. Conserve was de eerste
roman die ik heb gepubliceerd. In
Fotobiografie heb ik een schema van Conserve
weergegeven. Dat was niet groter dan één pagina. Meer dan zo'n soort schema
maak ik niet voor een boek. Het meeste schiet mij onder het schrijven te binnen.
Ik bedoel, je ziet de mogelijkheden. Ik kan me ook niet voorstellen dat andere
auteurs het anders doen. Het is inderdaad zoiets als een spel schaak of
misschien een kaartspel of een damspel, waarbij je de mogelijkheden pas ziet
wanneer het spel zich ontwikkelt.
Maar u werkt wel met een
cyclische constructie, waarbij dus van in het begin elementen worden aangegeven,
die later in het boek terugkomen en verder worden uitgewerkt. Dat
is een soort architectonische buitenkant, die op allerlei manieren kan worden
opgevuld. Soms heb ik die in mijn hoofd, soms niet. Die had ik bv. bij De God
Denkbaar wel in mijn hoofd. Het begint en het eindigt met het vliegtuig en
dat wist ik natuurlijk van tevoren. Maar bij andere boeken niet. Zo heb ik in Het
evangelie van O.Dapper Dapper pas helemaal tegen het eind gezien wat de
oplossing moest wezen van het hele geval, nl. dat O. Dapper Dapper zo groot werd
dat de biljartbal die zijn mond verstopte, vergelijkenderwijs nog maar een
zandkorreltje,
een rijstkorreltje in zijn keel was. Ik had het boek al grotendeels af, toen me
te binnen schoot dat dit de logische conclusie was van het verhaal. Voor
Nooit meer slapen ging het anders doordat de reis van de jonge man in het
boek vrijwel op de voet volgt de reis die ik zelf gemaakt heb. Dat was
natuurlijk zeer eenvoudig. 't Is een heel eenvoudig geconstrueerd boek. Dat is
een simpel boek om te schrijven, eigenlijk. Sommige personages hebben enkele
uiterlijke dingen gemeen met mensen, die ik daar ontmoet heb, maar verder
niets. De
professor Nummedal, die erin voorkomt, was in werkelijkheid niet een Noorse
professor, maar het was de directeur van de Luxemburgse geologische dienst, die
ik vrij goed gekend heb, zo omstreeks 1950, toen ik mijn eigen proefschrift
schreef, niet over Noorwegen, maar over Luxemburg uiteraard. Dat was inderdaad
een stok-stokoude man, die daar in Luxemburg in zijn eentje de geologische
dienst uitmaakte. Maar een heel knappe man eigenlijk wel. Trouwens, ook de
portier is historisch. Ik geloof dat ik die ook in Luxemburg heb gezien. Een blinde portier die met zijn vingers moest voelen hoe laat het was. U hebt eens gezegd: 'alles is gefantaseerd in mijn boeken'. Maar er zitten dus toch wel veel authentieke details in uw boeken. Ik
loop natuurlijk niet met mijn ogen in mijn zak. Het is, laten we zeggen, zoals
iemand die een mozaïek maakt, van steentjes die hij langs de weg gevonden
heeft. Maar het voornaamste van de mozaïek is dan toch gefantaseerd, ook al
is het samengesteld uit steentjes die je aan het strand hebt opgeraapt of zo.
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
|
|
Bezoek deze pagina's in uw eigen volgorde Plaats "WILLEM FREDERIK HERMANS" bij uw favorieten Ach, waar bemoei ik mij eigenlijk mee?
KENNISMAKEN MET WFH --- SPELLETJES MET WFH LUISTEREN NAAR WFH --- BIJSCHRIJVEN OVER WFH --- ADVERTEREN MET WFH NAAR DE FILM MET WFH --- AUTOBIOGRAFIE VAN WFH MULTATULI EN WFH --- SCHRIJFMACHINES VAN WFH TIJDSCHRIFTEN OVER WFH --- PLAATJES KIJKEN MET WFH WEINREB, EEN KWESTIE VAN WFH --- BOEKJES LEZEN MET WFH RIJMEN MET WFH --- WITTGENSTEIN EN WFH --- NAAR ZWEDEN MET WFH? AANDENKEN AAN WFH --- OP TONEEL MET WFH --- INTERVIEWS MET WFH POST VOOR WFH --- TE GAST BIJ WFH
Bij het samenstellen van deze site heb ik gepoogd bestaande rechten op tekst en afbeelding te eerbiedigen. Mocht er toch nog bezwaar zijn tegen het gebruik van materiaal, laat u dat dan onverwijld weten?
De links naar de verschillende pagina's werden voor het laatst bijgewerkt op: zaterdag 23 december 2006 |