|
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
INTERVIEW MET WFH
New Foundland, jrg 1, nr 2, 1981
'Kraken
in de Krakeling'
Het
Hermans - Goedegebuure debat van 7 juni 1981 in 'De Krakeling' Zo
volledig mogelijk! Mét
de discussie na de pauze
In Tirade no. 268
(september 1981) werd een gedeeltelijke weergave afgedrukt van het gesprek dat
Jaap Goedegebuure in het openbaar voerde met Willem Frederik Hermans.
Omdat de auteur weigerde de hem door de interviewer toegezonden tekst, die
inmiddels is gepubliceerd, te autoriseren volgt hier de versie van het interview
die de autorisering draagt van Willem Frederik Hermans en Jaap Goedegebuure.
Waar de auteur dat nodig achtte, heeft hij hier en daar de ambiance in de zaal
gekarakteriseerd. Organisator
Ernst Veen: Dames en heren, bijzonder welkom! En een
bijzonder welkom voor onze gasten, de heer Hermans en de heer Goedegebuure. Dit
is de laatste literaire ontmoeting van De Populier1 en we hebben
gastvrijheid gekregen, hier in De Krakeling. De ruimte van De Populier is te
gering, maar laat ik u zeggen: wanneer ik alle aanvragen gehonoreerd zou hebben,
hadden wij in Carré moeten zitten. Maar dat kon helaas niet, omdat de VPRO
bezig is met voorbereidingen van het programma 'De noodzaak van Ballet',
vanavond op de televisie te zien. We zijn erg blij dat u er bent en wij gaan
vanmiddag het gesprek beluisteren tussen de heer Hermans en de heer Goedegebuure.
Een gesprek dat de heer Hermans na vele jaren es toestaat om, met publiek, te
praten over werk en wat er nog meer aan de orde komt. De volgorde is dat voor de
pauze het gesprek zich centreert rond deze twee heren hier op het podium en dat
na de pauze u de gelegenheid krijgt vragen te stellen. U ziet hier een microfoon
voor de versterking, maar ook microfoons van de VARA-radio. Wanneer u nog een
keer het gesprek wilt horen, of een gedeelte ervan, kunt u dat aanstaande
woensdagavond om kwart over acht op Hilversum 2 doen. Maar nu graag het woord aan
u beiden. Dank u. Goedegebuure: Willem Frederik Hermans, de man voor wie u
vanmiddag hier gekomen bent, behoeft nauwelijks een introductie. Ik denk dat
er hier wel niemand zal zitten die nog nooit een boek van hem gelezen heeft. Aan
zijn toch wel zeer uitgebreide oeuvre dat enige tientallen titels omvat, is
zojuist de roman Uit talloos veel miljoenen toegevoegd, een boek dat
straks waarschijnlijk nog wel ter sprake zal komen. Ik wil het met de heer
Hermans vooral hebben over een aantal opvattingen over schrijven en
schrijverschap, zoals hij die de laatste 35 jaren in interviews en artikelen
heeft verkondigd. Frans Janssen heeft twee jaar geleden in de inleiding van de
interviewbundel Scheppend Nihilisme berekend, dat Hermans de afgelopen
35 jaar zo'n 85 maal geïnterviewd is, vraaggesprekken voor radio en tv
meegerekend. 1 het seizoen
1980-1981. Als ik het goed heb, is dit
de eerste maal dat hij geïnterviewd wordt met publiek erbij. Een vorm van
openbaar optreden die de laatste tijd de klassieke lezing met gelegenheid tot
het stellen van vragen na afloop, steeds meer is gaan verdringen. Ik wilde
graag beginnen met de definitie van interviews zoals Hermans die zelf in het
begin van deze interviewbundel geeft. Hij zegt daar: "Een interview is in
de regel een gesprek tussen twee mensen die elkaar nooit eerder hebben gezien"
(in ons geval is dat óók zo) "waarbij de een de ander vragen stelt die
mensen, die de geïnterviewde beter kennen, hem zo goed als nooit stellen en
dikwijls niet eens zouden durven stellen." (hilariteit) Ik wil beginnen met
zo'n soort vraag: (gelach) Vorige week verklaarde u in de Volkskrant dat
de jaren die u in Parijs hebt doorgebracht, de gelukkigste jaren van uw leven
zijn. In het werk dat in die periode van u is uitgegeven, ligt een vrij sterk
accent op dingen die tot stand zijn gekomen doordat u meewerkte aan dagbladen en
magazins. In de Groningse tijd verschenen er veel meer romans en verhalen dan
in de laatste periode. Betekent dat nu dat het schrijven van verhalen en romans,
en jezelf gelukkig voelen, twee dingen zijn die elkaar bij u uitsluiten? Ik
vraag het ook omdat u het schrijverschap wel es heeft gedefinieerd als een
gebrek. Ik citeer nu letterlijk: "Een woekergroei van een bepaalde
geestelijke
functie." Hermans: Nou kijk, nu haalt u eigenlijk twee dingen door
elkaar. Maar voor ik daar dieper op inga, wil ik op mijn beurt u een klein
beetje introduceren. Er is mij namelijk aanvankelijk gevraagd of ik voelde
voor het voeren van een openbare discussie en toen heb ik gezegd: ja, dat is
eigenlijk alleen in hoofdzaak aardig als het es een keer is met iemand die het
niet helemaal met mij eens is. En ik had namelijk - ik ken de heer Goedegebuure,
ik kende en ken hem heel weinig, maar ik had van hem gelezen een kritiek op het
nog ter sprake te komen boek van Frans Janssen - Bedriegers en bedrogenen
- en ik kreeg de indruk: de heer Goedegebuure die is het misschien wel níet met
me eens. Dus: een openbare discussie is eigenlijk veel interessanter als het
gaat tussen twee mensen die het niet zo met elkaar eens zijn. Goed, men
heeft zich in verbinding gesteld met de heer Goedgebuure en die schreef mij
een brief terug dat hij een bewonderaar was van mijn werk, niet van àl mijn
werk maar van het meeste dan toch wel. Dat heb ik zeer op prijs gesteld want de
heer Goedegebuure is niet de eerste de beste, hij is kort geleden cum laude
gepromoveerd op een proefschrift over Marsman... bij Gomperts... maar goed, toch
gepromoveerd. (hilariteit) Maar goed, nu wou u dus weten waar mijn geluk in die Parijse periode uit
bestaat. Of dat er mee te maken had dat ik in Parijs, volgens u dan, meer
beschouwingen of stukken in tijdschriften, in magazines, in weekbladen, in
dagbladen, zou hebben geschreven, dan romans en novellen. Ik vind dat een verbazingwekkende
vraag moet ik u eerlijk zeggen. U moet niet schrikken. Ik zal u niet opeten,
maar het is een vréémde vraag en het obsedeert u al zo lang, want ik had
ondertussen in deze tas al enige documentatie verzameld, maar... nou ja, ik zal
er toch maar mee voor de dag komen. Hier heb ik een mapje, ... waar beginnen we
mee... wacht eens eventjes... o nee dat is van iemand anders... Hier! Ja! Hier
hebben we dat. Uit Tirade no 20, 1976. Ik
weet niet precies welke maand van 1976 dat nummer van Tirade verschenen
is, maar ik zal toen 2½ à 3 jaar in Parijs hebben gewoond. Wat staat daar? Het
begint als volgt: "Het stemt treurig de verloedering gade te slaan van de
naoorlogse generatie romanciers. Van het Reve, Hermans, Mulisch en Claus - een
stukje hatelijkheid over Campert sla ik nu over - allemaal zijn ze dus verloederd
want die maken 'magere producten' en 'dikbelegde broodschrijverij' en het 'wordt
dan ook nog toegejuicht door de domme claque van de dagbladkritiek." Nou,
ik denk, dat stukje moet verschenen zijn of geschreven in ieder geval, kort
daarna, heel kort hierna moet dat zijn geweest, kwam ik voor de dag met een hele
dikke roman, genaamd Onder professoren. Is het waar of niet? G: Dat stukje is geschreven ná Onder professoren. H: Maar dat merk je niet in dat stukje. (hilariteit) Daar
staat niks over. U doet alsof het niet geschreven was. Ja op die manier kunt u
makkelijk gelijk krijgen. (gelach) U
kunt makkelijk schrijven iemand schrijft geen romans, die schrijft alleen
stukkies in de krant. Nou, bon. Ondertussen heb ik toch m'n best gedaan om
meneer Goedegebuure op z'n wenken te bedienen en... Wat toen?... Het is
moeilijk hoor, m'n documentatie is niet goed maar wel onverbiddelijk. (gelach) G: Is het misschien toch maar niet beter om over uw
opvattingen te praten, want over mij is het erg moeilijk, naar het schijnt. H: Nee, ik denk er helemaal niet over. Hier, nu heb ik
niet alleen Onder professoren, een heel dik boek, geschreven. Een paar
jaar daarna heb ik ook nog twee novellen geschreven. Allebei in hele mooie
boekjes uitgegeven, prachtig gedrukt, gebonden, enzovoort. Wat schrijft meneer
Goedegebuure nu? "Zoethoudertjes van Hermans." Dus dat is ook weer
niks, hè. "In afwachting van een nieuwe, al aangekondigde roman, kreeg het
lezerspubliek van W.F. Hermans het afgelopen jaar twee korte verhalen als
zoethouders aangeboden." Nu moet u zich eens goed
voorstellen hoe - ik ben er helemaal niet kwaad over of zelfs maar verdrietig -
het is, ja het is zo vréémd, zoals de ene mens soms in Nederland de andere kan
bewonderen. (hilariteit) Want hij denkt dus... ik bedoel, als je dit leest dan
denk je, nou die Hermans dat is iemand die denkt: ik doe niets anders dan iedere
week een stukje in Nieuwsnet schrijven, en dan zo nu en dan nog een
langer stukje in de NRC schrijven, en wat zullen ze wel zeggen! Het
publiek staat te dringen op de stoep voor een nieuwe roman. Hoe houd ik ze me
van het lijf. Weet je wat, ik zal ze eens gaan zoethouden. Ik ga vlug een
boekje maken, ik laat het publiceren bij De Bezige Bij, ik zeg: nou, met een
flinke leesletter drukken dan wordt het goed dik, hè. Een mooi gebonden bandje
eromheen en dan gaat het zestien gulden kosten en dan zijn ze zoet. Zo dènkt u
dus over mij. Ja... G: Of over uw uitgever. H: Ik ben er niet kwaad of verdrietig over, maar het is
mis. Zo dènk je niet over een auteur die je bewondert. Echt niet. En bovendien,
wat dan nog meer. Hoe kun je nu zó denken over een auteur die al bijna 60 jaar
is, een arme oude man! Hè? (applaus) Het zou vanzelfsprekend zijn dat hij het
voornaamste van z'n oeuvre achter zich heeft, hè. Ik bedoel, Du Perron, die
schreef Het land van herkomst toen was hij geloof ik 34, 35 jaar en
daarmee was het afgelopen. Dat vindt u dan wel prachtig. Marsman die schreef -
ja wat schreef die - Zelfportret van J.F., daarna niks meer. Marsman
schreef niks anders dan stukjes in de krant en niet eens erg goeie. Ik schrijf
tenminste hele goeie stukjes in de krant. G: Als u mijn boeken zou lezen dan zou u dat ook bevestigd
zien. Ik heb er ook helemaal geen geheim van gemaakt dat Marsman slechte stukjes
in kranten schreef. H: Nou ja, maar ik bedoel: dat kun je die man toch niet
kwalijk nemen, Die man die moest ook... ja, die zat in Zuid-Frankrijk, die
moest toch ook zo nu en dan een gebakken eitje eten en een flesje wijn drinken.
Die man die moest toch iets doen, hè. Ik bedoel, het is onzinnig om van een
auteur die uitgepraat is, te vergen: Hij moet nu wéér een dik boek schrijven
en wéér een dik boek en wéér een dik boek. G: U wilt toch niet zeggen dat u zichzelf als uitgepraat
beschouwt? H: Ja, ik weet niet. Als je dus Goedegebuure leest over
mijn allernieuwste boek - daar heb ik óók een stukje over. Dat is ook weer een
heel dik boek, heb ik pasgeleden geschreven. Daar schrijft Goedegebuure over...
vier kolommen in de Haagse Post, maar die vier kolommen, drie van de vier
kolommen, die gaan niet over het boek, maar die gaan over de moeilijkheden
waarmee
boekbesprekers het zich lastig kunnen maken. En waarmee kunnen ze het zich
lastig maken? Ik vind het verbazingwekkend voor iemand die zolang Nederlands
gestudeerd heeft en cum laude gepromoveerd is, dat hij zegt: "Een van de
problemen waarmee de boekbespreker het zich lastig kan maken is dat van de
genres." Ja God, dat is toch lagereschoolstof! Moet je daar nou, als je een
boek gaat bespreken, moet je dan drie kolommen over genres gaan schrijven? Wat
de moeilijkheden van de kritiek allemaal zijn? G: Nou, de moeilijkheden bij uw laatste boek zijn bij
voorbeeld
dat er twee dingen volstrekt door elkaar lopen, namelijk satire en
psychologische roman. H: Ja maar, u bent geloof ik bijna de enige die dat denkt. G: Nee, ik niet alleen. K.L. Poll denkt dat. H: Ja!... G: Willem Kuipers denkt dat, de hele Nederlandse kritiek
zoals die tot nu toe op uw boek heeft gereageerd, denkt dat. H: Nee, maar bij voorbeeld Philippe Noble uit Parijs, die
denkt dat helemaal niet. Hè? (gelach) G: Dat spijt me dan voor Philippe Noble. H: Ja, dat zal hem een zorg zijn! Moet u horen
(hilariteit) Ja, zo kun je toch niet te keer gaan. Hier: "Satire. Nog een
voorbeeld dat me dichter bij het voorbeeld van vandaag brengt. Onder
professoren, 1975, is een veel minder goede roman dan De de donkere kamer
van Damocles of Nooit meer slapen." Maar ondertussen, vóórdat Onder
professoren geschreven was, toen beweerde u al dat ik was verloederd omdat
ik geen romans schreef. Ik laat me dan verleiden om het er toch nog een keertje
op te wagen. Niks hoor. Wat hoor ik dan? "Veel minder goede roman dan De
donkere kamer van Damocles, 1958, of Nooit meer slapen, 1965. Maar
het is misschien onrechtvaardig W.F. Hermans op het procrustesbed van zijn
vroegere kwaliteit te leggen, wanneer men in Onder professoren voor alles
satire wil zien." Nou, maar dat móet u ook niet voor alles willen.
(hilariteit)
G: Ja, maar het boek wordt gelezen zoals het zich aanbiedt
en het is bij Onder professoren onontkoombaar om daar voornamelijk
satire in te willen zien. H: Hoe een boek gelezen moet worden... Daar is zo
ontzettend veel over te zeggen. Dat is al met de oudste romans het geval. Neem
bijvoorbeeld Defoe's Robinson Crusoe. Dat kan, meestal bewerkt en bekort,
gelezen worden als een leuk kinderboek: avonturen op een onbewoond eiland,
enzovoort. Maar dat boek is ook heel goed te lezen als een soort parabel. De
eenzame mens die helemaal opnieuw moet beginnen, de nieuwe Adam.
Het is zowel te lezen als een zeer diepzinnig boek, alsook als een
onderhoudend boek voor kinderen of kinderlijke geesten. Hetzelfde geldt voor Don
Quichotte. Zoals u misschien weet, ja, al die flauwe kul, die
magazine-artikeltjes die ik schrijf, leest u misschien wel niet meer, maar de
laatste tijd hou ik me enigszins bezig met Gobineau. Gobineau was een zeer
romantische
geest en vereerde dus de zogenaamde ridderroman, dat wil zeggen de échte
ridderroman, niet Don Quichotte, dat een parodie op een ridderroman is of
wel als zodanig wordt opgevat. Dus Gobineau had een grote hekel aan Cervantes
en zei: Cervantes maakt de ridderroman belachelijk. Hijzelf nam dat soort
dingen, zoals Amadis de Gaule helemaal au sérieux. Hij heeft ook zelf
een groot gedicht op Amadis de Gaule gemaakt. Maar andere mensen denken
over Don Quichotte heel anders. Het was het lievelingsboek van Multatuli,
die zag daarin het lot van de mens die het goede bedoelt, maar tegen windmolens
vecht, onder de voet gelopen wordt door de varkens, nietwaar. Don Quichotte komt
een troep galeislaven tegen, hij heeft medelijden met die mensen, hij geeft ze
wat geld en als ik 't me goed herinner, dan overrompelen ze hem en pakken ze hem
ál z'n geld af, hè. Veel mensen vinden dat dus een diep tragisch boek, of
eigenlijk een tragikomisch boek, want Don Quichotte kun je ook als een
satire opvatten.
Ik bedoel, het ligt helemaal
aan de intenties van de lezer, wat hij er allemaal uit wil halen. En dat u dus
met alle geweld in Onder professoren satire wilt zien, ja, ik kan het u
niet verbieden maar ik geloof dat u het mis heeft. U zegt er nog meer over. G: Ligt het niet aan de intenties van de auteur? H: U zegt verderop (daarom vind ik u eigenlijk wel erg
ondankbaar): "Onder professoren is zeker een van de amusantste
geschriften die de Nederlandse letterkunde de afgelopen tien jaar heeft
opgeleverd." Nou, daar ben ik al dolblij mee, als me dat, verloederd en al,
gelukt is. (hilariteit) Daarom houd ik eigenlijk in m'n hart wel veel van u.
(gelach) Maar ik wou u toch even op
een paar kleine ongerechtigheden wijzen. Die kloppen niet. Nou, wat nog meer. O
ja, het hekelen van de lachwekkende toestanden aan een universiteit in het
Noorden, zou dat dus eigenlijk de hoofdzaak zijn?... Dit is heel merkwaardig...
Dat hebben ook diverse professoren uit Groningen gezegd. Die zeiden, toen het
boek pas uitkwam, dat zal alleen in Groningen gelezen worden, dan gaan de mensen
gniffelen en dan gaan ze proberen te raden wie daar allemaal op de hak genomen
worden in dat boek. Maar zoals u weet, is dat helemaal niet het geval, het boek
wordt ook veel buiten Groningen gelezen. G: Ik zeg ook niet, dat het alleen in Groningen gelezen
wordt, ik zeg dat Groningen duidelijk de achtergrond is waartegen het geplaatst
is. Het is zonder Groningen ondenkbaar. H: Mag dat niet? G: Natuurlijk mag dat. Ik heb toch ook duidelijk gemaakt
dat het wel best buiten Groningen komt ook, dat het niet alleen buiten Groningen
gelezen wordt, maar dat het zelfs op meer dingen betrekking heeft dan alleen in
Groningen aanwezig. Leest u het slot van mijn stuk dan maar even hardop voor. H: Het slot? Wacht even. "Gefixeerd als hij is op
Groninger platvloersheid, laat hij er weinig twijfel aan bestaan dat het er
buiten Groningen anders aan toe zal gaan." -U bent ook nog dichter zie ik.
(hilariteit) Maar waarom is het nou op Groninger platvloersheid gefixeerd? Laten
we nu even heel ernstig worden, hè. Ik bedoel, het is natuurlijk helemaal
niet waar. U weet toevallig dat ik een tijdje in Groningen gewoond heb en daarom
zegt u het is Groninger platvloersheid, maar het is helemaal niet typisch
Gronings. G: Uw laatste boek speelt toch in Groningen? H: Ja, natuurlijk, hè. Maar waarom zou ik het op Hawaii
moeten laten spelen waar ik nooit geweest ben? Het spreekt toch vanzelf dat je
iets laat spelen in een omgeving die je kent. Ik heb ook wel es een boek
geschreven dat ergens speelde waar ik nog nooit geweest was. Daar hoef ik toch
geen gewoonte van te maken? Ik heb toch het recht om een boek te schrijven over
een plaats waar ik geweest ben? G: Nee, dat is juist, dat typeert u juist zo enorm. Dat u
de boeken steeds laat spelen op plaatsen waar u geweest bent, waar u vertrouwd
mee bent, waar u nog bepaalde rekeningen mee te vereffenen hebt. H: Och nee. Dat is ook zoiets. De Nederlandse
handelsgeest, die dringt heel veel door in de Nederlandse kritiek: steeds zeggen
van rekeningen vereffenen enzovoorts meer. Maar ach. Als dat de bedoeling was,
dat kan ik toch beter een stukje in Nieuwsnet schrijven of... G: Maar waarom gaat u dan in dit boek voor de tweede maal
terug naar Groningen? H: Maar m'n goede beste meneer, ik heb twintig jaar in
Groningen gewoond. Ik bedoel dat is het voornaamste of misschien niet het
voornaamste, maar een heel voornaam ding van wat ik te vertellen heb. G: Ja, maar ik zie toch in uw houding iets tweeslachtigs hè.
U hebt ooit, in de tijd toen u nog in Groningen zat, gezegd dat u een typisch
Nederlandse en tot mislukking gedoemde vlucht uit het provincialisme vond om in
Parijs te gaan wonen. Nou, u bent in Parijs gaan wonen. H: Ja, maar kijk, als ìk het doe, is het wat anders.
(gelach) G: Als Du Perron het doet, dan is het een vlucht uit het
provincialisme. H: Ja, die heeft het maar een jaartje gedaan en toen is
hij gauw weer weggelopen. Toen is hij gauw naar de Indonesische provincie
teruggegaan. G: Nee meneer Hermans, hij is... vier jaar heeft hij in
Parijs gewoond. H: Nou ja, vier jaar. G: Er zit iets ambigu's in uw houding ten opzichte van
Nederland. Aan de ene kant maakt u er geen geheim van dat u het klimaat hier
verstikkend vindt en met name het literaire klimaat, u hebt gezegd de
Nederlandse literatuur is een vacuüm waarin niet te leven valt. Aan de andere
kant vindt u het kennelijk toch steeds nodig om terug te komen naar Nederland.
En dat strookt dan weer met bepaalde andere uitspraken die u gedaan hebt.
U hebt gezegd dat het de taak is van de Nederlandse auteur om de eigen
Nederlandse situatie zo diep te doorgronden in haar samenhang met de rest van de
wereld, dat ze algemene geldigheid krijgt en in het verlengde ervan ligt een
uitspraak als deze: "Alle literatuur is provinciale literatuur. Wat is
wereldliteratuur? Het is literatuur die in provincies speelt waar de hele wereld
belangstelling voor heeft." Daar kan ik dus uit afleiden dat u, dat het een
van uw intenties is met uw laatste twee boeken om de wereld belangstelling te
laten hebben voor Groningen. H: Nou, nee, niet speciaal Groningen. Maar voor wat er
omgaat in een kleine afgesloten gemeenschap zoals je aan universiteiten
aantreft, waar sommige mensen het verder brengen dan andere mensen. Wat er in
een dergelijke groep leeft, dat wel. Ik heb dat omdat ik Groningen goed ken in
Groningen gesitueerd, maar dat zal ook in andere plaatsen kunnen gelden. U
noemt trouwens zelf, in uw eigen beschouwing, een Engels boek dat ik niet kende,
maar er zijn er meer die soortgelijke milieus beschrijven. U ziet, dat is
helemaal niets bijzonders. Wat de kwestie van haat tegen Nederland betreft, ja,
ook dat is helemaal niet zo iets excentrieks. U moet bedenken
iemand als James Joyce heeft na z'n dertigste jaar, nog erger dan ik,
nooit meer een voet in Ierland gezet. Maar alles wat hij schreef, speelde in
Ierland. Al zijn gesprekken gingen over Ierland. Hij dacht uitsluitend over
Ierland. Daar had hij groot gelijk in, want een auteur kan, geloof ik bijna
alleen iets waardevols voortbrengen als hij het heeft over datgene wat het
diepst in hem zit, en wat in iedereen het diepste zit, dat is zijn geboorteland. G: Het zou dus bijna juist zijn om te zeggen dat u een
haat-liefde-relatie met Nederland onderhoudt. H: Als u mij een etiket op wilt plakken dat is mij best,
maar daar gaat het allemaal niet om. Het gaat erom wat de betekenis is van de
boeken die ik schrijf daarover. En haat-liefde, ja maar, dat is het 'm juist
weer. U vat bijvoorbeeld dit boek ook zo op. Om nu eens iets anders te noemen
wat u zegt. "Het vaderschap blijft hem - dat is dus de mannelijke
hoofdpersoon van het boek - levenslang onthouden omdat Sita na haar abortus
voorgoed onvruchtbaar blijkt te zijn. In zijn niets ontziende sarcasme laat
Hermans het boek trouwens eindigen met de aankondiging van een gynaecoloog dat
'de hele boel' eruit moet." Maar mijn god, dat is een heel natuurlijk
gebeuren, het is een vrouw die tegen de vijftig loopt, die dus klaarblijkelijk
baarmoederkanker heeft. Dat is heel triest, dat is toch niet aan mij te wijten.
Dat heb ík toch niet gedaan, dat is de natuur die dat doet. (gelach) Ik
beschrijf daar iets wreeds wat in het leven gebeurt. Maar dat heb ik niet
bedacht, dat heeft de natuur bedacht. G: Maar u bent toch de creator van deze personen. U heerst
toch over deze personen als een god. H: Ja, ik ben natuurlijk wel god, maar ik ga bij de andere
god te rade voor mijn beschrijvingen. Ik houd rekening met wat díe gemaakt
heeft. G: En die heeft zoiets als baarmoederkanker laten bestaan. H: Die heeft dat uitgevonden, ja, ik niet. (hilariteit) G: Ik wou toch nog even terugkomen op die verhouding tot
Nederland. Die liefde-haat-relatie die u met Nederland onderhoudt, daarin
komt u niet alleen met Joyce overeen wat Ierland betreft, maar het is zo
langzamerhand een Nederlandse traditie aan het worden hè. Van de
Schoolmeester tot Multatuli, Marsman, Du Perron. H: Ik weet niet of het verschijnsel in Nederland ernstiger
is dan in andere landen. En misschien is dat niet eens zo. Veel Nederlanders,
vooral in het literaire tijdperk waar, naar ik geloof u erg goed in thuis bent,
namelijk de tijd van Forum, die dachten dat Frankrijk het literaire Mekka
was. En dat is het ook in zekere zin, maar ja, dat is niet te verwonderen. Het
is een erg groot land met een hele oude cultuur, met verschrikkelijk veel
belangrijke schrijvers. Maar daarom betekent het niet dat dat verschijnsel zich
in Frankrijk niet zou voordoen. Gobineau had een verschrikkelijke haat tegen
Frankrijk. Stendhal, die wou nog liever in Milaan geboren zijn dan in Grenoble.1
G: Ja maar toen hij in Civita-Vecchia zat, verging het
lachen hem natuurlijk wel, hè. H: Of hij het nou in Civita-Vecchia zo prettig vond, weet
ik niet, maar in ieder geval hij wilde dus dat op z'n graf kwam te staan: Arrigi
Beyle, Milanese, hè. Milaan! Daar moest hij vandaan komen, Het is helemaal niet
zo'n uitzonderlijk verschijnsel. Daar zou iemand anders een proefschrift over
moeten schrijven, want u heeft al een proefschrift geschreven. Het fenomeen dat
speciaal auteurs een dergelijke haat tegen hun vaderland kunnen opvatten is op
zichzelf misschien een heel wonderlijk verschijnsel, maar ik bedoel, hoewel ik
zelf enigszins daaraan lijd, ik kan daar niet zo à la l'improviste een
uiteenzetting over geven. G: Maar heeft het er niet mee te maken dat u zich een
beetje een profeet voelt die in eigen land niet geëerd wordt? Dat er niet naar
u geluisterd is, niet alleen dat u... u hebt jarenlang gezegd, mijn werk wordt
niet gelezen, ik ben een miskend auteur. Maar daar komt nog iets bij, het is ook
zo dat u in uitspraken buiten uw boeken een aantal dingen aan de orde hebt
gesteld die met literatuur niet zoveel te maken hadden. U hebt bijvoorbeeld
jarenlang gewaarschuwd tegen overbevolking. U hebt gezegd die overbevolking daar
wordt in Nederland een premie op gezet. H: Ja. G: Via de kinderbijslag, een door de christelijke partijen
aangezwengelde situatie. U hebt dingen gezegd over woningnood. U hebt zelfs
gesproken over het binnenhalen van gastarbeiders, om gehuwde vrouwen het werk te
beletten. Toen in '66 het kabinet Cals viel, hebt u gezegd: Ik heb in 1951 al
tegen die man gewaarschuwd, en nu zie je wat er van komt. (gelach) Is het niet
een beetje uw noodlot dat u door de loop van de gebeurtenissen in het gelijk
wordt gesteld, door de loop van de gebeurtenissen, terwijl het onheil al
geschied is? H: Ja, dat is ook zo. Ik heb al, wanneer was dat... Toen
het Groningse aardgas ontdekt werd hè. Toen ging de grootste politicus van
Nederland, Den Uyl, voor de televisie beweren: dat was zo fijn, nu gingen alle
kolenmijnen dicht want we hadden toch zoveel aardgas, en dat moest tegen een
ramsjprijs uitverkocht worden want anders zouden ze in andere landen ook aardgas
vinden en dan zou Nederland met z'n aardgas blijven zitten. En zo. Hè? Allemaal
gezegd hoor! (hilariteit) Toen heb
ik ook gezegd dat dat onzin was. Het was schandelijk, dat was eenvoudig geld
weggooien. Het is een grote schande geweest dat die Nederlandse kolenmijnen
haastjerepje gesloten zijn. Goed, er waren sommige bij waar de arbeid zeer
bezwaarlijk was; in (1 Stendhal hield vooral van het Comomeer en van Napels) . andere was dat minder. Er
was een prachtige mijn bij Vlodrop: Beatrix, die was pas aangelegd maar nog niet
helemaal geëploiteerd, maar er waren al miljoenen in
gestoken. De meest moderne mijn ter wereld zou dat worden. Nou, toen hebben ze
een prachtig groot gat in de grond geboord en ineens, hup, afgelopen. Nee we
hadden aardgas. Dit was nou toevallig een terrein... als ik het over
overbevolking heb dan zeggen ze: ja maar Hermans is geen demograaf, waar praat
die over. Of over gastarbeiders: ja, hij is geen econoom. Maar dit had nou iets
met geologie te maken. Maar nee hoor, dat kon je eenvoudig in die tijd niet
zeggen. Iedereen zei: ja, dat spreekt vanzelf, we gaan dat aardgas uitverkopen.
En misschien was er wel naar geluisterd als niet bekend was geweest dat ik ook
enkele romans had geschreven. (hilariteit) Dat zit er achter, hè. G: Dat wil dus zeggen dat u vindt dat in Nederland de schrijver
niet serieus wordt genomen. H: Ja. Nu zijn er natuurlijk veel schrijvers die zomaar
uit hun hoofd wat onzin beweren. Dat we moeten ontwapenen bijvoorbeeld. Ik ken
schrijvers die indertijd nog beweerd hebben dat we Stalin om de hals moesten
vallen. Dat soort dingen meer. Als naar zulk soort onzin niet geluisterd wordt,
dat is logisch nietwaar? Of als een andere schrijver gaat beweren: ja, er zijn
bewijzen dat juffrouw Turksma Weinreb heeft verraden en als ze er niet zijn, dan
zijn ze er wel geweest, en waar zijn ze gebleven, enzovoorts meer. Ja, als dan
de mensen zeggen: schrijvers beweren alleen onzin, geef ik ze gelijk. Maar ik
bedoel als je ook es iets verstandigs zegt, wat ik geloof ik enkele malen gezegd
heb... G: Maar toch is het ook in die Weinreb-zaak en ook in de
zaak Lindeman1, de King-Kong-affaire. H: Ook zo iets! G: ...het een beetje uw noodlot geweest dat u wel gelijk
hebt gekregen maar het niet hebt behaald op uw polemieken. U bent door het
Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in het gelijk gestéld, achteraf. Hun
conclusies die convergeerden met de uwe, maar u hebt zelf het gelijk niet kunnen
behalen. H: Ja. Dat komt dus omdat die mensen niet naar een
schrijver luisteren. Als professor Lieftinck dat beweerd had, maar die had net
het tegenovergestelde over Weinreb beweerd, dan was er wél geluisterd.
Lieftinck en Tinbergen; wie nog meer, Diepenhorst, die beroemde gereformeerde
Diepenhorst (hilariteit) en weet ik wie allemaal nog meer, hè. Als die allemaal
direct gezegd hadden, nou ja, die Weinreb is wel grappig, die man is een grote
schurk geweest, hij is er na de oorlog nog goed afgekomen, hij probeert zich
eruit te praten, gaat z'n memoires publiceren, allemaal flauwekul, stelt
zichzelf voor als een verzetsheld, belachelijk natuurlijk, maar begrijpelijk,
slim van die man dat hij dat doet... Nou dan was de zaak daarmee dertig jaar na dato uit te
plussen, hè. Nou, u ziet het, ik kon dus twaalf jaar geleden al zeggen dat het
onzin was. 1 Bedoeld wordt Lindemans (WFH)
Twaalf jaar later komt er
een rapport uit en dan blijkt dat het inderdaad allemaal onzin is en dan zijn er
nog mensen die het niet geloven... Ja!... (gelach) G: Die positie van profeet die in eigen land niet wordt
geëerd,
de man die vrijwillig in ballingschap gaat naar Parijs omdat het klimaat in
Nederland niet te harden is, dat geeft u allemaal iets van een romanticus, hè. H: Ik weet het niet. Waarom is dat zo romantisch? G: Nou niet alleen dat is romantisch, er zijn andere
trekken die ik ook tamelijk romantisch vind bij een man als u. Bij voorbeeld het
absolutisme waarmee u uw idealen kennelijk heel hoog gesteld hebt en de
absoluutheid waarmee u uw teleurstellingen, als idealen geweld aangedaan
wordt, tot uitdrukking brengt. Bij voorbeeld de hoge eisen die u aan literatuur
stelt. U heeft ooit gezegd dat slecht geschreven boeken een persoonlijke
belediging aan uw adres
waren. H: Moet u eens horen, dat is wel zo, maar ik heb het al
heel erg lang geleden gezegd, hè. Maar ik sta er nog wel achter, ja. Maar het
is niet zo, natuurlijk, dat ik nu nog er een hobby van maak om mij door ieder
slecht geschreven boek te laten beledigen. G: Behalve af en toe hè. Het geval van Buddingh' bij
voorbeeld.
U heeft dat vorige week in de Volkskrant nog es gereleveerd. H: Buddingh'? Over Buddingh', dat is eigenlijk in
vergelijking met sommige stukken die ik vroeger over voor mij beledigende boeken
heb geschreven, een heel aardig stuk. Ik wijs hem alleen op een paar
stijlfouten, op een paar drukfouten en zo, verder niet. (gelach) G: Het merkwaardige is, u komt terug op die uitspraak
waarvan u zegt die is heel lang geleden gedaan, u zegt in dat stuk in De
Volkskrant: "dan had hij mij maar niet met dat boek onder ogen moeten
komen. Hij wist wie ik was." H: Dat zeg ik niet zo, nee, maar nu moet u even de zaak
reconstrueren. De interviewer, Pam, zegt tegen mij: weet u wel, Buddingh' was
van dat stuk een gebroken man. Hè? Dus u weet toch die arme Buddingh', ook een
man op leeftijd hè, de ene ouwe man die kraakt de andere ouwe man. Is dat niet
een triest gezicht. Had u niet wat medelijden met Buddingh' kunnen hebben?
Toen heb ik dus gezegd, of bedoeld te zeggen: Ja hoezo? Buddingh' publiceert een
boek, Buddingh' wist allang dat ik bestond, Buddingh' wist allang hoe ik over
boeken schreef, dus Buddingh' had vóór hij het boek publiceerde, moeten denken
dat zou Hermans wel es kunnen lezen. Zal
ik dan, als dat gebeurt, een gebroken man zijn ? (applaus) Dat had hij moeten
doen. En dan had hij moeten denken, dat zal wel zo gebeuren, hè. Hij had
desnoods, als hij het niet vertrouwd had, als hij nog enige hoop had gekoesterd,
mij het manuscript kunnen sturen en dan had ik gezegd "Cees niet doen, want
ik breek je". Hè? Maar dat heeft hij allemaal niet gedaan. Nou ja... G: Ja, het heeft er een beetje van weg dat u zich de
vertegenwoordiger bij uitstek voelt van de literatuur, de bewaker van
kwaliteit. H: Ik vertegenwoordig niets! Ik vertegenwoordig helemaal
niks en niemand! Maar deze dingen zijn zo evident, zelfs voor de slachtoffers,
want als ik ongelijk had gehad, dan had Buddingh' zich toch geen gebroken man
gevoeld? Dan had hij gezegd: Nou, Hermans is getikt, en we gaan over tot de
orde van de dag. Tja! G: Nou u kunt dan wel zeggen dat u niemand
vertegenwoordigt, maar ook in dat zelfde interview in de Volkskrant zegt
u, spreekt u toch over hogere instanties. Ik weet niet hoeveel ironie daarin zit
hoor, hoe gekscherend u gesproken hebt, maar het frappeerde mij. Het frappeerde
mij ook dáárom omdat in een stuk van uw kunstbroeder, Gerard Reve, (een stuk
wat overigens nog niet gepubliceerd is, u kunt het helaas niet kennen) daar zegt
Reve over u dat u niet alleen een romanticus bent, maar zelfs een religieus
romanticus. En daar keek ik in het begin nogal van op. Maar toen ik die
uitspraak in de Volkskrant las over hogere instanties die u keurend
gadeslaan en een uitspraak als deze "het is voor een schrijver onmogelijk
in ernst te denken dat er geen god bestaat", ja, toen dacht ik, die
speculaties van Reve die winnen toch aan aannemelijkheid. H: Ja, maar moet u horen. Nu zal ik een anekdote vertellen
die me juist gisteravond tijdens een Nietzsche-concert weer eens in gedachten
teruggekomen is. U weet dat Nietzsche grote ruzie met Wagner kreeg over de opera
Parsifal, want dat was voor Nietzsche een verschrikkelijke terugval in
het christendom, Parsifal, hè. Nou, Nietzsche moet dus gezegd hebben tegen
Wagner: Hoe kun je zo'n christelijke opera schrijven? En toen, ik weet niet meer
wat Wagner letterlijk zei, maar het kwam er dus op neer: nou ja dat vindt het
volk zo leuk. Nou u begrijpt dus, als ik een interview heb met de Volkskrant,
nietwaar, die... (hilariteit) G: Dus toch ironie, gekscheren, dollen. H: Maar natuurlijk niet. Dat begrijpt u wel als u mijn...
dat het niet helemaal ironie is. Maar het is niet zo dat ik in die mate een
gelovig man ben als Gerard Reve, geenszins. Ik behoor tot geen enkele kerk. Maar
het is wel zo, maar dat geldt voor alle mogelijke zogenaamde of totaal
agnostische of atheïstische auteurs: dat ze een bepaalde standaard
hooghouden, hè. En waar die standaard in laatste instantie op berust dat is
dikwijls heel moeilijk te zeggen, dus je kunt zeggen dat is een soort religieus
element, dat is iets waaraan je gelooft maar er valt niets over te bewijzen. Dat
is zelfs bij Multatuli het geval. Multatuli probeert het dan te werpen op dé
rede. Hij denkt dus dat de rede iets is wat op alle mogelijke levensfenomenen,
voor iedereen met een klein beetje goede wil, toepasselijk zou zijn. Wat
kennelijk niet zo is, want anders was dat allang gebeurd, die toepassing, hè.
Ja, nee, daar moet u niet om lachen, dat is een ernstig probleem, hè. In die
tijd, Multatuli's tijd en in het eind van de 18e eeuw, vooral in de tijd van de
Verlichting, toen dacht men als we nu alle geloof en bijgeloof afschaffen, we
gaan alles heel redelijk inkleden, de wetten, enzovoort. Dan zal er nooit meer
oorlog zijn, dan is er geen armoede, geen honger meer en zo. Maar het blijkt dat
de rede eenvoudig niet te gebruiken is voor een heleboel problemen. Die zijn
niet redelijk op te lossen, die dus alleen op autoritaire manier op te lossen.
En de een zegt zus en de ander zo en dat gaat tot de huidige dag door en daar
komen de oorlogen vandaan. G: Wat u nu zegt over rede, dat sluit toch een beetje aan
bij wat Reve verder in dat stuk zegt. Hij legt namelijk uit dat hij met
religiositeit bedoelt "het koesteren van een mythisch, gevoelsmatig en niet
op rede gefundeerd wereldbeeld". En dat legt hij dan in uw geval uit door
te zeggen dat de god van Hermans - of dat nou een god is met kleine of grote
letters, dat doet er niet zo toe - de god van Hermans is de almachtige leed en
chaos bewerkende satan. Nou vraag ik me af is het daarom altijd uw opzet geweest
om die chaos, die door die "god" tussen aanhalingstekens is
bewerkstelligd, om die te ordenen, te structureren, daar een bepaalde helderheid
in te brengen. H: Ja, dat kan ik toegeven. Maar ja, het woord is
natuurlijk veel te pretentieus om te zeggen, dat ík de chaos wel even zal
structureren. Maar het is inderdaad iets wat iedere romanschrijver doet. Maar
ja, een roman is wat het is, namelijk een roman, om niet te zeggen een
romannetje. G: Nou ja... H: Het is een roman, een boek, een hoeveelheid lectuur
waarvan je hoopt dat de lezer die het leest, drie, vier uur met z'n gedachten
daarin verdiept is. Hij denkt dus niet aan zijn eigen dagelijkse zorgen. Weet ik
het, aan de belastinginspecteur of aan de kraan die lekt, of zo. Hij is in
iets heel anders verplaatst, hè. In een wereld die dus eigenlijk veel
doorzichtiger is dan de werkelijk bestaande wereld, hè, omdat hij via het brein
van die schrijver op het papier gekomen is. En nou, na afloop kan hij zeggen,
ja, het zou zo kunnen zijn of, nou, 't is niet zo. Dat is de functie van een
roman. Een roman heeft, alle literatuur heeft voornamelijk een troostende
functie. G: U heeft er wel es aan toegevoegd, dat van... dat je
drie uur in een roman verdiept bent, dat heb ik al es eerder van u gehoord, u
heeft er ook wel es aan toegevoegd, dat alles toegaat naar een bepaald
sloteffect, hè, waarin uw thema en dat is dan meestal dat de mens als een
blinde door een wereld rondtast waar hij niets van begrijpt. Dat thema wordt er
dan vaak heel pakkend en kernachtig in geformuleerd, dat is al zo in De
donkere kamer van Damocles en dat is ook weer zo in uw laatste boek, maar in
tegenstelling tot de klassieken en u heeft vaak gesproken over een klassieke
roman, in tegenstelling tot de klassieken, is dat geen catharsis, geen
zuivering door bepaalde emotie te ervaren, maar u heeft het genoemd, een
masochistisch delirium, dat slot van die roman. Geldt dat nou voor u als auteur
of is dat iets wat voor de lezer moet gelden. H: Voor allebei. G: Dus u beschouwt zich als een soort eh... sadomasochist,
als ik het goed begrijp. (hilariteit) H: Zover als Reve ga ik geloof ik niet op dat gebied, maar
ja, je kunt het... Nee, maar ik heb het geloof ik duidelijker gezegd, ook in dat
Volkskrant-interview. U herinnert zich dat daar de interviewer op een
bepaald ogenblik vraagt of ik wel es lach als ik schrijf, hè. En ik heb dus
gezegd: ja, ook als het een droevig eind betreft. Maar waarom lach ik dan ? Als
ik vind dat ik het op een geslaagde manier heb uitgebeeld, dan lach ik omdat het
gevoel heb dat ik als het ware daarvoor, door dat boek te stellen, wraak genomen
heb op de onrechtvaardigheid van de wereld. Of de vermeende
onrechtvaardigheid van de wereld. Want dat is ook geen absoluut begrip. En
waarschijnlijk
heeft de lezer dat gevoel ook, dat wil zeggen die lezers die zich toch tevreden
of prettig voelen als ze een boek gelezen hebben, hoe droevig ook. Het is
eigenlijk allemaal heel banaal, het is wat in het antieke drama de catharsis
werd genoemd. G: Ja maar u noemt het juist géén catharsis. U zegt
duidelijk, het is geen catharsis, het is een masochistisch delirium. H: Ja, maar een delirium... Na een delirium komt toch ook
een periode van stilte. En dat is misschien dan niet zo rein als wat een
catharsis nalaat, maar toch een periode van rust. G: Goed, ik wil even naar een ander uitspraak die u over
het schrijven gedaan hebt. Het is bekend dat u heel lang uw schrijverschap hebt
gecombineerd met wetenschappelijk werk. H: Hm, hm. G: U heeft al es gezegd dat die twee activiteiten
eigenlijk niet veel van elkaar verschilden. Maar er staan bijvoorbeeld andere
uitspraken tegenover, dat schrijven en wetenschap bedrijven juist weer wel erg
verschillen. U heeft gezegd dat de enige manier om nog een beetje aan de
Babylonische spraakverwarring die deze wereld is, te ontkomen, wordt gevormd
door de exacte wetenschappen. Een van uw bekendste en meest geciteerde
uitspraken over romanschrijven is, dat romanschrijven het bedrijven is van
wetenschap zonder bewijs. Nu weten we allemaal dat exacte wetenschap het bewijs
juist wel van node heeft... H: Het is natuurlijk helemaal geen wetenschap, begrijpt u.
Het is een ingewikkelde manier om te zeggen dat het geen wetenschap is. G: Maar goed, het is toch een... als u het woord
wetenschap gebruikt, dat impliceert toch dat u onderzoek doet. H: Nee, dat impliceert niet zozeer dat ik onderzoek doe,
maar... het gaat er vooral om, dat het met een zekere zorgvuldigheid is
opgebouwd. Wat ook voor een wetenschappelijke theorie geldt. Dat heb ik
eigenlijk bedoeld. G: Dus dat u een goed gestructureerde roman schrijft. H: Ja. Niet dat ik die schrijf, maar dat ik die wíl
schrijven. Ik ben ook, zoals u misschien weet, een tegenstander van, nou ja, van
mensen die bij voorbeeld dagboeken schrijven, hè. Niet dat ik zelf geen dagboek
hou, maar niet om te publiceren. Of mensen die brieven gaan schrijven, voor het
publiek dan. Waarin je je dus alles kunt veroorloven, terwijl de chaos volstrekt
in stand blijft. Dat vind ik geen interessante bezigheid. G: Het lijkt mij dat dat een opvatting is die gaandeweg
wel sterker bij u is geworden. Ik heb zelfs een beetje het idee dat in de tijd
van dat tijdschrift Merlyn, dat in de jaren '60 zo'n belangrijke rol
speelde in de Nederlandse literatuurkritiek en later ook in de
literatuurwetenschap, dat u toen ook hechter gestructureerd bent gaan schrijven.
Er zit een zekere... H: Nee. Dat ben ik niet met u eens. En ik geloof ook...
als u ziet mijn oudste roman, dat is een boek genaamd Conserve, dat
schreef ik toen ik nog geen 22 jaar oud was, dus dat is erg lang geleden. Maar
dat is een zeer hecht gestructureerd boek, met een haast feuilletonistisch
opgebouwde intrige. Ik heb toen al gezien, om het zo es plat uit te drukken, dat
daar in Nederland een gat in de markt zat. (hilariteit) Dat soort boeken bestaat
in Nederland bijna niet. Dat heb ik toen al gesnapt. G: Nou, mijn eigen indruk is en wordt zelfs bevestigd door
uw lijfexegeet Frans Janssen, dat een boek als De donkere kamer, waarvan
hij zegt dat is in zekere zin een herhaling van De tranen der acacia's. H: Dat heeft hij niet gezegd. Hij heeft niet gezegd een
herhaling, hij heeft gezegd, ik meen dat hij gezegd heeft, ik ken het niet uit
mijn hoofd: De tranen der acacia's zou kunnen worden opgevat als een
soort voorstudie voor die Donkere kamer. G: Nou goed. En hij heeft gezegd De donkere kamer
is veel beter en veel evenwichtiger gestructureerd dan die Tranen der
acacia's. Dus is er toch kennelijk een ontwikkeling in uw werk waarin u
steeds gestructureerder gaat schrijven. H: Nee, nee, ik geloof niet dat met dergelijke, dat toon
ik nu aan met een veel ouder boek te noemen, dat inderdaad... Ik geloof dat Conserve
hechter gestructureerd is dan De tranen der acacia's. Maar ja, je hoeft
toch niet altijd hetzelfde boek te schrijven. G: U heeft juist in ouder werk veel verbeterd. H: Dan zou ik een soort Agatha Christie kunnen worden,
zo'n hele serie, honderd boeken allemaal hetzelfde gestructureerd. Dat verwacht
u toch niet van mij... Zelfs al verwacht u het, dan voldoe ik niet aan die
verwachting. (gelach) Maar nee... Inderdaad De tranen der acacia's is in
vergelijking met De donkere kamer van Damocles, een vrij divagerend boek.
Dat geef ik toe. G: Wat ook opvallend is dat u altijd wel de behoefte hebt
gehad om uw ouder werk te gaan herzien maar nooit zeg, pak weg van dat van na
1960. Ik geloof niet dat u ooit Nooit meer slapen heeft bewerkt. H: Dan bent u niet goed op de hoogte, dat heb ik drie jaar
geleden gedaan en er zijn 250 veranderingen in aangebracht. G: Goed, nou dat is dan een fout van mij. Ik wil even
terug naar dat wetenschap bedrijven zonder bewijs. U zegt het is geen wetenschap
en vandaar dat er ook helemaal geen bewijzen bij te pas komen. U heeft wel es
ooit gezegd dat het de schrijver er voornamelijk om te doen is zijn ónschuld te
bewijzen, dus hij... H: Dat is een stokouwe uitspraak. G: Jawel, maar er wordt hier: in de interviewbundel Scheppend
Nihilisme beweerd dat u zo consistent bent geweest en dat er een grote mate
van eenheid bestaat in al uw uitspraken van 1950 tot nu. U kunt zeggen stokoude
uitspraak maar hij is nog steeds geldig. H: Tot dusverre is dat toch niet aangetast. Of wel? G: Nee zeker niet. Hij is ook niet aangetast, maar ik
vraag me af... H: Onschuld. Ik weet eerlijk gezegd niet... G: Wat bedoelt u daarmee? H: Ja, dat weet ik niet precies meer, want ik weet die
context niet. Waar staat dat eigenlijk in? G: Het staat in Het sadistische universum, in het
stuk Antipathieke romanpersonages. H: O ja, nu weet ik weer waar het over gaat. Het gaat dus
hier over, dat veel mensen van alle romanpersonages denken dat het
zelfportretten van de auteur zijn. En tot op zekere hoogte is dat waar. Maar de
auteur bewijst zijn onschuld in veel gevallen door die personages te
beschrijven. Hij is niet aan hetzelfde schuldig waaraan die mensen schuldig
zijn. Kunt u dat begrijpen? Ja het is moeilijk hoor, maar ik druk het ook niet
erg helder uit, geef ik toe. Maar het is zó: Ja, je kunt zeggen iemand die een
pad uit de sloot oppikt of die... een pad zit niet in een sloot maar naast de
sloot, padden zwemmen niet, kikkers wel, padden niet. Nou een smerig beest, hij
ontleedt het, hij beschrijft het tot in de finesses. Dan kun je zeggen wat een
viezerik is dat, want hij interesseert zich zo enorm voor dat smerige beest.
Maar dat is natuurlijk niet zo, aan de ene kant is hij dat wel en aan de andere
kant is hij dat niet. Er is een bekende psychologische theorie, speciaal bij
volgelingen, of bij nakomelingen van Freud, dat eigenlijk alle beroepen op
psychische afwijkingen zijn gebaseerd. Een tandarts doet zijn patiënt pijn. Nou,
waarom doet hij dat? Omdat hij het eigenlijk fijn vindt, het is eigenlijk een
sadist. Een beeldhouwer die knoeit graag met klei. Waarom is dat? Nou, omdat
hij eigenlijk nooit het stadium van zeer kleine kinderen te boven gekomen is
die met andere plastische materies graag knoeien. Omdat daar een kern van
waarheid in zit. Maar waarom mogen we niet zeggen, een chirurg is een
lustmoordenaar,
dat is niet hetzelfde. Het is hetzelfde en toch niet hetzelfde. Want die chirurg
verricht enig nuttig werk, wat voor andere mensen nuttig is, dat doet een
lustmoordenaar niet. En laten we zeggen, iemand die een handleiding schrijft
voor terroristen hoe je andere mensen, onschuldige mensen, het beste kunt
vermoorden, in brand steken, weet ik wat allemaal, die doet hetzelfde als een
auteur die een roman over misdadigers schrijft. G: Nee, maar er zit aan die uitspraak "De schrijver
moet zijn onschuld bewijzen" iets merkwaardigs hè. Je zou bijna denken
door wie is de schrijver dan in staat van beschuldiging gesteld. Iemand die
zijn onschuld moet bewíjzen, is meestal in staat van beschuldiging gesteld,
anders hoeft hij het niet te doen. H: Ja, nou daar kan ik u een schitterend klassiek
voorbeeld van noemen en dat doet me des te meer plezier omdat ik het dan niet
steeds over mezelf hoef te hebben. Multatuli's Max Havelaar is hét
voorbeeld van zo'n boek. Multatuli werd in staat van beschuldiging gesteld al
heel vlug in z'n carrière, dat hij 2000 gulden had zoekgemaakt. Op Sumatra.
Naderhand krijg je die Lebak-affaire. Wat gebeurde? Ruzie, heen en weer
geschrijf.
Het eindigde ermee dat hij een berisping van de gouverneur-generaal kreeg. Hij
kon dat moeilijk verteren. Hij schrijft daarna Max Havelaar, waarin hij
voor allebei die gevallen suggereert, dat áls hij het al verkeerd gedaan heeft,
hij dat had mogen doen, omdat hij daar ter wille van een hoger doel boven stond. G: Ik wil het toch even over u hebben. U wijkt uit naar
Multatuli, maar u bent ook een keer in staat van beschuldiging gesteld,
namelijk in het laatste jaar van uw lectoraat, toen zijn er kamervragen gesteld
over vermeende nalatigheden, u bent in het gelijk gesteld, de mensen die die
aantijgingen aan uw adres hadden gericht die zijn in het ongelijk gesteld, moet
ik nou Onder professoren zo interpreteren dat dat een soort bepleiten is
van uw onschuld? H: Nee dat hoeft u niet te doen want dat was een te
onbenullige zaak. Het was té grote onzin dan dat mij dat in een of ander
opzicht geraakt heeft. Wat mij wel raakt, is natuurlijk dat ondanks alles wat u
nu net releveert, er een Belgisch wetenschappelijk blad bestaat, waarin een
lector aan de universiteit van Luik zegt (die schrijft een bewonderend stuk -
ook een bewonderaar van mij -) schrijft een bewonderend stuk, maar zegt:
Hermans, ja die is in 1973 wegens herhaaldelijk plichtsverzuim ontslagen in
Groningen. Dat is totale onzin, want zelfs al had ik herhaaldelijk mijn plicht
verzuimd, in die tijd waren de plichten van een lector dusdanig omschreven,
namelijk die konden helemaal niet verzuimd worden. Helemaal onmogelijk. Het
bestaat trouwens überhaupt niet dat een Nederlands ambtenaar voor
plichtsverzuim ontslagen wordt. Dat kan helemaal niet. Dat weet u zelf ook wel.
(hilariteit) Maar toch worden die dingen dan weer beweerd. Ja god, ik kan er ook
niets aan doen. G: Ik dacht dat u zojuist nog iets wilde zeggen over een
andere gelegenheid waarbij u in staat van beschuldiging bent gesteld. H: O ja, ik dacht dat u het over Ik heb altijd gelijk...
nou ja, dat is een veel simpeler geval natuurlijk dan Max Havelaar omdat
iedereen ziet dat in dat boek een bepaalde hoofdpersoon een paar dingen zegt die
sommige katholieken in die tijd onaangenaam in de oren klonken. Een heleboel
ook niet, die moesten er eigenlijk om lachen, want die zeiden: het is ook
eigenlijk
zo. Maar goed. Maar dan nog, het hele boek, die hoofdpersoon, heeft niet een
dergelijk gewicht, er wordt niet door de auteur gezegd, die man die betoogt daar
iets wat zeer waardevol is. Het hele boek heeft helemaal geen tendens tegen
een bepaalde volksgroep of tegen een bepaalde religie. Helemaal niet. Dat weet
iedereen die het boek gelezen heeft. Die beschuldiging was ook onzin. G: Hoewel die uitspraken die over katholieken gedaan
worden door een romanpersonage merkwaardigerwijs overeenkomen met uw meningen
buiten het boek, hè. Ik bedoel, ik heb het gehad over bevolkingsdichtheid. H: Ja, dat weet ik wel. G: Ja, ik herinner mij een uitspraak waarin over de
voortplantingsdrift van katholieken wordt gesproken, in Ik heb altijd
gelijk. H: Ja maar, kijk es, in die tijd... Er is in Nederland,
dat is een geweldige moeilijkheid, er is in Nederland een enorme kloof tussen
wat het volk denkt en wat de officiële vertegenwoordigers van het volk
denken. Wat nu betreft die voortplantingsdrift, heel veel katholieken zagen
ook in die tijd wel in dat Nederland overbevolkt raakte of ze waren er überhaupt
niet op gesteld om geweldig grote gezinnen te hebben. Maar daar hoor je
officieel nooit iets over. Ieder katholiek kamerlid, iedereen verder die in de
katholieke pers een stem had, die deed alsof dat allemaal helemaal niet bestond.
En die hield bij hoog en bij laag
vast aan de zeer hoge kindertoeslagen die inderdaad veel mensen die dat geld
goed konden gebruiken, toen prachtig vonden. Hoewel ze eigenlijk geen grote
gezinnen wilden hebben... toch grote gezinnen, omdat dat financieel voordelig
was. En het kritiek hebben op het bestaan van die kindertoeslagen, dat kòn in
die tijd bijna helemaal niet. Ik heb, ik denk 1 of 2 jaar na die herrie over Ik
heb altijd gelijk, een lezing gehouden in de aula van de universiteit van
Amsterdam, hier, voor studenten. En nou, toen was dat nog een probleem als
een hete aardappel, echt waar. En daar was bij aanwezig de commissaris van de
koningin, van Noord-Holland. Noord-Holland is geen overwegend katholieke
provincie, ik geloof die commissaris was helemaal niet katholiek, maar die stond
na de pauze op in het vragenuurtje en die nam mij daarover à faire. Dat ging
toch helemaal niet, die kindertoeslag die diende daar helemaal niet toe en het
was ook helemaal niet waar, beweerde hij, dat speciaal de katholieken zo hard
vasthielden aan die kindertoeslag. Dat was ook eigenlijk niet zo, heel veel
deden dat niet, maar bijvoorbeeld in die tijd, de PvdA hield er ook aan vast,
want die wou geen ruzie hebben met de Katholieke Volkspartij, want daar wilden
ze een coalitie mee vormen. Zo zie je dus: in Nederland wordt officieel heel wat
anders gezegd dan wat de meerderheid van het volk denkt.
G: Mag ik nog even terug naar die kwestie schuld -
onschuld. Ik vind die uitspraak daarom toch nog steeds zo merkwaardig over de
schrijver die zijn onschuld moet bewijzen, omdat een aantal andere schrijvers,
Dostojevski, Kafka, zelfs Sartre ervan overtuigd zijn dat de mens en dus ook de
schrijver in principe schuldig is, terwijl u, ik herinner me nog een uitspraak
die ik van u heb gelezen, u vindt dat individuen volstrekt niet schuldig zijn.
De omstandigheden... H: Nou nee, ik geloof niet dat wat u nu zegt juist is. Ik
denk niet dat wat ik beweerd heb, dat dat veel verschilt van wat Kafka dacht.
Het is zelfs heel duidelijk. Zo'n boek als Der Prozess. Iemand die
schuldig is, maar schuldig aan wat, weten we niet. Zijn hele leven besteedt die
man om zijn onschuld te bewijzen. Dat is zelfs op Kafka nog meer van toepassing
dan op mij. G: Ik heb zelfs het idee dat de schuld in dat boek steeds
overtuigender wordt. H: Ja, ja, op dezelfde manier waarop Gregor Samsa steeds
meer in een monster verandert, nietwaar... In het begin is hij een duizendpoot
die nog wel mensentaal... hij kan geen mensentaal meer uiten maar kan het nog
wel verstaan. Op het laatst vervuilt hij helemaal, wordt hij inderdaad een
walglijk smerig beest, en ten slotte wordt ie door de werkster opgeveegd en in
de vuilnisbak gestopt. Maar dat is de weg van alle vlees. Maar je kunt ook
zeggen: Gregor Samsa, - dat is ook een heel goed voorbeeld - probeert óók
steeds z'n onschuld te bewijzen. Nietwaar, hij probeert aardig te zijn tegen z'n
vader, hij merkt hoe de familie helemaal beroerd wordt van de ellende van die
jongen die daar in die kamer zit, die daar in een monster veranderd is. Hij wil
zijn vader gaan vertellen dat hij het toch echt niet zo kwaad gemeend heeft. Hij
komt uit de kamer, die vader schrikt zich dood, en gooit hem die appel in zijn
rug. Ik weet niet of u zich die scène herinnert. Hetzelfde... er komt nog een
dergelijke scène in voor. Ze hebben bedacht, de familie, nou hij is nu eenmaal
toch een duizendpoot of wat het is. Dit is veel makkelijker, want hij heeft niks
aan een bed, of ja een bed mag hij nog hebben want daar kruipt hij onder, maar
niet meer op. Maar stoeltje, tafeltje, boekenkastje en zo, daar heeft hij toch
niks meer aan en we halen dat uit de kamer want dan kan hij zich wat makkelijker
bewegen. Dat gaan ze op een dag doen. Dan heeft hij ook nog een plaatje aan de
muur hangen van een mooie dame, alleen gekleed in bont. Daar was ie bijzonder
opgesteld op dat plaatje. En dan denken ze, ja, hij klautert ook met die
kleefpootjes over de muur, dus dat zal ook wel in de weg zitten, we halen ook
het plaatje weg. Dat wordt 'm dan te erg. Want dat is als het ware het laatste
wat hem aan het menselijk bestaan bindt, nietwaar. Hij poogt de mensen, door te
voorschijn te kruipen, duidelijk te maken, dat ze dat plaatje moeten laten
hangen. Nou dat wordt zo opgevat als: hij is helemaal gek geworden! Wat verbeeld
je je wel, wil je ons
aanvallen? Dat wordt een trieste
mislukking. Maar ook
die Gregor Samsa is inderdaad onschuldig. Die man kan het toch niet helpen dat
ie op een ochtend wakker wordt, en in een duizendpoot is veranderd? Het hele
verhaal door probeert hij te bewijzen dat het zijn schuld niet is. Terwijl het
natuurlijk au fond wél zijn schuld is, want u begrijpt en dat geeft de diepte
aan een dergelijk verhaal, dat er natuurlijk in de familie, vóórdat die
verandering plaatsvond, al iets aan de gang was. Deze zoon die was, het wordt
zo voorgesteld, Kafka zegt daar niets over en dit is het geniale van het
verhaal, hij zegt er niets over, maar hij zegt dus wel de hele familie leeft
eigenlijk van de inkomsten van de zoon. En je begrijpt, zo iets kan niet zonder
spanningen verlopen. En, laten we zeggen, bij de familie moet al waarschijnlijk
schuldbesef hebben geleefd dat ze zo uitsluitend afhankelijk waren van de zoon.
De zoon moet dat ook hinderlijk gevonden hebben. Want die had waarschijnlijk
hetzelfde probleem wat Kafka zelf had, dat hij een eigen gezin wilde stichten, hè.
Maar hij kan niet bij z'n familie vandaan, want zijn hele familie moet ie
onderhouden. Hij kan het huis niet uitgaan, zelf een vrouw opzoeken, trouwen,
enzovoort. Dus wat doet die zoon? Die zoon verandert op een dag in een
onbruikbaar monster. Daarmee straft ie z'n familie en hij weet dit in
z'n onderbewustzijn. Kafka zegt daar niets over maar suggereert het. Hij weet:
de familie, die is nu verplicht zelf de hand aan de ploeg te slaan. En daar
worden ze dan ook heel gezond van. Het eindigt dus heel opgewekt, nietwaar. Ze
gaan es een dagje naar buiten, ze hebben heel hard gewerkt, vader wordt portier,
die zit 's avonds mooi in uniform aan tafel. (applaus) G: Eén ding wat me altijd zeer geïntrigeerd heeft, is,
dat u zo bezig bent geweest in uw romans en verhalen met de oorlog. Hoe zit dat
met die fascinatie? Waarom bent u zo gefascineerd door de Tweede Wereldoorlog? H: Ja, ten eerste omdat ik het dus, al is het zeer in de
kantlijn, meegemaakt heb. Dat is de voornaamste oorzaak. Maar ten tweede omdat
je in een oorlog, ik geloof dat de oorlog in de Nederlandse literatuur heel wat
teweeggebracht heeft. Dat het, hoe gruwelijk dat misschien ook klinkt, allerlei
dingen losgemaakt heeft en de mensen met meer moed over allerlei dingen heeft
doen durven denken dan voor die tijd,of wel mogelijk is in een land waar nooit
oorlog is. Je moet beseffen: die landen waarvan men de literaturen in hoge
mate bewondert, bijvoorbeeld Frankrijk en Ierland, zijn allebei hoogst
oorlogszuchtige
landen. Dat zijn allebei landen die eeuwenlang op de grens van burgeroorlog
staan en vele oorlogen met het buitenland voeren. Dat is een van de dingen die
we moeten erkennen: de literatuur komt uit dingen voort die in het oog van
pacifisten slecht zijn. De Westerse literatuur komt voort uit oorlog. Uit de
ridderromans, daar komt het uit voort. Omdat die soort situaties, de situaties
met levensgevaar, situaties zijn die de mensen aan het denken zetten. G: Dus de oorlog als een verheviging van de menselijke
situatie? H: Ja. G: U heeft in een van uw laatste romans, een van de romans
die u de laatste jaren gepubliceerd heeft, Herinneringen van een
engelbewaarder, ook een roman die tijdens de oorlog speelt. Er is ooit wel
eens sprake van geweest dat daar nog een of twee delen aan toegevoegd zouden
worden. H: Ja, die zijn er, die zijn al tien jaar geleden in de
kelder van De Bezige Bij opgeslagen en ik heb ze na die tijd nooit meer
teruggezien. (gelach) G: Vindt De Bezige Bij ze niet goed of vindt u ze zelf
niet goed? H: Ik weet het niet, vraagt u het eens aan de heer Hamming,
die is hier aanwezig. Dolf, steek je vinger op! Die heeft het verteld aan Vrij
Nederland1. En verder weet ik het ook niet. Dat is toen in Vrij
Nederland gekomen, ja moet u horen... Kort daarna kwam die kwestie in
Groningen op. Toen heeft, ik weet niet meer welke krant de Groningse
universiteit opgebeld, een of andere bureauman daar. Toen hebben ze gevraagd: Ja
Hermans gaat weg, maar waar moet die dan van leven? O dat hindert niet, zei die
man, want hij heeft nog twee romans in de kelder liggen bij De Bezige Bij. Dus,
daar leef ik sindsdien van, merkt u. Ik vertel het verder aan niemand. U vist
achter het net. G: Het is een mooi verhaal. H: Ja, een prachtig verhaal. Die boeken hadden ook
prachtige titels vooral. Dat is eigenlijk het enige wat er bij mij thuis van op
papier staat. Het ene zou heten Een bad van bidden, dat is één vervolg.
Het laatste deel zou dit zijn, dat is een citaat van Paul van Ostaijen. Het
andere, het middelste deel, zou heten Een hemel voor de bozen, een citaat
van Bordewijk. Maar ik weet niet, ik geloof dat ik er niet mee verder ga, want
ik heb sindsdien al, het wordt langzamerhand een manie om alle boeken uit te
dossen met titels die citaten van andere mensen zijn, hè. Dat heb ik nu al een
keer of drie, vier, u zult het ongetwijfeld bijgehouden hebben, hoe vaak ik het
al gedaan heb. Ik doe het dus misschien wel niet meer. G: Maar betekent dat dat we die twee delen nooit meer te
zien krijgen of kunt u daar helemaal niets over zeggen... H: Pas als u mijn overlijden in de krant ziet staan, kunt
u er zeker zijn dat het niet gebeurt. G: Ik hoop dat het moment van overlijden nog veraf mag blijven. 1 In werkelijkheid was het een andere medewerker van
De Bezige Bij, Oscar Timmers, die dit aan Vrij Nederland vertelde. H: Ja, want waarover moet u anders in de Haagse Post
schrijven! (hilariteit, applaus) G: Ik hoop ook dat we die twee delen nog ooit te zien
krijgen. We zijn ruim een uur bezig geweest nu. Ik geloof dat het goed zou zijn
om te gaan pauzeren en na de pauze zal gelegenheid bestaan voor het publiek om
de heer Hermans vragen te stellen. Hoe lang de pauze precies duurt weet ik niet. H: Nou, tien minuten, niet langer, anders zijn we niet
meer in de stemming.
.... PAUZE G: Zoals ik u voor de pauze al aankondigde, bestaat er nu
gelegenheid tot het stellen van vragen aan de heer Hermans, al dan niet in
aansluiting op ons gesprek van voor de pauze. Ik wilde degenen die vragen willen
stellen, verzoeken om daarbij gebruik te maken van de microfoons die hier en
daar zijn opgesteld. In verband met de radio-opname en ook in verband met de
verstaanbaarheid. Wie mag ik als eerste het woord geven? Frans Janssen: Staat u mij toe? G: Ja, natuurlijk meneer Janssen gaat uw gang. FJ: Ik heb een vraag die niet helemaal aansluit op wat u
zojuist zei. Ik heb een vraag aan béide gesprekspartners, en ik zou ook graag
hebben dat allebei antwoorden, indien mogelijk, in volgorde van leeftijd, maar
dan omgekeerd, de jongste eerst. Deze vraag sluit aan bij wat
u in het begin zei, als een thema van deze avond, namelijk het schrijverschap.
En uiteraard is het schrijverschap vanavond aan de orde geweest, gefixeerd op de
persoon van Hermans. Ik zou graag de mogelijkheid willen nagaan of dit zelfde
thema ook toegepast kan worden, misschien in meer objectieve, zakelijke vorm, op
een andere schrijver. Een schrijver die door beide gesprekspartners gelezen en
misschien gewaardeerd is. Dan zou ik willen denken aan Multatuli of misschien
ook Nietzsche, een schrijver die ook samenhangt met de Forum-periode,
waarin in het bijzonder de heer Goedegebuure geïnteresseerd is. Mijn vraag
luidt ongeveer als volgt: Wat kunnen wij doen met het schrijverschap van
Nietzsche,
of anders geformuleerd, wat is de achtergrond van uw beider belangstelling voor
Nietzsche? Is het het werk? Of is het de biografie, de persoon? En ik kan het
misschien nader adstrueren. Een van u beiden heeft eens een keer geschreven dat
het werk van Nietzsche in feite is een wat geestdriftig voorgedragen onzin,
niettemin heeft diegene van u beiden een groot deel van zijn energie besteed aan
het lezen en bestuderen van Nietzsche. H: Maar dat was in een tijd waarin ik dat nog niet dacht. FJ: Mijn vraag aan u beiden is, om nog een keer heel kort
te herhalen: Is Nietzsche dan vooral interessant als schrijver of filosoof, dat
probleem even terzijde gelaten, of is hij interessant als persoon, als een
biografie. G: Ik geloof dat ik, gezien mijn leeftijd het eerste moet
antwoorden. De vraag of Nietzsche in de eerste plaats interessanter is als
schrijver dan als persoon of als persoon dan als schrijver, dat komt mijzelf, en
dat zal u niet verbazen meneer Janssen, gezien mijn literatuuropvattingen, een
beetje als een irrelevante vraag voor, temeer daar tussen werk en biografie van
Nietzsche zo moeilijk te onderscheiden valt, maar als u mij vraagt wat mij in de
eerste plaats in Nietzsche interesseert, dan is het de psycholoog in Nietzsche.
De man die op zoek is naar bepaalde constanten in het menselijk gedrag. En het
valt natuurlijk nog verder door te trekken. Zoals veel schrijvers, en dat geldt
denk ik ook voor Hermans, zoals veel schrijvers is Nietzsche vooral iemand die
zoekt, een zoekende, op zoek naar zoiets als de waarheid. Wat niet hoeft te
impliceren dat het een waarheid met een hoofdletter zou zijn, maar in ieder
geval het ontdekken van wie ben ik zelf en wat is de mens. Dus die
psychologische kant van Nietzsche interesseert me vooral. FJ: Maar dat geldt voor elke schrijver. G: Jazeker, maar goed, dat is ook de implicatie van mijn
opmerking. Maar de ene schrijver doet het op een manier die natuurlijk meer
aansluit bij je eigen voorkeur en sympathieën en persoonlijkheid en
karakterstructuur en dergelijke dan een andere schrijver. Dat maakt toch ook de
fascinatie van uw belangstelling voor Hermans uit... FJ: Ja dat is inderdaad zo. H: Ja, ik vind het een buitengewoon interessante vraag,
omdat ik hieruit vernomen heb, wat mij voor die tijd niet bekend was, en nu uit
het antwoord van de heer Goedegebuure blijkt dat ook, dat hij zich ook veel met
Nietzsche heeft beziggehouden. Maar - hij vindt Nietzsche een groot psycholoog
en hij zal hem toch ook wel een groot literatuurkenner achten - , máár, wat
lees ik nu? De heer Goedegebuure heeft een essay geschreven over een boek van de
heer Frans A. Janssen, vraagsteller van zo-even, een boek genaamd Bedriegers
en bedrogenen. En dat boek, die bespreking dus door de heer Goedegebuure,
die begint als volgt: "Grote schrijvers hebben recht op een
beroepsbewonderaar,
Goethe zijn Eckermann, Van Deyssel zijn Prick en Mulisch zijn Donner." Nou,
het woord beroepsbewonderaar suggereert niet veel eerbied voor Eckermann.
Eckermann wordt in één adem genoemd met Prick en Donner (hilariteit) Maar nu
zou ik meneer Goedegebuure willen vragen of hij wel weet welk antwoord Nietzsche
ooit gegeven heeft op de vraag: welke twee negentiende-eeuwse boeken zullen de
twintigste eeuw halen? G: Het zal me niet verbazen dat Eckermann het was meneer
Hermans. H: Ja, dat zegt u nú. Dat voelt u. Inderdaad was het
Eckermann, het andere was het Mémorial de Sainte Hélène. Maar goed
dat was dus Eckermann, hè. U ziet dus: uw grote Nietzsche vond Eckermann een
zeer considerabel auteur. En terecht. G: Ik denk dat hij Goethe interessant vond en niet
Eckermann. Hij vond Goethe interessant... H: Ja maar kijk dat is het 'm juist, je krijgt van
Eckermann, ik weet niet of u Eckermann ooit erg aandachtig gelezen heeft, want
dat is helemaal - Eckermann was helemaal geen beroepsbewonderaar. Eckermann
was, toen hij Goethe ontmoette, iets van een jaar of dertig, veertig jonger dan
Goethe. Goethe was een geweldig beroemde Olympiër en Eckermann die was een, ja
student kun je bijna nog zeggen. Dus Eckermann, tegenwoordig zou men het
misschien anders aangepakt hebben, maar Eckermann die stelde zich heel kalmpjes
op. Maar daardoor bereikte hij dat Goethe hem in vertrouwen nam en inderdaad die
geschriften van Eckermann zijn verbazingwekkend omdat je dan ziet hoe Goethe die
toen, nou over de zeventig was toch al, hoe Goethe, toen toch al verschrikkelijk
beroemd, verschrikkelijk succesvol, althans dat denken wij, maar Goethe zelf had
daar een heel andere kijk op. Goethe leed ontzettend onder al het gekanker dat
klaarblijkelijk ook hij te horen kreeg. Hè? De meest onbillijke stukken
verschenen er over Goethe in de kranten en in G: Wat voor kijk hebt u op Nietzsche? Dat was de vraag
(gelach) H: Ja, dat was de vraag. Inderdaad, ik ga niets uit de weg
hoor, u denkt natuurlijk van ha, hij zal... Nee geen sprake van. Al is het
wijntje zuur, het blijft op tafel. (hilariteit) Nou kijk, ik heb Nietzsche al
zeer jong gelezen en dat heeft een heel merkwaardige invloed op mij gehad en het
is er voor een belangrijk deel voor aansprakelijk dat ik niet de minste
waardering heb voor Menno ter Braak. Maar wel voor Nietzsche. Ik heb ook niet
alleen Nietzsche in mijn gymnasiumjaren gelezen, maar ook de hagiografieën
van zijn zuster, over Nietzsche. En dat vooral, dat vond ik buitengewoon
indrukwekkend, dat Nietzsche al op jeugdige leeftijd zo knap was in het Latijn
en Grieks, daar was ik namelijk helemaal niet knap in, dus dat vond ik heel
bijzonder. En andere dingen ook, maar ik geloof wel, dat achteraf gezien het
meeste wat Nietzsche beweerde, inderdaad geestdriftig voorgedragen onzin is.
Dat vind ik op zichzelf niet zo erg, maar wat Nietzsche niet gezien heeft, dat
is dat Nietzsche uitspraken doet die de vorm hebben van wetenschappelijke
uitspraken hè en die in werkelijkheid niets anders zijn dan op die manier van
wetenschappelijke uitspraken geformuleerde vooroordelen. Het meeste wat
Nietzsche
beweert is concieser en op minder zwaarmoedige toon gezegd door heel veel
achttiende-eeuwse Franse moralisten, zoals Chamfort, Rivarol, Stendhal,
enzovoort. Maar goed... Nu interesseert Nietzsche mij toch nog steeds in hoge
mate, omdat ik me dus afvraag hoe is het mogelijk - en dat vind ik het
interessante bij Nietzsche - dat iemand die dat soort dingen schrijft, dat die
zo'n geweldige dunk daarvan heeft. Je kunt wel zeggen dat Nietzsche het gevoel
had z'n hele leven op te offeren aan zijn filosofie. Dat vind ik heel erg
interessant in Nietzsche. En dan is de laatste tijd mijn belangstelling voor
Nietzsche weer opgeflakkerd, want ik heb eigenlijk heel weinig over Nietzsche
geschreven, dat zult u moeten toegeven en de laatste tien, twintig jaar heb ik
misschien helemaal niets meer over Nietzsche beweerd, maar de allerlaatste tijd
weer wel. Dat komt door twee dingen, ten eerste door het verschijnen van een biografie van Nietzsche die mijns inziens veel beter is
dan alle voorgaande biografieën van Nietzsche, de biografie van Janz. En ten
tweede doordat het mij gelukt is eindelijk kennis te maken met de muziek van
Nietzsche. De muziek van Nietzsche die is... ja... Je kunt eigenlijk de vraag
stellen in hoeverre kun je daar Nietzsche, de grote filosoof voor
verantwoordelijk stellen want eigenlijk het meeste wat hij gecomponeerd heeft is
zo tussen z'n 15e en 20e jaar geweest en op latere leeftijd heeft hij van het
meeste zelf geen hoge dunk meer gehad. Maar die muziek van Nietzsche die is, de
sterkte ervan loopt zeer uiteen, maar zijn beste voortbrengselen dat zijn dus
enkele liederen en wat ik ervan zeer knap vind, dat is dat hij erin slaagde, in
hoeverre het van kwaliteit is, ik ben geen musicus, ik kan het verder niet
beoordelen, maar dat hij erin slaagde om melodieën te bedenken die gemakkelijk
onthouden worden. Dat is misschien, zult u zeggen, ja daar heb je zijn
kitsch-kant weer, nee dat is niet zo. G: Ik heb nooit gezegd dat u een kitsch-kant hebt. In
tegenstelling tot Reve bijvoorbeeld. H: Oh nee? Maar andere mensen zeggen dat wel. Maar ik
bedoel, daar heb ik respect voor. Dat vind ik iets om jaloers op te zijn. Daar
ben ik meer jaloers op dan op alle filosofische overwinningen van Nietzsche. G: Heeft die hernieuwde belangstelling voor Nietzsche van
u ook iets te maken met de aangewakkerde belangstelling in Frankrijk?
Bijvoorbeeld van de kant van de nieuwe filosofen? H: Nee, nee, die heb ik eigenlijk niet gelezen. G: Dat staat er dus volkomen los van. H: Ja. G: Goed. Ik denk dat het onderwerp Nietzsche misschien
afgehandeld is nu. Volgende vraagsteller. Gerrie Stout: Meneer Hermans in de Raster-editie van een
jaar of tien geleden heeft Fokke Sierksma een opstel aan u gewijd, over
redelijkheid en onredelijkheid en ik vraag me af, hij heeft daarin een oude
zegswijze aangehaald van de Indianen in de Verenigde Staten van Noord-Amerika
van 'zij mogen pas over me oordelen wie twintig mijl in mijn schoenen hebben
gelopen' en ik vraag me af waarom u inzake... als we het nou toch hebben over
schuld en oorlog, waarom uw adhesiebetuiging naar Multatuli uitgaat en uw
kritiek naar Weinreb. H: Mijn kritiek naar Weinreb? Vindt u dat zo moeilijk te
begrijpen? GS: Ja. H: Ja, maar dan moet u echt alle literatuur over Weinreb
aandachtig lezen en dan blijft van deze vraag niets meer over, want dan komt u
met mij en vele anderen tot de ontdekking dat Weinreb gewoon een oplichter is
die bovendien niet kon schrijven. En ik geef toe dat Multatuli ook een kleine
charlatanachtige kant had, maar dat is natuurlijk niet te vergelijken met een
echt misdadiger als Weinreb. Ik bedoel, ik zie echt het hele verband tussen die
twee niet. GS: Nee, maar ik bedoel: achteraf is het natuurlijk altijd
makkelijk iets te concluderen, want als je in de storm zit dan denk je het is
windkracht 18 en achteraf weet je toch, was het stormvloed. Als u zelf zegt: ze
hebben beiden geprobeerd, ongeacht de persoonlijke ijdelheid, om een bepaalde
orde in de chaos te brengen. H: Heb ik dat gezegd over Weinreb? GS: Nee over Multatuli. H: Over Multatuli, nou misschien. Maar Multatuli is veel
meer een schrijver. Dat is Weinreb niet! Weinreb is een autobiograaf, die een
autobiografie heeft geschreven waarin hij zich van alle schuld die hem in de
schoenen geschoven werd, poogde vrij te pleiten. Maar die autobiografie die
hangt van aantoonbare leugens aan elkaar. Ik bedoel, wat is daarover te
zeggen? Het is gewoon een... dat is het recht van iedereen die over iets
beschuldigd wordt. Dat vindt men bijvoorbeeld als iemand voor het gerecht
gedaagd wordt, dat hij daar geweldig gaat staan liegen en zegt ik heb het niet
gedaan. Dat vindt iedereen betrekkelijk gerechtvaardigd. Trouwens de hele
rechtspraak is daarop gebaseerd. De rechter moet maar aantonen dat die man
liegt, maar z'n advocaat die zal hem helpen liegen. Dat is heel normaal.
(hilariteit) GS: Maar de rechtspraak vraagt een strikte juridische
formulering, maar we hebben allemaal te maken natuurlijk met het vrij grote
conflict tussen Wahrheit und Dichtung. H: Natuurlijk ja, maar daar is ook niet zoveel bezwaar
tegen, maar als daar tientallen of misschien honderd mensen het slachtoffer van
worden, dan gaan we daar toch anders over denken. GS: Maar dat gold ook voor Multatuli. H: Maar Multatuli heeft nog nooit iemand bedrogen en
iemand gezegd geef mij maar honderd gulden en loop die kant op en hem dan in een
put laten vallen. (hilariteit) Multatuli heeft wel es een
paar tientjes van iemand geleend maar dan heeft hij nooit gezegd, loop nou die
kant maar op en dan val je in het water of zo. Of dan kun je de trein naar
Zuid-Frankrijk nemen, daar is geen sprake van. Multatuli die zei gewoon, die
kwam er openlijk voor uit, die zei gewoon: nou als de mensen mij zo bewonderen,
waarom doen ze dan niet een briefje van duizend gulden in een enveloppe en
schrijven mijn naam erop en sturen mij dat. Dat is toch eerlijk? G: Mag ik u verzoeken een ander ook gelegenheid te geven
een vraag te stellen. Ja? Frieda Balk: U zei dat de uitspraken van Nietzsche net leken
op wetenschappelijke uitspraken maar het waren eigenlijk uitspraken die op
vooroordelen berustten. Denkt u dat wetenschappelijke uitspraken niet op
vooroordelen berusten, wou ik vragen. H: Ha, een moeilijke vraag. Er wordt natuurlijk ontzettend
veel onder wetenschap verstaan, hè. Wetenschap en wetenschap. Maar in de exacte
wetenschappen berusten niet alle uitspraken op vooroordelen. Waarom is dat niet
zo? Omdat ze op een heel systeem van al bestaande uitspraken berusten, waarmee
ze dus logisch coherent moeten zijn. En daardoor kun je dat niet zeggen dat een
dergelijke uitspraak op vooroordelen berust. Maar bij Nietzsche is daar geen
sprake van. Sommige mensen zeggen: Nietzsche was de grote psycholoog. Ja, maar
Nietzsche deed uitspraken over de psychologie van de mens, psychologie van de
vrouw enzovoorts meer, die ik dikwijls heel vermakelijk vind. Waarom zijn ze zo
vermakelijk? Omdat ze meestal, net als bij Nietzsches voorganger, La
Rochefoucauld, van de mens geen briljant beeld geven. Een ander beeld dan wat de
christelijke dominees in die tijd van de mens ophingen. Dat is het amusante
erin, maar daarom hoeft het nog helemaal niet waar te zijn, hè.
U weet dat - en
dat zou u met de uitspraken van Nietzsche net zo goed kunnen doen als met de
uitspraken van La Rochefoucauld, ja ik kan op het ogenblik niet zo gauw een
voorbeeld verzinnen, - maar iemand heeft es geprobeerd die uitspraken van La
Rochefoucauld om te keren. Dan krijg je ook aforismen, die net zo waarschijnlijk
klinken, maar die dan precies het tegengestelde zijn van wat hij in
werkelijkheid beweerd heeft. G: Goed, een volgende vraag. Gaat u even bij de microfoon
als u wilt. Mijnheer X: Het woord wetenschap is diverse malen gevallen.
Mijn vraag is, gelooft u dat de kwaliteit van de literatuur in het algemeen zou
winnen als de betrokken schrijvers een wetenschappelijke vorming hadden gehad?
Als ik naar uw werk kijk, dan is een van de redenen waarom ik dat werk bewonder,
uw vermogen om te structureren, uw vermogen om verbanden aan te brengen, om weer
terug te grijpen op zaken die u eerder gezegd heeft. Daar tegenover zie ik wel
een beetje het beeld dat u schetst, met name in de universitaire wereld: van
laat studenten alsjeblieft niet in de klauwen van die wetenschappers vallen,
want dan loopt het allemaal verkeerd af. Maar goed, dit heb ik als toelichting
op mijn vraag gegeven. Ik ben erg geïnteresseerd. H: Ja, ik ben zelf dankbaar dat ik een wetenschappelijke
opleiding heb genoten en dat ik daar een aantal jaren iets aan gedaan heb. Maar
of het in het algemeen geldt? Ik bedoel, ik vind dat het zeer nuttig geweest is
voor mijn niet-wetenschappelijke werk. Maar of het in het algemeen geldt, dat
zou ik niet durven zeggen. In de tijd dat ik nog lector in Groningen was, maar
toch ook al enige vermaardheid als schrijver bezat, heb ik es een lezing
gehouden voor studenten in Delft, voor het genootschap Vrije Studie, die mij
erop attent maakten, ik geloof honderd jaar eerder, Multatuli ook al een lezing
voor die studenten had gehouden. Ik was dus zeer vereerd dat ik die lezing daar
houden mocht en die studenten vonden het ook erg leuk. Maar het is me toen
opgevallen dat je onder die mensen in Delft, dus die allemaal bezig zijn
ingenieur te worden, je zou dus denken, als er één groep personen bestaat die
verstand heeft van constructies dan zijn die het wel. Maar dat die dikwijls,
niet altijd maar dikwijls, een soort kloof in hun denken hebben, waardoor ze
buiten hun ingenieursarbeid of hun ingenieursstudie een geweldige verering
hebben - die ik eigenlijk niet heb -, voor de inspiratie, voor de dichterlijke
vaagheid, voor de mystiek. Dat is heel vreemd. Je merkt dus dat het bedrijven
van zeer exacte studies, dat dat niet op iedereen dezelfde uitwerking heeft. Meneer X: Ik denk eerder het omgekeerde, dat je een boek
leest en dat je denkt van, wat heeft die man een fantastisch thema
verschrikkelijk verknald doordat hij gewoon niet het vermogen heeft gehad het
verhaal goed te vertellen. H: Ja, dat weet ik niet. Daar zou u mij dan een voorbeeld
van moeten geven. Ik geloof dat je... ik zou zo gauw niet... Kunt u een
voorbeeld noemen? Meneer X: Nou ik vind dat gevaarlijk. (gelach) Maar ik denk
eerlijk gezegd dat er in de Nederlandse literatuur, met name in de Néderlandse
literatuur, wel voorbeelden zíjn, maar ik zou nou graag een beroep op uw
eruditie willen doen... om dat eens na te gaan. H: Ja, maar u denkt dat ik alles durf, maar ik vind het
ook gevaarlijk. (gelach) Meneer Y: U heeft me een jaar of dertien geleden een
vingerwijzing
gegeven naar redelijke filosofie met het artikel Wittgensteins levensvorm
en daar wil ik graag een vraag over stellen want sindsdien heb ik mij er
uitgebreid verder in verdiept en wat mij verbaast over u is dat u,
waarschijnlijk nog steeds en in ieder geval toen, zozeer wegloopt met
Wittgenstein
en niet met mensen die mijns inziens duidelijk zinniger en in ieder geval
begrijpelijker zijn, zoals Russell, Quine, Carnap, Kotarbinski of andere mensen
van, breed genomen, analytisch filosofische stromingen. En daar bedoel ik niet
ordinary language filosofie, waar u zich, mijns inziens terecht, laatdunkend
over hebt uitgelaten. H: Ja, maar wat wilt u dan precies vragen: of ik meer voor
Wittgenstein voel dan voor Carnap? Meneer Y: Redenen voor uw grote belangstelling in
Wittgenstein en niet in daaraan gerelateerde filosofieën. H: Ja, nou, de reden is, ik heb het misschien toen niet
ingezien, maar achteraf dan toch wel, eigenlijk toch een literaire reden,
namelijk dat het oeuvre van Wittgenstein zo concies geformuleerd is. Het heeft
eigenlijk, die boeken van Wittgenstein, die hebben eigenlijk niet de vorm van
de gemiddelde wetenschappelijke dissertatie. De nadruk ligt in zo hoge mate op
de literaire vorm waarin het is gegoten dat het waarschijnlijk achteraf dat is
geweest wat mij ertoe gebracht heeft het op te nemen. Meneer Y: Het is dus minder een filosofische dan een
literaire voorkeur. H: Nou, het is ook in belangrijke mate een filosofische
voorkeur, omdat het mij duidelijk gemaakt heeft, waar ik misschien zonder
Wittgenstein niet...laten we zeggen: ik ben waarschijnlijk nooit geporteerd
geweest voor een ideologie als het marxisme, om eens iets te noemen. Maar vóór
ik Wittgenstein kende, had ik niet zo duidelijk of niet zo goed geweten waarom
ik daar tegen was. En dat weet ik dus sinds ik Wittgenstein ken, beter. Meneer Y: Maar het feit dat u nog steeds die voorkeur geeft
aan Wittgenstein en niet aan andere mensen die hetzelfde mijns inziens veel
redelijker beargumenteerd hebben, is omdat u denkt dat Wittgenstein een beter
literator is dan die andere mensen die iets soortgelijks beweerd hebben. H: Ja, dat is een van de redenen, ja. Mevrouw Z: Wat vindt u het beste boek en waarom? (gelach) H: Dat zal ik u vertellen. (applaus) Het beste boek en
waarom. Ja, dat is voorbarig geklap dat mij eigenlijk helemaal zou kunnen doen
dichtklappen, maar kijk, dat kúnt u mij niet vragen. Misschien kunt u dat aan
andere mensen vragen, u kunt niet aan een banketbakker vragen wie vindt u nu de
beste banketbakker. Want allicht vindt ie zichzelf de beste banketbakker, anders
zou hij ermee ophouden. Maar ook dat is niet waar. Ik ben in zoverre ook een
banketbakker, dat ik bijna geen taartjes van andere banketbakkers eet. Dus ik
kan niet... wat op het ogenblik het beste boek is? Gesteld dat die vraag überhaupt
beantwoord zou worden, weet ik helemaal niet. Frans Janssen: Het beste boek van een schrijver is altijd het
laatste boek. H: Ja, dat heb ik ook wel es eerder gehoord. (gelach) Maar
ik hoor het liever een keer van een ander natuurlijk dan dat ik het zelf zeg. Meneer A: Hoe is dat te rijmen met het herzien van oude
versies,
wat u regelmatig doet. H: Ja, natuurlijk, je hoopt dat die andere boeken, dat wil
zeggen oudere boeken dat je die achteraf nog bijna zo goed zou kunnen maken als
het laatste boek. Meneer A: Ik weet niet of dat een troost is, maar ik vind
veel van uw oud werk toch wel het beste. H: Wat zegt u? Meneer A: Veel van uw ouder werk vind ik persoonlijk het
beste, maar dat was niet de vraag. H: Ja, maar uw kleinkinderen gaan daar misschien weer
anders over denken. Meneer B: Het opvallende is dat boeken als Paranoia
en Moedwil en misverstand (onverstaanbaar) dat (uw latere boeken) die
realistischer geschreven zijn terwijl uw vroegere novellen vaak een
surrealistische tint en (onverstaanbaar). Het lijkt of daar een ander
wereldbeeld van uitgaat omdat de verhalen heel anders vormgegeven zijn, latere
verhalen maken meer een traditionele en klassieke indruk van zoals de manier
waarop ze geschreven zijn, hoe de wereld weergegeven wordt, maar onderschrijft u
die observatie. H: Ja, dat is waar, ik vind en dat vond ik in die tijd
toen ook al eigenlijk, maar dat kon ik toen nog niet zo bereiken, maar dat je
altijd een minimum van middelen moet gebruiken voor een maximum effect en dat is
eigenlijk het nadeel van veel surrealistische of fantastische literatuur, dat er
te veel gebeurt, waarvan iedereen direct zegt nou dat kan niet. Dat kan ik
hoogstens op een symbolische manier gebruiken. Maar als je dus een groot effect
kunt bereiken met een verhaal dat volstrekt gefingeerd is, maar dat helemaal zou
kunnen... Of waarin díe elementen, die niet zouden kunnen, op een zeer
vernuftige manier verstopt zijn, dat vind ik prijzenswaardig. En dat poogt dus
iets te maken waarvoor ik mezelf prijzen kan. Meneer A: Het is dus niet zo dat de vormgeving van uw
latere verhalen ook een verandering in uw wereldbeeld weerspiegelt. H: Nou niet erg sterk. Ik heb niet de indruk dat mijn
wereldbeeld in wezen erg veranderd is sinds mijn vijftiende jaar. (hilariteit)
Aart van
Zoest: Een heel korte vraag. In uw laatste roman komt
een vrouw voor waarvan staat "zij had een enigszins kromme, didactische
rug". (hilariteit) Kunt u mij misschien voordoen hoe dat is? (gelach,
applaus) H: Ik hoef mij helemaal niet uit te sloven om dat voor te
doen. Ik geloof dat ik vanzelf een klein beetje krom loop en dat ik ook zeer
didactisch ben. Maar dat is toch duidelijk, je ziet toch veel mensen die er een
beroep van gemaakt hebben, andere mensen wat uit te leggen, die gaan krom lopen.
(hilariteit) En dat is heel begrijpelijk, want ik merk dus hoe moeilijk het is
mensen iets duidelijk te maken. Om iets uit te leggen, dat geldt niet voor u,
maar, we hadden zo-even dus die Weinrebzaak, zelfs in 12 jaar tijds is het me
niet gelukt om het veel mensen duidelijk te maken. Dan denk je dus, hoe kan ik
het ze wél duidelijk maken. Allicht ga je dan krom lopen want in je geest denk
je, ja die mensen zijn zo klein... (gelach) Dat is het. Mevrouw
Benders: Ik zou graag een vraag willen stellen aan de heer
Hermans. De heer Frans Janssen heeft een boek geschreven, dat heet Bedriegers
en bedrogenen. Nou heeft de heer Herman Verhaar gezegd dat is een typisch
Hermansiaanse titel. Vindt u dat ook? H: Daar kan ik dit op antwoorden. De heer Herman Verhaar
is een collega-redacteur van de heer Goedegebuure, dat mag wel gezegd worden
want dan kan hij beter worden gesitueerd. (gelach) Die heeft dat gezegd en het
is natuurlijk op zichzelf een opmerking die niet fout is of slecht, maar die
Herman Verhaar heeft op dat voortreffelijke boek Bedriegers en bedrogenen
een hoop kritiek. En dan zou je denken, zou hij zelf ook wat ontdekken, hè.
Maar nee, dan begint het dáár mee. Het ligt erg voor de hand natuurlijk om te
zeggen: Bedriegers en bedrogenen is een Hermansiaanse titel. Ligt zeer
voor de hand. Maar hij had er iets leuks over kunnen zeggen, maar dat weet ie
dan weer niet, namelijk dat bedriegers en bedrogenen letterlijk een
citaat van Multatuli is. Nu knikt u van ja, u wist het ook niet, u hoort het ook
van mij voor het eerst. (hilariteit) G: Ik dacht dat u iets anders ging zeggen. H: Namelijk Multatuli schrijft in een brief, ik meen aan
Kallenberg v.d. Bosch of aan Vosmaer, ik geloof Vosmaer, daar wil ik vanaf
zijn, schrijft hij, de wereld bestaat uit bedriegers en bedrogenen1.
Dus dat had Herman Verhaar moeten zeggen, dan had hij zijn lezerspubliek een
aardige inlichting gegeven. Want het wordt in het boek niet vermeld, nietwaar.
Dat hóeft ook niet vermeld te worden want, laten we zeggen, iemand schrijft een
boek onder de titel "Waar werd oprechter trouw".. Dan ga je er ook
niet inzetten: het is van Vondel, dat weet iedereen. Dus Bedriegers en
bedrogenen is van Multatuli en dat had Herman Verhaar moeten wéten, want
Herman Verhaar heeft ook een (zeer onterechte) kritiek op mijn boek over
Multatuli geschreven. Dat kan hij dus alleen gedaan hebben door zelf Multatuli
goed te kennen, hè. Maar dìt wist hij dus niet. Dat is teleurstellend. Ik vind
het altijd leuk als een criticus in een stukje iets schrijft dat waar is en wat
toch niet iedereen weet. 1. Multatuli
schreef op 7 september 1881 in een brief aan Vitus en Hilda Bruinsma: "Ten
eerste kan men de maatschappij verdelen in bedriegers en bedrogenen. (Brieven
van Multatuli aan Mr Carel Vosmaer, R.A.J. Kallenberg van Den Bosch en Dr Vitus
Bruinsma, naar het oorspronkelijke uitgegeven door DR. Jukius Pée, Brussel,
Rotterdam, 1942, blz. 161) Frans Janssen: Het past mij nauwelijks nu nog een vraag te
stellen, maar misschien heeft het in de verte er iets mee te maken. Namelijk ik
zou graag van beide gesprekspartners opnieuw een kort antwoord willen hebben
op de vraag, wat, naar hun mening, is of zijn de taak, de mogelijkheden en
misschien de begrenzing van de literatuurwetenschap. (rumoer) H: Dát is een moeilijke vraag. G: Ik was zojuist de eerste, ik geef meneer Hermans graag
de gelegenheid. H: Ja, laten we het om de beurt doen. De
literatuurwetenschap, dat zal ik heel vlug vertellen, die bekijk ik van een zeer
egoïstisch standpunt. Wat de literatuurwetenschap over andere auteurs beweert,
interesseert me niet zoveel. Ik kan toch ook niet alles lezen. Maar wat ze over
mij beweren vind ik soms wel interessant. En het is heel erg interessant als je
iets leest wat de ene literatuurwetenschapper beweert en wat de andere dan weer
beweert over de beweringen van die andere literatuurwetenschapper. Zo hebben we
hier een literatuurwetenschapper, de auteur van Bedriegers en bedrogenen,
waarin dus een opstel... we hebben het er al meer over gehad, maar er staat een
zeer belangwekkend opstel in en het is daarom zo belangrijk. Ik zal het direct
vertellen waarom het zo belangrijk is. Het is namelijk een opstel, ik kan het
niet vinden, ja toch, bladzijde 55, dat gaat over de diverse drukken die er
bestaan over mijn roman De donkere kamer van Damocles. Nou denkt u
natuurlijk: wat is dat nou voor een saai afgetrokken onderwerp, wat kan ons dat
nou schelen, of in het ene boek staat vierde druk oktober 1962 en in het andere
staat vijfde herziene druk, maar het is erg belangrijk want ik heb namelijk met
de uitgever van dat boek, juist over de drukken een werkelijk verterend
conflict gehad. Veel mensen beseffen niet wat het voor mij heeft betekend toen
dit opstel, dit voortreffelijke opstel, over deze kwestie verscheen, waarin
die zaak heel duidelijk uiteengezet werd. En waarin dus ook duidelijk wordt
waarom ik daarmee zo ontzettend veel ellende heb meegemaakt en waarom ik
eigenlijk in die jaren dat het conflict gaande was, misschien wel driemaal meer
romans had kunnen schrijven, als ik niet aldoor brieven aan advocaten had moeten
schrijven daarover. Dus dit opstel over die varianten bij de verschillende
drukken, dat is als het ware een soort biografie van mij, van tussen 1958 en
1971. Iedere welgeschapen
literatuurhistoricus of literatuurwetenschapper had dat direct uit dit boekje
moeten pikken en zeggen: dát is het grote hoofdstuk. Maar wat lees je dan als
je de bespreking van de heer Verhaar leest? Die wijdt juist aan dit hoofdstuk
één schimpscheut, verder niets. En tot mijn grote teleurstelling mijn goede
vriend, nu geworden, de heer Goedegebuure, die schreef er in zijn stukje
helemaal geen wóórd over. Dan ga je zoeken naar oorzaken, dan denk je hoe
kunnen twee zulke voortreffelijke geleerden zo blind zijn. (gelach) Dan hoor je
dat die twee allebei een tijdschrift hebben, dat uitgegeven wordt door Van
Oorschot. Hè? En dan denk je, ja dat vind ik toch niet erg flink. Dan wordt
mijn oordeel over veel wetenschappers, dat ze niet zo flink zijn, daardoor weer
versterkt. Dat is dus wat ik denk over de literatuurgeschiedenis. (hilariteit)
G: Ik kan wel iets zeggen wat daarbij aansluit en dat ook
betrekking heeft op de vraag van Janssen over literatuurwetenschap. Kijk, die
stukken van Verhaar en mij over dat boekje van Janssen, die zijn niet geschreven
door ons als literatuurwetenschapper maar als literatuurcriticus. En er
bestaat natuurlijk een groot verschil tussen literatuurwetenschap en
literatuurkritiek. H: Nee. Dat vind ik nou geweldige onzin. Stel je nou voor
dat een ingenieur over bruggen gaat schrijven. Een bruggenbouwer gaat over
bruggen schrijven. En dan zegt ie: nou nee maar nu ga ik wat anders schrijven
dan wat ik in Delft geleerd heb. Dat kan toch niet? Dat kunt u niet volhouden. Herman
Verhaar: Hij hoeft ook niet te schrijven of ze mooi zijn
die bruggen, dat doet de criticus of het boek mooi is, wat het waard is, niet de
constructie. Anneke
Reitsma: Wordt een literatuurcriticus niet geacht enige
achtergrondkennis te hebben, gewoon te spreken vanuit kennis van zaken. Dat hij
op grond dáárvan een oordeel kenbaar maakt? G: Ja natuurlijk, dat spreekt vanzelf, maar een
literatuurcriticus spreekt altijd voor zichzelf en een literatuurwetenschapper
wordt geacht te spreken namens de literatuurwetenschap. Dat is het verschil
tussen een zo groot mogelijke objectiviteit, die in de literatuurwetenschap ook
niet haalbaar is en de subjectiviteit die de literatuurkritiek eigen is en ook
eigen moet zijn. Anneke
Reitsma: Heeft u de illusie dat een literatuurwétenschap
objectief zou kúnnen zijn? G: Natuurlijk heb ik die illusie niet, maar ik zeg wel dat
de literatuurwetenschap moet stréven naar een zo groot mogelijke objectiviteit
of naar een zo groot mogelijke insubjectiviteit. Anneke
Reitsma: Idem dito de literatuurcriticus. G: Nee, dat ben ik niet met u eens. Iedere
literatuurcriticus spreekt voor zichzelf en iedere lezer die hem leest die weet
dat ook. Iedere schrijver weet dat ook. In principe zou iedere lezer z'n eigen
literatuurcriticus kunnen zijn. Een literatuurcriticus is geen
vertegenwoordiger van welke instantie dan ook en hoeft niet te spreken alsof er
iets zou zijn als een objectiviteit met een hoofdletter. H: Nou, dat hoeft ook niet, maar ik kan me toch erg
moeilijk voorstellen dat iemand die een literair-wetenschappelijke opleiding
heeft genoten, iets gaat opschrijven, dat hij verder niet verantwoordt, als hij door
een tijdschrift geïnviteerd wordt om een stuk over een boek te schrijven.
Dat z'n wetenschappelijke kant nooit zou kunnen verantwoorden. Waarom zou die
dat doen? Wat voor nut heeft dat? G: Wat u mij kwalijk neemt is dat ik niet hoera heb
geroepen over dat ene stuk van Janssen in dat boek. Ik roep niet hoera en ik
roep ook niet... H: U roept er helemaal niets over. G: Nee, dat hoef ik ook niet te doen want dat zijn feiten
die ik accepteer en waar ik verder geen waardering voor uit hoef te spreken. H: Nou ja, maar ik zeg u, dat maakt geen flinke indruk
natuurlijk, want men kan dus nagaan dat juist ú daarover een woordje zou
hebben moeten spreken. Want het is een heel belangrijk probleem wat daar
gebeurde, nietwaar. G: Waarom juist ik, meneer Hermans? H: Vooral omdat het een uitgever betreft die bij voorbeeld
de verzamelde werken van Multatuli uitgeeft. Alwéér Multatuli, maar die is ook
onuitputtelijk. Multatuli heeft es geschreven, toen hij eindelijk een
behoorlijke uitgever gevonden had namelijk Funke, toen zei hij: ja Funke, ik ben
zo blij dat je mijn boeken herdrukt en nu eindelijk, na 7 jaar, krijg ik de
gelegenheid om de fouten uit mijn drukken te halen en kan er een behoorlijke
door mij gecorrigeerde uitgave komen. Dat is toch in geen enkel land ter wereld
mogelijk, dat met voorbijgaan van de wensen van een auteur 7 jaar lang een
uitgever maar raak doet en maar de ene herdruk na de andere uitbrengt zonder dat
de auteur gelegenheid heeft z'n proeven te corrigeren. Nou, dat schreef
Multatuli. Maar diezelfde uitgever die dus nú Multatuli uitgeeft die doet het
bij een nog levende auteur niet na 7 jaar maar 12 jaar op die manier. Dat is dus
een heel interessant onderwerp. Daarover heeft Janssen een voortreffelijk stuk
geschreven, u krijgt het te lezen en u verzwijgt dat. En u gaat over allerlei
andere dingen praten die minder interessant zijn. G: Ik verzwijg het niet, ik neem het voor kennisgeving
aan. Ik heb er zelf niets over te melden. Ik geloof uiteraard wat erin dat stuk
staat, ik twijfel volstrekt niet aan de feitelijke juistheid ervan. H: U had dat toen in dat stuk moeten zetten. G: Meneer Hermans dan heb ik de hele Volkskrant
nodig als ik over ieder boek moet gaan zeggen waar ik het mee eens ben. H: Nee, maar u had een hoop dingen die minder ter zake
waren en veel minder interessant, eruit kunnen laten. G: Dat is nou juist de subjectiviteit van de criticus, die
dingen die ik wel behandeld heb, vond ik nou toevallig weer ter zake en dat is
mijn goed recht. H: Nou ja recht, wat is nou recht. Nou ja enfin, goed,
volgende vraag. (applaus) Carel Peeters: Ik wil de discussie op een ander plan brengen
door te vragen wat Hermans bedoelt als hij zegt dat Wittgenstein hem heeft
overtuigd van de onzin van het marxisme. H: Nou dat is inderdaad een hele goeie vraag, maar die is
zo goed, ik geloof niet dat dat even in het kort kan uiteenzetten. Vooral ook
omdat veel mensen Wittgenstein niet gelezen zullen hebben. Ik zou ze niet in zo
korte tijd duidelijk kunnen maken waar het over gaat. Maar waar het vooral op
neerkomt, maar u moet mij vergeven dat ik u eigenlijk een zeer gebrekkig
antwoord hierop geef, dat is dit: Marx, om de waarheid van zijn theorie te
bewijzen, opereert met operatoren waarvan iemand die Wittgenstein gelezen heeft
en goed begrepen, én het met Wittgenstein eens is, inziet dat het geen
handelbare operatoren zijn. CP: Een voorbeeld? H: Nou bijvoorbeeld een operator van Marx, een hele banale
zal ik noemen, de arbeidersklasse. De arbeidersklasse, wat is dat? Voor Marx en
voor alle marxisten is het direct duidelijk wat dat is, niet voor Wittgenstein. CP: Een abstractum, maar die gebruikte Wittgenstein net zo
goed. H: Die heeft het niet over de arbeidersklasse. CP: Nee, maar wel over de andere abstracta. H: Ja maar het gaat er niet om dat het een abstractum is,
maar het gaat erom dat je niets onder de arbeidersklasse kunt verstaan. Meneer
Y: U had het over de operatoren. Het enige wat ik
kon herkennen in wat u zei is dat het een abstract iets is. H: Nee ik zeg niet dat
het abstract is maar dat het iets is wat bedacht wordt en wat niet bestaat. Er
bestaan wel arbeiders, er bestaan mensen die niets doen en er bestaan mensen
die werken. Maar lang niet alle mensen die werken worden tot de arbeiders
gerekend. Dat wordt dus geheel willekeurig bepaald. Marx veronderstelt dat
kapitaal immoreel is. De kapitalist verhuurt zijn geld. Dat is het principe
van het kapitalisme. Dat is immoreel volgens Marx; waarom wordt niet
uiteengezet. Meneer
Y: Ik geloof niet dat Marx dat zegt. H: Nou u kent Marx waarschijnlijk beter dan ik, maar ik
weet er genoeg van om er niet van te houden. (gelach) U vindt dit waarschijnlijk
maar flauwe moppen en dat is het misschien ook wel een beetje maar ik kan er
hier niet, na zoveel uur aan het woord geweest te zijn, even vlug een college
over geven, hè. Meneer
Y: Maar laten we zeggen dat een logische
geesteshouding die wordt ingenomen door Wittgestein strijdig is met allerlei
soorten uitspraken zoals die bijvoorbeeld te vinden zijn in de werken van Marx,
en dat zou een zinnige bewering zijn. H: Nou, dat zeg ik toch ook? (hilariteit)
U heeft het misschien wat helderder geformuleerd dan ik, maar ik heb het
wel zo bedoeld. G: Ik denk dat er nog gelegenheid bestaat tot het stellen
van 1 of 2 vragen. CP: Kunt u de vraagstelling betrekken op de laatste roman,
want die is nauwelijks ter sprake gekomen. In mijn kritiek in Vrij
Nederland heb ik proberen uit te leggen dat er een discrepantie bestaat ten
opzichte van de houding van de schrijver en zijn personages en ik heb aangetoond
dat bij voorbeeld de figuur van Sita zowel belachelijk wordt gemaakt, als een
taal spreekt die kenmerkend is voor de schrijver Hermans. H: Ja. Dat heeft u gezegd maar het is volgens mij helemaal
niet waar. En die figuur van Sita: als het op u die indruk gemaakt heeft, dan is
dat aan mijn stunteligheid van schrijven te wijten, want ik heb het absoluut
niet zo bedoeld. Ik heb in geen enkel opzicht bedoeld om de hoofdpersoon van dit
boek belachelijk te maken, helemaal niet. Maar deze hoofdpersoon heeft een, wat
de marxist zou noemen, typisch kleinburgerlijke rancuneuze houding tegenover het
leven, waardoor ze dus over van alles en nog wat uitspraken doet ook over
zichzelf. Ze maakt zichzelf uit voor domme trut, voor hoer, voor alles en nog
wat. Maar dat doe ík niet. Dat doet ze zelf en dat doen zulke mensen zelf. Dat
is wat ik heb afgebeeld. Maar ik heb helemaal niet die vrouw belachelijk
gemaakt, geen sprake van. Echt niet. CP: Nou, het lijkt me dat de brief die ze schrijft aan de
schrijver Lionel Prent, nogal... H: Nee dat is een stuntelige brief maar, ...en dan nog
iets, ik weet niet of u dat beweerd heeft of iemand anders, ik heb het niet uit
m'n hoofd geleerd. Maar iemand beweert dat deze vrouw: ja, die pretendeert nog
het een en ander, die denkt dat ze schrijfster is en dat ze wel een mooi
kinderboekje zal kunnen schrijven. Maar dat is het 'm juist. Deze vrouw is zo
wanhopig, hè. En op een bepaald ogenblik heeft haar buurvrouw, die wel een
succesvolle schrijfster van kinderboeken is, tegen haar gezegd, ja god, de hele
dag in je kamer zitten en een glaasje sherry drinken, dat gaat toch ook niet. Ga
wat doen, ga je tijd es nuttig besteden, ga een kinderboekje schrijven.
Nou, die vrouw weet dus dat deze vrouw toen ze een meisje van een jaar of 17, 18
was, wel es geprobeerd heeft gedichten te schrijven, wel of niet in een literair
tijdschrift heeft geplaatst, maar enfin dat is niets geworden. Dus het ligt een
beetje in haar... ze had ook kunnen zeggen, ga pianospelen of ga aardbeien
kweken, maar ze zegt dus ga een kinderboekje schrijven, dat doe ik ook. Leuk, je
hebt er plezier van, de mensen vinden het leuk en je verdient er ook nog wat
aan. Dus, lafhartig, denkt Sita, nou ja vroeger ben ik een mislukte dichteres
geweest, ik ga het ook eens proberen. Maar ze is zo onzeker dat ze dan om advies
een briefje schrijft aan een vermaard auteur van zoetelijke kinderboekjes. En
nou, die brief daar stort ze haar hele hart in uit en ze schrijft een paar keer
"dus", wat ze van de televisie gehoord heeft, een paar keer dus. Drie
keer dus in een zin... Bent u
dat geweest of was dat iemand anders die daarover schreef? (Stem uit het publiek:
Poll!) Daarmee wordt ze dan
belachelijk gemaakt, maar dat is helemaal niet zo. Die vrouw schrijft zo. Ik
heb zelf in Groningen, elders ook, mensen met veel meer ontwikkeling dan Sita,
dat horen zeggen. Een modieus gebruik van dus, hè. Ik bedoel, ik heb hier nog
een spiekpapiertje. De functie van het modewoord in Nederland, die is ontzéttend.
Ik bedoel, het gaat niet alleen om "dus", ik heb hier een heel
lijstje van modewoorden, die, als ik ze in een kritiek bij voorbeeld aantref,
mij direct eigenlijk doen denken van: nou meneer, u geloof ik verder niet.
(rumoer) Maar nu heb ik dus gehoord dat zo'n criticus dan wel een gepatenteerde
literair wetenschapper kan zijn, maar als hij criticus is, dan laat hij daarvoor
een stalen gordijn vallen, nietwaar. En dan krijg je dit soort woorden in
kritieken
hè. Profiel, bijvoorbeeld, komt allemaal uit het Amerikaans. Onderhuids,
wat dat is weet ik niet. Onderhuidse spanningen, ja dat moet vreselijk wezen
als je daaraan lijdt. (gelach) Dan moet je naar de dokter. Bijna alle dichters
hebben dat, als je de critici gelooft. Dan bestaat er ook nog een ander soort
dichters, die zijn onderkoeld. Wie was dat, Nuis ook weer, die zei:
Campert was zo onderkoeld. Toen heb ik gezegd, ja in plaats van de P.C.
Hooftprijs had de minister, mevrouw Gardeniers, hem een warme trui moeten geven.
Dan heb je "op een rijtje zetten", dat hoor je ook. Of "er aan
trekken", wat dat betekent weet ik niet precies. Maar u moet er niets
achter zoeken, dat betekent je best doen. Nou. Dan, iets is
"onderkomen", dat is een germanisme. Het betekent dus gebrekkig,
vervallen. "Zich vinden in", ook zo prachtig, hoor je ook bij Nuis en
bij Voogd en al die Kamerleden, die vinden zich ergens in, hè. "Zich
schikken in", "zich ergens bij neerleggen",
daar is geen sprake meer van, ze vinden zich erin. "Showstelende
speeches", ook zo mooi, daar hoeft geen commentaar bij. "Vraagtekens
zetten", jaja. Uitroeptekens zetten ze nooit. Als ik wat schrijf, dan
zetten ze vraagtekens. Een "hele mooie", dat is er ook een,
"een hele mooie". Een hele mooie is "voorspelbaar" hè.
Voorspelbaar vind ik wel een acceptabel Nederlands woord. Maar ik bedoel: dan
lees je bij een criticus: "Oh, dat verhaal is voorspelbaar". Waarom
heeft ie zelf dan niet dat verhaal geschreven als het toch voorspelbaar is?
(gelach) Er gebeuren toch dingen die helemaal niet voorspelbaar waren want
anders had hij het wel voorspeld maar dan zegt hij toch
"voorspelbaar". Waarom schrijft ie nou voorspelbaar? Ja, ik ben
toevallig ook geabonneerd op het Amerikaanse tijdschrift Time, helemaal
geen speciaal literair tijdschrift, maar je kan geen pagina van Time,
nummer in, nummer uit, zien, of je komt er drie keer "predictable"
tegen...
Dus alle Nederlandse critici gaan dan "voorspelbaar" schrijven. En nu
moet u horen, Ter Braak en Du Perron, die stelden het helemaal zonder
"voorspelbaar". Ik wil er wat onder verwedden dat je bij Ter Braak
nergens het woord 'voorspelbaar' tegenkomt, maar ja, die had andere hobby's,
toen was het 'menselijke waardigheid'. Daar hoor je nou niet meer over. Nu is
het allemaal 'voorspelbaar'. Ja, dan heb je er nog zo
een. Als een criticus iets gunstigs zegt over een andere schrijver, wat in
Nederland zeer zelden voorkomt, dan heet dat 'slijmen', begrijpt u. Dan doet die
criticus dat niet omdat hij het boek zo mooi vindt, maar omdat hij wat van die
schrijver gedaan wil krijgen. Tenminste, dat suggereert dit woord 'slijmen'. Dat
zal soms wel zo zijn, maar ja... tant pis. Een ander woord is ook 'aandragen',
er wordt aangedragen, er wordt wat aangedragen. Het lijkt wel of iedereen
Multatuli is geworden. Die had veel gedragen. Alle critici komen aandragen.
Argumenten worden niet meer aangevoerd, nee aangedragen. Je ziet ze sjokken.
Vreselijk! Hier heb ik er nog een: 'toeslaan'. 'De chaos slaat van alle kanten
toe.' Wat is dat? De chaos... ik zie de chaos niet. Ik heb al es eerder gezegd,
als je schrijft moet je pogen je daar iets bij voor te stellen. Maar bij de
chaos die toeslaat kun je je niets voorstellen. En dat is... het is allemaal
stokoud wat ik beweer, hoor. Ik heb een keer bij Anton van Duinkerken gevonden,
die ik zelden lees, maar dit las ik dan toevallig, dat Coornhert gezegd had, die
ik ook niet lees, maar Anton van Duinkerken citeerde dus van Coornhert. Nou
hoelang is dat geleden, u zult het beter weten dan ik.. Wanneer leefde Coornhert? G: 400 jaar geleden ongeveer. H: 400 jaar geleden. Coornhert heeft gezegd en dit is
prachtig: 'men moet zichtbare verzen schrijven'. En daar ben ik het volkomen
mee eens. Dus chaos die toeslaat daar valt niks bij te zien, dat is niks... Nou,
en dan 'uitputtend', dat is natuurlijk ook geweldig. Iedereen is uitgeput,
'compleet', het bestaat niet meer. 'Volledig', weg ermee. Volledig weg: uitputtend
is het. En dan ook een schitterend woord, komt ook uit het Amerikaans, lees je
ook op iedere bladzijde van Time drie keer, dat is 'legitiem'. Kousbroek,
de puzzeldokter van de NRC, die weet altijd precies wat legitiem is. (gelach)
Dit woord heeft een hele genese in het Nederlands gehad, dit legitiem. Want heel
toevallig kwam ik een stukje tegen, onlangs, van 10 jaar geleden, van
Oversteegen, die was nog niet tot legitiem doorgedrongen, maar die had het over
een 'legale' conclusie. Toen was het nog 'legaal'. Maar waarom nu? 'Terecht'
of 'rechtvaardig' of 'gerechtvaardigd', nee dat bestaat niet. 'Legitiem' is het
nu. Goed. Maar nu moet u horen. Een deel van deze woorden heb ik al belachelijk
gemaakt, moet ik zeggen, in 1973, in een boek dat heet Het Evangelie van O.
Dapper Dapper. Maar ja! Ik las onlangs dat meneer Goedegebuure die hier zit,
dit een kolossale hoeveelheid ongein vindt. Maar waarom nou toch? U kunt
echt over dat boek denken wat u wilt, maar als u nu eens alle woorden die daarin
aan de schandpaal worden genageld... -Pas op, straks gaat-ie alles 'aan de
schandpaal nagelen'- Als u die nou eens overdacht, of u die niet kunt missen in
uw proza, dan is het veel beter. Daar wordt het mooier van. (gelach) G: Ik ben het met u eens, maar u heeft het toch niet
persoonlijk bedoeld of wel? H: Nee, maar ik geloof een enkel keer vind ik bij u wel es
iets van dien aard, maar niet alles hoor. Je vindt het ook bij anderen, ik
geloof zelfs bij meneer Peeters, maar ja. G: Als u het over O. Dapper Dapper hebt, nou u het
er toch over hebt, is dat u die lolligheid te veel uitmelkt, er komt geen einde
aan. U had een paar sterke voorbeelden moeten kiezen en dan had iedereen u
geloofd, maar u gaat maar door. H: Nee maar dan was het cabaret geworden, en dat is niet
de bedoeling. Het is dus inderdaad tot het melige toe uitmelken van die... dat
is inderdaad een wezenstrek van zowel dit boek als het vorige. G: Ja, dan moet u niet verbaasd op staan kijken wanneer ik
zeg ongein... H: Nee het is geen ongein, nee ongein is wat anders. Wat
het precies is weet ik ook niet, want ongein is eigenlijk ook een modewoord,
maar in ieder geval geen gein die niet geinig is, denk ik. G: Nee, ik vind het ook niet geinig. H: Nee, maar het moet ook niet geinig zijn. Het is
grondig. G: Het moet vervelend zijn. H: Ja, het moet vervelend zijn. Ja, er bestaan boeken die
vervelend moeten zijn. Echt. G: Ja, ik vind het echt heel vervelend. (gelach) H: Maar als u nog een keer uw best doet, misschien vindt u
het dan toch leuker dat u zo gedacht hebt. G: Ik zal het nog een keer proberen. Misschien de laatste vraag
nu, want we lopen tegen de klok van vijf. Meneer B: Ik merk dat uw dunk over wat veel mensen
schrijven niet zo erg hoog is. Onder andere van Buddingh' dus en misschien ook
wat meneer Nuis heeft geschreven. H: Hoort u het nou? Dus. Dit is een heel ontwikkelde man
en die zegt het ook. Ziet u wel? Meneer
B: Ik wou zelf graag vragen wat u vindt van de
taartjes van Willem Brakman, een vriend van u waar u naar mijn weten niet zoveel
tekst aan heeft gewijd en die ik zelf persoonlijk erg goed vind. H: Willem Brakman? De táártjes van Willem Brakman? G: Van banketbakkerstaartjes, weet u wel van andere
banketbakkers, die ook taartjes bakken. H: Ik heb haast niets gelezen van Willem Brakman, ik kan
er niets over zeggen. Het spijt me. G: Ik denk dat we dan... één laatste vraag dan. Aart van Zoest: Oké daar stem ik heel erg mee in, maar wat vindt
u zelf belangrijker. Uw essays en andere didactische stukken zullen we maar
zeggen of uw romans en novellen. H: Ik denk dat mijn didactische inspanningen meer voor het
ogenblik leuk zijn en interessant. Dat blijkt ook wel hieruit dat ik heel veel
van mijn didactische beschouwingen uit, laten we zeggen de jaren '45, '50, nooit
heb herdrukt. Enkele heb ik nog wel m'n best op gedaan om er iets van te maken
dat minder efemeer was dan het geweest is, maar meestal niet. Didactische
beschouwingen verouderen nu eenmaal heel vlug en ja, om daar nu over te praten,
ach nee waarom. Dat is nu eenmaal zo. Je krijgt gelijk van de geschiedenis of je
krijgt geen gelijk. Als je geen gelijk krijgt, is het verouderd. Als je wél
gelijk krijgt is het op den duur ook verouderd. Maar op het moment zelf, hè,
het debatteren zoals nu met meneer Goedegebuure die mij wel bewondert maar het
toch niet in alle opzichten met mij eens is, dat heb ik heel vermakelijk
gevonden. En prettig. Ik zou zeggen dat doe ik liever dan een pagina van een
roman schrijven, maar ik geloof... schrijven is meer degelijke arbeid. Het is
dikwijls bezwaarlijker, maar toch op de lange duur bevredigender. Want deze
discussie, ja die zal misschien vergeten worden of zo. Of achteraf zullen de
mensen zeggen: nou, nou, ja, enzovoort. G: Het genoegen was ook aan mijn kant. (gelach) Ik wil de heer Hermans zeer
bedanken voor de bereidwilligheid waarmee hij op mijn vragen en op de vragen van
de zaal is ingegaan. Nogmaals mijn hartelijke dank. H: Wij schudden elkaar de hand. (Met dank aan de VARA voor
het beschikbaar stellen van de geluidsbanden.)
Wanneer er door rechthebbende(n) bezwaar wordt gemaakt tegen de (her)publicatie van dit interview, zal het terstond van de site worden gehaald
OVERZICHT
EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959<
>1960-1969<
>1970-1979<
>1980-1989<
>1990-1996<
|
|
Bezoek deze pagina's in uw eigen volgorde Plaats "WILLEM FREDERIK HERMANS" bij uw favorieten Ach, waar bemoei ik mij eigenlijk mee?
KENNISMAKEN MET WFH --- SPELLETJES MET WFH LUISTEREN NAAR WFH --- BIJSCHRIJVEN OVER WFH --- ADVERTEREN MET WFH NAAR DE FILM MET WFH --- AUTOBIOGRAFIE VAN WFH MULTATULI EN WFH --- SCHRIJFMACHINES VAN WFH TIJDSCHRIFTEN OVER WFH --- PLAATJES KIJKEN MET WFH WEINREB, EEN KWESTIE VAN WFH --- BOEKJES LEZEN MET WFH RIJMEN MET WFH --- WITTGENSTEIN EN WFH --- NAAR ZWEDEN MET WFH? AANDENKEN AAN WFH --- OP TONEEL MET WFH --- INTERVIEWS MET WFH POST VOOR WFH --- TE GAST BIJ WFH
Bij het samenstellen van deze site heb ik gepoogd bestaande rechten op tekst en afbeelding te eerbiedigen. Mocht er toch nog bezwaar zijn tegen het gebruik van materiaal, laat u dat dan onverwijld weten?
De links naar de verschillende pagina's werden voor het laatst bijgewerkt op: dinsdag 27 oktober 2009 |