INTERVIEW MET WFH
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
Elseviers Magazine, 26 maart 1977 Willem
Frederik Hermans Hoe sterk is de eenzame schrijver? Wim
Zaal
Wie
hem onze grootste romanschrijver noemt, krijgt geen tegenspraak. Maar wel zegt
iemand 'hij moet zo'n gemene man zijn' of 'zijn laatste boek viel tegen'. Altijd
het laatste. Haast
al zijn boeken worden zuinig ontvangen, maar zijn een maand ná de laatste
recensie reeds klassiek. En
is Hermans werkelijk zo zuur, of wil hij alleen ongehinderd kunnen werken? Heeft
hij Nederland dáárom verlaten? Wim
Zaal
bezocht hem in Parijs om over zijn leven, zijn werk en opinies te praten. In
Rome wordt dat jaar (1921) de fascistische partij gesticht; Engeland en Frankrijk
leggen Duitsland een oorlogsschatting van 400 miljard goudmark op; de
Nederlandse vrouwen gaan voor het eerst naar de stembus; Ierland wordt opgedeeld
in Vrijstaat en Ulster; de bioloog Köhler leert mensapen de regels van het
voetbalspel; om kort te gaan, 1921 is een voortreffelijk tijdbommenjaar. En op 1
september wordt ook nog Willem Frederik Hermans geboren. Zijn vader is
onderwijzer in Amsterdam, zijn moeder heeft voor haar huwelijk óók voor de
klas gestaan. Zij is nu op weg een illusieloze vrouw met een
lijdelijk-verzet-gezicht te worden; vader is streng, ouderwets en zuinig; in de
bovenwoning in de Overtoombuurt
heerst een ongastvrije sfeer. "Je hoefde
nog net geen pasje te laten zien om binnen te mogen," zegt Irene Vorrink
later, een schoolvriendin van Wims oudere zusje. De oudste anekdote over zijn
kindertijd heeft hij zelf vastgelegd: 'Ik
speelde met de deur van de huiskamer, die ik voortdurend
open en dicht deed. Mijn grootmoeder vermaande mij: Pas op,
straks komen je vingers tussen de deur. Ik antwoordde: Het
is toch zeker mijn eigen deur?' Die
grootmoeder weet wat. Ze woont vlak aan de overkant en komt gedurig
binnenstuiven om de opvoeding der kinderen te verbeteren. Maar hoe kil, benepen
en hakketakkerig het gezin ook mag wezen, het is keurig, keurig! De speeltuin,
de fiets, dat is allemaal niks voor Wim, en zelf is hij geen jongen die
aansluiting zoekt bij straatvriendjes. Over rampen en schandalen in andere
families wordt met schrik en afkeer gesproken, dat kan bij Hermans niet
gebeuren: alles is afgepast en beschermd. Wim
bezoekt het Barlaeusgymnasium waar hij zich niet afzondert, maar zich wel
scherp-eigenzinnig opstelt. Iemand van buitenaf, een kennis die P.C. Meyners
heet, fungeert als de 'vogel der dageraad' die ieder mens in zijn ontwaken nodig
heeft: hij vertelt over Multatuli en Domela Nieuwenhuis en helpt de jongen zich
zelf te ontdekken. Hij begint te schrijven, en na lange vertraging verschijnt
een bekroond opstel op 6 april 1940 in het Handelsblad, zijn eerste publicatie
buiten de schoolkrant. Ze levert zestien gulden op; die verdwijnen als
herstelbetaling voor reeds aangeschafte overhemden. Rechtstreekse
jeugdherinneringen zal Hermans later gebruiken in zijn novelle De
elektriseermachine van Wimshurst,
over een joch dat door zijn
massief-koude omgeving gedwongen wordt zijn dromen te onderdrukken en ronddwaalt
door het treurige Museum van de Arbeid met z'n goedkope muren en dun glas.
Misschien heeft hij daar wel zijn eerste oude schrijfmachine gezien, want het
stond er vol met overjarige apparatuur. Hermans
in 1977: 'Alles
van je kindertijd zit ergens diep in je ziel gefixeerd, maar ik heb niet meer de
behoefte daarnaar af te dalen. Als ik er nu iets van gebruik in mijn werk, zijn
dat dingen die vanzelf omhoog komen; splinters.' De
familie Hermans wil de oorlog het liefst met gekromde schouders ondergaan, maar
nee: Wims zus zoekt na de Duitse inval vrijwillig de dood. Ons soort mensen
heeft nu óók zijn drama. Wim
gaat eerst sociografie studeren (liever had hij geologie gedaan, maar vader ziet
daar niets in), daarna fysische geografie die tenminste met geologie verwant is;
in '43 moet de studie worden gestaakt en begint het grote schrijven. Het eerste
product, een briefroman waarin vader Hermans zwaar over zijn zoon lamenteert,
verdwijnt in de prullenmand; nog tijdens de oorlog volgen de roman Conserve
(verschenen in 1947), de verhalen uit Moedwil
en Misverstand (1948) en allerhand gedichten:
Ik zit alleen bij walmend licht,
schrijf in roet op 't plafond
een schichtig gedicht.
Maar wil ik het lezen en houd
ik het licht
omhoog, dan roeten de letters
weer dicht. Het
zijn haast voorspellende regels, want het schrijven van poëzie, met als
merkwaardigste resultaat de bundel Horror
Coeli, wordt een episode waar hij later niets meer om geeft. Ook de keuze
uit eigen werk die hij in de jaren zeventig samenstelt onder de titel Overgebleven
gedichten, interesseert hem nu niet meer. De
bevrijding van Nederland
wordt in de roman De tranen der acacia's,
kort na de oorlog ontstaan, laconiek weergegeven: 'De
vrijdagavond echter dat de bevrijding
tenslotte inderdaad van verwachting werkelijkheid werd, deed hij niets anders
dan zijn raam opschuiven om op straat te kijken.' Veel
later kenmerkt Hermans de bezettingsjaren als een lange hindernis voor zijn werk
en studie. De bevrijding lijkt slechts een ingreep in gedragspatronen: de mensen
zelf veranderen niet. Er is dan ook geen tegenspraak tussen de aanduiding
'hindernis' en het feit dat de oorlog in zijn boeken een steeds terugkerende
belichting vormt - onder dat snijdende licht wordt de mens gedwongen tot iets
extreems, het tonen van zijn eigen gezicht. In de dagelijkse omgang toont hij
slechts maskers, aangepast aan zijn milieu. 'En
mij kun je een mens zonder milieu noemen,' zegt
Hermans. Dat is een beslissende uitspraak, een sleutelwoord, en het verklaart
ook heel wat conflicten. Al
direct probeert hij een plaats te veroveren in tijdschriften, een zo prominent
mogelijke plaats, want hij is sterk gericht - zelfs belust - op eigen expansie.
Collega's uit die eerste tijd krijgen later het gevoel slechts gebruikt te zijn
('onze vriendschap is er een uit wantrouwen', zegt Adriaan Morriën al in 1947);
er ontstaan allerlei polemieken, maar omdat Hermans beter schrijft dan zijn
tegenstanders, overleeft alleen zijn kijk op het geval. Hij probeert in die
jaren de studie, het schrijven en het geldverdienen te combineren: een tijdlang
is hij controleur voor een houtbedrijf in Canada. 'Toen
ik pas begon te publiceren,' zegt hij, 'kreeg ik vaak te horen dat mensen mijn
werk niet snapten. Dat gold zowel voor Conserve
als voor mijn verhalen, waarvan gezegd werd dat zij de lezer woordblind maakten.
Dat begréép ik eenvoudig niet, ik was toch geen experimenteel! En dan die
vreemde tegenwerking, mensen als Binnendijk of die opgeblazen nul van 'n Victor
van Vriesland die overal in leescommissies zaten en de verschijning van mijn
eerste boeken zoveel mogelijk dwarsboomden. Van Vriesland doceerde dat De
tranen der acacia's pornografie was, dus werd het boek door de Bezige Bij
geweigerd. Vraag Lubberhuizen maar.' Hij
vertelt dat in Parijs, waar hij in de buurt van het Parc Monceau een degelijk
appartement bewoont. In de brede corridor staat zijn verzameling oude
schrijfmachines opgesteld in rekken langs de muur; glazen deuren geven toegang
tot een plechtig aandoende salon; daarachter ligt zijn werkkamer, enigszins
verdonkerd door boekenwanden. Boven zijn werktafel, met twee schrijfmachinerieën
die klaarblijkelijk in revisie zijn ('deve madhine kan niit sdrijven ½&ddf'),
hangen portretjes van Multatuli en de fotograaf-uitvinder
Nadar. Willem
Frederik Hermans is een uiterst voorkomende sfinx, een hoofse gastheer met air
van reserve om zich heen; hij spreekt bijvoorbeeld veel liever over zijn recente
Franse lectuur dan over zichzelf. Aan uitvallen tegen andere schrijvers heeft
hij weinig behoefte meer. 'Nederland
is tenslotte ver weg, en gelukkig maar! Ik begrijp absoluut niet waar ze zich in
Nederland druk over maken, het is een land waar volstrekt niets schijnt te
gebeuren. Hier in Frankrijk, met de gemeenteraadsverkiezingen bijvoorbeeld,
hebben de mensen het idee dat de wereld naar hen kijkt, Nederland daarentegen
voelt zich klein en is al dolblij als het met sportwedstrijden in de halve
finale komt. CDA, PPR, ik weet nauwelijks meer waar het op slaat, en in
vraaggesprekken spelen die politici het klaar om volstrekt niets te zeggen, vage
praats; in Frankrijk zouden mensen van dat slag niet eens meer in de krant
mogen! Als ik Nederlandse dagbladen lees, is dat om de literaire rubrieken,
waardoor ik 'n beetje bij blijf. Ik leef hier in een betrekkelijk isolement, in
zoverre ik weinig kennissen heb; maar toen ik in Groningen woonde had ik die
óók niet veel, en 't is hier altijd beter dan in Groningen, moet je maar
denken. Parijs is voor mij de mooiste stad van de wereld.'
'Nooit over gedacht om op het platteland te gaan wonen?' 'Als
je daar de deur uitgaat zie je een koe lopen. Dat interesseert me niet zo erg.
Iedereen in Nederland herkauwt al. Dat is een nationale ziekte, ook in de
literatuur. Nederland overschat vanouds de buitenlandse auteurs, daar mag je
geen kwaad woord van zeggen. Ik las laatst een oud Engels boek over Europese
literatuur, en het hoofdstuk over Nederland begon met de vaststelling:
Nederlanders hebben een grote geringschatting voor de schone letteren. Zelfs Multatuli, bij wie de leesbare literatuur zo ongeveer begint, wilde geen
schrijver zijn: stel je voor, verhaaltjes maken! Dat was liegen!'
'We zijn waarschijnlijk meer een schilders- dan een
schrijversvolk.' 'Kijk,
er wordt vaak gezegd dat het calvinisme onze literatuur benadeeld heeft, maar
Engeland was ook protestants-puriteins en heeft desondanks altijd een rijke
literatuur bezeten, en het protestantse Scandinavië evengoed. Dat klopt dus
niet. De oorzaak moet eerder zijn, dat Nederland geen aristocratie bezat, geen
hofcultuur; vergeet niet, hoge literatuur ontstond om het hof bezig te houden.
Nu ja, en je kunt gerust zeggen dat het Nederlandse volk niet bepaald begiftigd
is met speelsheid. Speelsheid in Nederland! Luns had in z'n gezicht nog wel iets
van een saxofoon, maar vérder...'
'Vertalingen uit het Nederlands lopen meestal slecht. Maar
een Franse dame die zo'n verscholen Couperus-vertaling plagieerde, kreeg er een hoge literaire prijs voor.' 'Daar
heb je het. The spy who came in from the
cold van John le Carré vertoont ook merkwaardige overeenkomsten met De
donkere kamer van Damocles en later bleek hij die roman, in vertaling,
inderdaad te hebben gelezen. Onze vertalingen dienen dus om geplunderd te
worden. Dat is ónze bijdrage. Maar wat
geef ik om vertalingen? Wat heb ik er aan om in het kader van een of andere
overeenkomst in het Roemeens of Bulgaars te verschijnen? Dan staat zo'n boek
(waarvan je niet eens kunt controleren of het nog op het oorspronkelijke lijkt)
stilletjes in een bibliotheek te vergaan, tot er een aardbeving komt of zo. Het
enige Nederlandse boek dat internationaal echt heeft aangeslagen is het dagboek
van een tienjarig meisje, en in Frankrijk of Amerika denken ze nog altijd dat
die Anne Frank een Duitse was. Weten die veel van de Prinsengracht!'
'Misschien is er iets fout met de begeleiding van
schrijvers door de kritiek...' 'En
door de uitgevers! Nederland is het land van de schrijvers die nooit boven een
veelbelovend debuut uit komen. Als ik uitgever was, zou ik me bij beginnelingen
steeds afvragen wat ze nog méér in hun mars hadden dan die debuutroman. En dan
de kritiek, ach. In de tijd van Ter Braak en Du Perron werd gedacht dat Herman
de Man of A.M. de Jong modeschrijvers en eendagsvliegen waren. Maar Van Schendel,
die moest zo nodig een auteur van Europese allure zijn.' 'Hij
wordt overigens weer gelezen.' 'Ik
weet het maar snappen doe ik het niet. Zijn taalgebruik is zo gekunsteld, zo
onnatuurlijk - voor mij even ver als de taal van Potgieter. Zelf heb ik vroeger
meestal slechte kritieken gehad en er deugt nóg niet veel, geloof ik. Maar ik
lees het nu niet meer: dat is wél zo rustig hier in Parijs. Ik weet niet wat er
in Nederland over mij gekankerd wordt, of niet gekankerd.' Jaren
achtereen
worden alle boeken van Hermans met een zekere zuurheid ontvangen. Over de
novelle Het behouden huis
schrijft een krant in 1951 dat het beslist niet aangenaam om te lezen is ('het
boek van Anne de Vries zal dat voor de meesten meer zijn') en Elsevier deelt mee
dat de literaire criticus zijn plaats moet afstaan aan de psychiater. Dat komt
goed uit want daar weet Simon Vestdijk alles van, en hij schrijft: "Hermans
zélf is geen nihilist; hij is een van die weinige auteurs, die het feit hebben
aanvaard dat wij onherroepelijk in een nihilistisch tijdvak leven." Daarmee
is in feite de vraag naar Hermans' generatie gesteld. Hij zou thuis moeten horen
in de buurt van Gerard Reve, Harry Mulisch en Bert Schierbeek. Maar wij zien hem
daar niet staan. Reve is katholiek, exhibitionist, romanticus en literaire
speculant geworden. Mulisch wordt door Hermans gerespecteerd, maar niet helemáál
ernstig genomen: 'Hij leidt de wereldrevolutie vanaf het balkon van de sociëteit De Kring.' Schierbeek wordt een Vijftiger, en het waakzame
intellect van Hermans belet hem rond te drijven op een oceaan van onderbewust
geklots. In een tijd dat Schierbeek druk bezig is met experimenteel proza, werkt
Hermans aan een Description
et génèse des dépôts meubles de surface et du relief de l'Oestling, zijn
proefschrift. Terugblikkend op de Vijftigers zegt hij: 'Nogmaals,
ik ben een mens zonder milieu. Denk aan de experimentelen, dát was milieu, maar
dat wordt inteelt en wederzijdse ophemelarij. In
het begin van de jaren vijftig publiceert hij in het tijdschrift Podium
fragmenten uit een nieuwe roman, Ik heb
altijd gelijk. De hoofdfiguur, juist terug uit Indië waar hij als
onderofficier gediend heeft (zijn jongensjaren tonen weer overeenkomst met die
van de schrijver) stelt zich woedend teweer tegen het kneuterige voorttelende
Holland. Anton van Duinkerken heeft galant als mening: "Deze letterkundige
maakt van antipapisme een glorietitel voor zichzelf en ontleent hier de
vrijmoedigheid aan, zich uit te drukken in bewoordingen, die Julius Streicher
zich als antisemiet niet veroorloofd zou hebben te gebruiken, omdat een laatste
restje stijlgevoel hem van hun menselijke onwaarachtigheid en maatschappelijke
minderwaardigheid zou hebben overtuigd." Het
komt tot een strafvervolging wegens belediging van het katholieke volksdeel, een
dwaasheid natuurlijk, omdat de opinies in kwestie zijn uitgesproken door een
romanfiguur. Al tijdens het proces krijgen de aanstichters dus spijt en bazuinen
zij rond dat het boek te onbenullig is voor zoveel eer... 'In
geen enkel opzicht ben ik een Multatuli,' schrijft Hermans in die periode. Ik
ben er nooit op uit geweest iets te
dragen. Ik heb altijd alles zo veel mogelijk van mij afgeschud, alles van
mij afschudden is het enige dat ik zou willen. Ik ben de enige niet die dit wil.
Maar wij worden lastig gevallen, aldoor opnieuw.' Hermans
in 1977: 'Er is onder de katholieken erg veel veranderd sindsdien, maar wat vind
je van zo'n Van Duinkerken! En die man is in zijn tijd toch serieus genomen!
Enfin, daar kan ik mijzelf niet van beschuldigen. Ik was destijds niet geïnteresseerd
in de vraag wat Van Duinkerken bezielde, maar alleen hoe ik hem belachelijk zou
maken.'
'Hij heeft pas een standbeeld gekregen.' 'Haha,
in Nijmegen zeker!'
'Nee, in Bergen op Zoom. 'Carnavalspret
dus! Een standbeeld krijgen betekent meestal dat je niet meer gelezen wordt. Een
soort afkoop.' Het
proces heeft tot gevolg dat hij geweerd wordt uit een expeditie naar het
Sterrengebergte op Nieuw-Guinea, want de expeditieleider is katholiek en men
vreest blijkbaar dat Hermans hem in 't geniep zal opvreten. In
dezelfde tijd begint hij een toneelwerk, een onderdeel van zijn oeuvre dat niet
naar waarde wordt geschat, althans zelden de planken haalt (uitspraak in een
bittere bui: 'Geen groter toneelspeler dan de Nederlandse: als hij zijn eigen
baard laat staan, lijkt het nog een aangeplakte') Voor de opening van een
boekenweek wordt een éénakter gevraagd, 'waarin de volkomen ommekeer te zien
wordt gegeven, die een brief brengt in een bepaalde situatie ter plaatse waar de
brief wordt ontvangen'. Hermans
schrijft Het omgekeerde pension
waarin de ommekeer letterlijk plaats vindt: het huis, dat op z'n kop staat,
krijgt door de komst van een brief zijn normale positie terug. Maar de eenakter
heeft ook een lading die door het komische van de situatie eerst niet opvalt,
namelijk de paniek en desoriëntatie van vereenzaamde mensen. Zoals meestal, is
het fantastische, surrealistische element sterker dan het ontledende. Volgens
Hermans dient een schrijver trouwens geen amateur psycholoogje te spelen: een
roman moet niet ontleden en verklaren, maar laten zien. De kunstenaar werkt met een ander systeem en van een
andere optiek uit dan de psycholoog. De ordening van de werkelijkheid is dus ook
anders: voorwaarde is echter dat de kunstenaar zo helder mogelijk ordent. Dat
hoeft natuurlijk niet in een a-b-c-volgorde te zijn. Zo worden de samenhangen in
een roman van Hermans meestal niet opgehelderd door een geleidelijk verloop van
gebeurtenissen, maar moet de lezer ze vinden door het combineren van wat je
'trefpunten van intensiviteit' kunt noemen. Bij de eerste lezing ben je zó
gefascineerd dat je veel over het hoofd ziet; pas bij de tweede lezing krijgen
allerlei verstrooide attributen hun betekenis is het geheel, dat er dus iets
anders uit gaat zien. Een andere opvallende trek in zijn 'creatief nihilisme'
is het merkwaardige fluïdum rond zijn personages (heel in de verte is
daar een verwantschap met Bordewijk); misschien is het ook geen fluïdum maar
een koker van leegte, een luchtzak, die ze om zich heen hebben. Ze staan los van
elkaar en in hun ontregelde wereld doen zich bij elke aanraking schokken voor;
alleen de liefde kan de leegte vullen. Het
publiek denkt meestal dat een romanschrijver 'mensen moet observeren' en moet
baantjesrijden in de literaire, sociale en politieke circuits van zijn tijd. Dat
kán hij, maar het hoeft niet. Hij moet weten hoe hij een brood koopt omdat hij
anders verhongert; en verder moet hij weten hoe je de wereld van de geest moet
uitdrukken in de realiteit van een zin, een alinea, een hoofdstuk, een boek.
Maar zijn mensen schept hij zelf: 'Iedere schrijver identificeert zich met al
zijn personages,' heeft Hermans eens gezegd. Die vereenzelviging is natuurlijk
niet volledig. Laten we voorzichtig zeggen dat hij 'in al zijn personages
aanwezig is'. Dat
wil overigens niet zeggen dat hij zijn autobiografie uitschrijft, trouwens, als
hij dat wilde hoefde hij geen romans te maken! Vandaar dat Hermans ook zegt: 'Ik
denk niet dat ik ooit mijn autobiografie zal schrijven, het zou ontaarden in een
roman.' Dankzij
het werk van de verbeelding stelt het boek zich dus vóór de maker ervan. Pas
wanneer de hoofdpersonen en situaties zó regelmatig gelijke kenmerken vertonen,
dat hun wereld zich in de geest van de lezer vastzet, wordt de schepper van dat
universum van belang. Dan is hij immers 'iemand die steeds hetzelfde boek
schrijft'. En dat is bij Hermans het geval. 'Je
hebt schrijvers
die alles vijftig keer opschrijven, bewerken, verscheuren, opnieuw beginnen...
maar zo gaat het niet bij mij. Ik schrijf betrekkelijk snel. Alleen de
incubatietijd is lang: vóór ik met het schrijven begin loop ik weken en zelfs
maanden te ijsberen en op mijn ideeën te kauwen, ik maak dan een miniem schema,
en hup, aan het werk! Niet onmachtig op inspiratie wachten, inspiratie is
bruikbaar voor dichters, maar als romanschrijver heb je discipline nodig. Ik
neem me 's morgens voor, tien bladzijden te schrijven en dan worden het er één
of twee. Dat is niet erg. Als je maar doorwerkt. Alleen heeft de tijd soms
kuren. De donkere kamer van Damocles heb ik al ontworpen in 1952. Ik ben
toen begonnen te schrijven, heb het weer weggelegd, voegde er nu en dan een stuk
aan toe, en begin 1958 zat ik pas op de helft. De rest heb ik toen in één ruk
afgeschreven. Vrijwel direct daarna heb ik Herinneringen van een Engelbewaarder bedacht en er zo'n twintig
bladzijden van geschreven. Toen een stuk van Onder professoren, en pas 'n jaar of tien na de start heb ik de Engelbewaarder
voltooid.'
'Maar dan moet je de oude stukken toch helemaal bijwerken,
lijkt me; er gebeurt misschien iets heel anders dan je zes of tien jaar tevoren voorzien hebt.' 'Natuurlijk,
want ook in de periode dat je niet schrijft ben je ermee bezig, dus dan
verandert de structuur wat. En al heb ik tevoren een globaal idee over de vorm,
de lengte en de kleur van een
boek, toch gebeuren tijdens het schrijven allerlei dingen die je niet hebt
ingecalculeerd. Van de Donkere kamer
heb ik de eerste hoofdstukken inderdaad moeten bewerken, vooral heb ik dingen
tussengevoegd die latere gebeurtenissen een scherper profiel geven. Maar
ingrijpende veranderingen, nee. Ik geloof niet zo hard in schrijvers die beweren
dat hun personages een volstrekt eigen leven gaan leiden en
heel andere dingen doen dan ik wil; dat is een mooie uitspraak om lezers
mee te lijmen, maar... enfin, bij mij is dat niet het geval. Alleen overkomt een
personage wel meer dan ik voorzien had dat kón gebeuren. Een roman is nu
eenmaal complexer dan een schema.'
'U bent een van de weinige schrijvers die goed vrouwen
kunnen neerzetten. Het schijnt dat een vrouw minder moeite heeft mannen te beschrijven dan omgekeerd,' 'Is
dat zo? Kan wel, Ik heb de indruk dat vrouwen niet zozeer belangstelling hebben
voor mannen, als wel belangstelling voor de belangstelling die mannen voor hen
tonen.'
'Laat u een manuscript vóór publicatie aan iemand anders
lezen, voor commentaar of controle?' 'Nee.
Niet uit principe, maar de kritiek die ik er zelf op heb is meestal strenger dan
die van anderen. Wel is het zo, dat ik ná verschijnen van een boek allerlei
kleine ongerechtigheden opmerk, zodat ik in de tweede en derde druk ga zitten
veranderen; uitgevers vinden dat meestal vervelend, maar ze zouden juist blij
moeten zijn met auteurs die hun werk alle zorg geven. De laatste jaren wordt dat
veranderen steeds minder, maar in de heruitgaven van mijn vroeger werk heb ik
nogal zitten schaven. En dan zou je het liefste willen dat de eerste druk niet
meer bestond, dat die door de mieren opgegeten werd.'
'U schrijft zo helder als... als een Fransman.' 'Niets
is zo gemakkelijk als rookgordijnen leggen, niets zo moeilijk als eenvoud. Dat
is zweten geblazen. Maar de lezer heeft te maken met het eindproduct, en niet
met mijn kermen en weeën. En ach, helder schrijven... er zit ook een verháál
in mijn boeken. De meeste Nederlandse romans hebben te weinig verhaal (daarom
wordt de verfilming ervan meestal knudde); dat is een oude kwaal, ook de kritiek
kijkt op het verhaaltje neer
alsof het iets vies is...' Hermans
heeft
eens voorspeld dat zijn boeken nog in de kerken zouden worden aanbevolen, en
vijf jaar na de roomse furie luidde Gerard Knuvelder in De Tijd het
rehabilitatieproces in met de uitspraak: 'Hermans bezit in zijn schrijven iets
van de blijmoedigheid van een Benedictijner monnik.' Die zin zal in Groningen
(waar Hermans lector fysische geografie was geworden) wel met de nodige sarcasme
zijn ontvangen, want de schrijver was juist in zijn vinnigste jaren. Zijn
polemieken waren zelfs zo scherp dat geen enkele uitgever ze wilde bundelen,
zodat hij het na jaren zelf maar deed: het zijn de roemruchte
Mandarijnen op zwavelzuur. De roem van Menno ter Braak werd omgesmolten
tot het zinnetje 'hij was echt niet helemaal onbegaafd', en verder hadden vooral
J.B. Charles, Adriaan van der Veen, Bert Voeten, Anton van Duinkerken ('een
brontosaurus uit Vaticaanstad'), Theun de Vries, Adriaan Morriën en H.A.
Gomperts het zwaar te verduren. De boekuitgaaf kwam eigenlijk veel te laat. Voor
degenen die de aanleidingen en het vaak humorloze verweer van de slachtoffers
niet meer kenden, was de afrekening slechts amusement. Ingrijpender
is de roman die Hermans' werk van de jaren vijftig afsluit, De
donkere kamer van Damocles, opnieuw gesitueerd in de oorlog. Ook hier
gaat het niet om het oorlogsgebeuren zelf, maar om het ondoorzichtige luchtledig
dat in die tijd ontstaat en waar de fantastiek, de science fiction van de
menselijke geest doorheen raast. Na
een jarenlange ruzie met zijn uitgever Van Oorschot
(geculmineerd in de satire
Uitgever
Oorwurm in Podium, maart 1962) gaat Hermans over naar de Bezige Bij, waar
zijn typerendste roman Nooit meer slapen
verschijnt. Op één niveau wordt er een geologische expeditie naar het noorden
van Noorwegen in verteld, op een ander niveau is het een onbewogen ontmaskering
van alle waarden of schijnwaarden waar men in het leven naar opziet. Hermans is
dan al in staat van de pen te leven, maar wil dat niet. 'Het
idee om in Nederland als schrijver te leven, zou betekenen het typisch
schrijversleventje te leiden: op het Leidseplein hangen en reclametekstjes
schrijven voor Omo.' Al
is de mandarijnenserie afgesloten, Hermans blijft niet zonder commentaar op wat
er gebeurt, en als pater Anastase
Prudhomme SJ geeft hij nog met zalving een paar vegen uit de pan: 'Onder
de gelovigen die ik in mijn lange leven ontmoet heb, is er maar één met wie
Gerard Kornelis van het Reve vergeleken kan worden. Dat is Tartuffe.' Enkele
jaren daarna kiest hij partij in de Weinreb-zaak, tot in een vraaggesprek over
zijn katten toe: 'Weinreb
zou ik zelfs als poes niet in huis willen hebben. Maar ik ben wel van plan de
memoires van de poes door Renate Rubinstein te laten redigeren. Hoe slecht
memoires ook zijn, indien geredigeerd door Renate Rubinstein komen ze toch in
aanmerking voor de prozaprijs van Amsterdam.' Een
recent rapport bevestigt dat de anti-Weinreb-visie van Hermans de juiste geweest
is: 'Maar
hoe is het mogelijk,' roept hij, 'dat een man als Nuis nog te beroerd is om toe
te geven dat hij fout is geweest in de Weinreb-zaak - en die juffrouw Rubinstein,
wat kán dat mens me ergeren!' In
het begin van de jaren zeventig ontstaat heibel over 'de vervulling van zijn
onderwijstaak in Groningen'. Zelf schrijft hij de problemen aan de
democratisering toe, die normaal werken onmogelijk maakt, maar twee christelijke
Kamerleden weten niet hoe vlug ze vragen aan de minister moeten stellen. en een
hoogleraar komt in de kranten klagen dat Hermans 'een nagel aan onze doodkist'
is. Geïrriteerd neemt de lector in de zomer van 1973 ontslag en kort nadien
verlaat hij Nederland, waar de Paus en Calvijn vervangen zijn door Marx zonder
dat er werkelijk iets veranderd is, ja, 'de
liefde, vroeger door de dominees verboden, is er door sekswinkeliers en weggekomen
priesters tot iets buitengewoon onaantrekkelijks gemaakt.' Zijn
tv-drama Periander op een thema
van Herodotus werkt hij dan nog uit tot een botsing tussen gramschap en volledig
onbenul, tussen denken en domhouden, tussen eenling en massabeweging. 'Periander
is niet geschikt voor jeugdige kijkers of soortgelijke aanhangers van Karl Marx,'
schrijft
hij voor in de boekenuitgave. En een laatste wraakoefening is het lijvige
spotschrift Onder professoren
over de lege gewichtigdoenerij der Wetenschappelijke Wereld. 'Mijn
dagelijkse leven hier in Parijs? Daar vindt u geen sensatie in. Ik schrijf - al
verraad ik niet wát, want daar rust een vloek op. Fotograferen doe ik minder
dan vroeger, omdat het mij bij schrijven makkelijker valt iets te maken wat er
precies zo uitziet als ik het hebben wil, dan bij fotograferen. Nu en dan ga ik
met mijn vrouw naar de opera...'
'En wat leest u?' 'Voornamelijk
boeken waarin ik verwacht iets te vinden dat mij interesseert. Ik lees dus om
mij te informeren. Geen romans, nee. Naarmate ik ouder word, vind ik het
prettiger een roman te schrijven dan er een te lezen.'
Voor
de (her)uitgave van dit interview werd toestemming verleend door: ©
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
|
|
Bezoek deze pagina's in uw eigen volgorde Plaats "WILLEM FREDERIK HERMANS" bij uw favorieten Ach, waar bemoei ik mij eigenlijk mee?
KENNISMAKEN MET WFH --- SPELLETJES MET WFH LUISTEREN NAAR WFH --- BIJSCHRIJVEN OVER WFH --- ADVERTEREN MET WFH NAAR DE FILM MET WFH --- AUTOBIOGRAFIE VAN WFH MULTATULI EN WFH --- SCHRIJFMACHINES VAN WFH TIJDSCHRIFTEN OVER WFH --- PLAATJES KIJKEN MET WFH WEINREB, EEN KWESTIE VAN WFH --- BOEKJES LEZEN MET WFH RIJMEN MET WFH --- WITTGENSTEIN EN WFH --- NAAR ZWEDEN MET WFH? AANDENKEN AAN WFH --- OP TONEEL MET WFH --- INTERVIEWS MET WFH POST VOOR WFH --- TE GAST BIJ WFH
Bij het samenstellen van deze site heb ik gepoogd bestaande rechten op tekst en afbeelding te eerbiedigen. Mocht er toch nog bezwaar zijn tegen het gebruik van materiaal, laat u dat dan onverwijld weten?
De links naar de verschillende pagina's werden voor het laatst bijgewerkt op: zaterdag 23 december 2006 |