|
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
INTERVIEW MET WFH
HUMO sprak met Willem Frederik Hermans Humo,
8 mei 1986 Wilfried
Hendrickx. Willem Frederik Hermans werd
in 1921 in Amsterdam geboren uit een onderwijzersechtpaar. Op het ogenblik van
de geboorte was de moeder 37 jaar en de vader 40. Het gezin bestond verder uit
het drie jaar oudere zusje Cornelia die later, op 14 mei 1940, bij het uitbreken
van de oorlog, samen met een veel oudere neef zelfmoord zou plegen. Hermans loopt gymnasium en
is enige tijd hoofdredacteur van de schoolkrant Suum Cuique. Onder dwang
van zijn vader studeert hij sociografie aan de Gemeentelijke Universiteit van
Amsterdam maar schakelt na één jaar over op zijn eigen keuze: de fysische
geografie, mineralogie en scheikunde. In 1995 promoveert Hermans
cum laude tot doctor in de wis- en natuurkunde en in 1958 wordt hij benoemd tot
lector in de fysische geografie aan de Rijksuniversiteit van Groningen. Dat
zelfde jaar verschijnt zijn negende roman, één van zijn mooiste: De
donkere kamer van Damocles, die hem eindelijk zijn vaste plaats op het
hoogste podium van de Nederlandse literatuur oplevert, naast Harry Mulisch en
Gerard Cornelis van het Reve. Eerder werk van Hermans
(o.a. zijn romandebuut Conserve en de ongeslepen parel De
tranen der acacia's) was tot dan altijd zeer sceptisch ontvangen en voor
zijn Ik heb altijd gelijk werd tegen hem door Mr. H. Wassenbergh,
officier van Justitie te Amsterdam, een gerechtelijk onderzoek ingesteld wegens
"het opzettelijk beledigen van het katholieke volksdeel in Nederland".
Op 20 maart 1952 begint het proces; veertien dagen later wordt Hermans
vrijgesproken. In 1961 komt hij in conflict
met zijn uitgever, Geert van Oorschot, omtrent een heruitgave van De
tranen der acacia's: de ruzie zal tien jaar aanslepen en aanleiding
geven tot meerdere processen. Vanaf 1962 publiceert
Hermans bij "De Bezige Bij". Hij is klaar voor het schrijven van zijn
gaafste werk: de sterk autobiografische roman Nooit
meer slapen (1966) en de aangrijpende verhalenbundel Een
wonderkind of een total loss (1967), mijn persoonlijke voorkeur uit
Hermans' oeuvre. Ondertussen blijft onze held
gewoontegetrouw een stortvloed van kritieken en essays produceren en werkt hij
veelvuldig mee aan dagbladen en tijdschriften. In 1973 neemt Hermans
"om persoonlijke redenen" ontslag als lector aan de Universiteit van
Groningen en vestigt zich in Parijs, waar hij tot vandaag een teruggetrokken
leven leidt. De literaire tijdbom die Hermans in Nederland heeft achtergelaten,
ontploft in 1975 onder de vorm van de roman Onder professoren:
de ironische avonturen van een Groningse professor die de Nobelprijs wint en
daarmee de campus op stelten zet. Half Nederland ligt plat van de slappe lach,
terwijl enkele hooggeleerde heren heel even de aanvechting voelen om hun polsen
open te snijden. De wraak van Hermans! Uit talloos
veel miljoenen
verschijnt in 1981 en is zijn jongste roman. Het is een bitter-zoete comedie
waarin een aan de sherry verslaafd professorenvrouwtje wanhopig op zoek gaat
naar zichzelf én naar een uitgever voor haar kinderversjes over Beertje
Bombazijn. De pret stijgt ten top als uitgever Geert van
Oorschot, alias Dick Hosselaar, ten tonele wordt gevoerd. De sedertdien verschenen novellen Filip's sonatine, Homme's hoest, Geyerstein's dynamiek en De zegelring - prachtig uitgegeven in aparte, kleine boekjes - zijn sterk metaforisch en zeer gestileerd. Ze lijken geschreven door een mijmerende, moeë schrijver en kunnen de honger naar een roman van het niveau van Nooit meer slapen of een de keel dichtsnoerend kort verhaal als Het grote medelijden moeilijk stillen.
Humo: Ik ben naar u
toegekomen vanuit geen ander gevoel dan oprechte bewondering. Hermans: En zo hoort het
ook.
Humo: U bent veel meer
dan een schrijver; u bent een fenomeen. Hoe verklaart u dat zelf? Hermans: Ik kan daar geen
antwoord op geven. Een fenomeen kan over zichzelf niets zeggen. Ik bedoel: het
fenomeen van 'het weer', of van 'de olifant', of van een vulkanische
uitbarsting, zegt niets over zichzelf. Een vulkaan barst uit. Punt. Wij sturen
daar geologen op af, om te onderzoeken hoe dat fenomeen ontstaat. Ook met
literaire fenomenen gaat het zo: de onderzoekers heten in dat geval meestal
critici. En dat zijn doorgaans slechte onderzoekers. Waardoor van literaire
fenomenen meestal zeer bedrieglijke rapporten worden opgesteld. Tja... daar kan
ik zelf weinig aan doen. Nou praat ik toevallig - in tegenstelling tot een
vulkaan - Nederlands, zodat ik niet telkens hoef uit te barsten als mij vragen
worden gesteld. Ik kan dus uitleg geven op vragen, of misverstanden aantonen.
Maar veel meer dan u meedelen dat het fenomeen dat ik ben, meestal verkeerd
beschreven wordt, kan ik niet. Ik kan niet vertellen hoe ik zelf dat fenomeen
geworden ben. Ik ben gewoon op een bepaald moment begonnen boeken te schrijven
en te publiceren en daar kwamen toén - en nog steeds - wonderlijke reacties op.
Ik ben van het begin af aan achtervolgd door een stortvloed van verkeerde
interpretaties.
Humo: Heeft u die
verkeerde interpretaties uitgelokt, gezocht? Of zijn die u overkomen? Hermans: Maar natuurlijk heb
ik die niet uitgelokt! Hoe komt u er bij! Dat is toch onmogelijk! Toen ik begon
te schrijven, is het enige wat ik geprobeerd heb, iets nieuws te vertellen. Ik
had gehoopt dat men meteen zou begrijpen wat nieuw was en dát het nieuw was;
maar dat gebeurde niet.
Humo: Het grote
misverstand? Hermans: Ja, precies. 't Was
ongelooflijk. Ik wil daar nu niet in detail op ingaan, maar in zo'n boek als Mandarijnen
op Zwavelzuur geef ik een groot aantal voorbeelden van de manier waarop
men mij - meestal met kwade bedoelingen - verkeerd heeft geïnterpreteerd.
Humo: Met kwade
bedoelingen? Hermans: Ja, natuurlijk. Men
vond schandalig wat ik beweerde. Nu nog. De methode bij uitstek is het verkeerd
navertellen van wat de auteur bedoeld heeft, en dat dan als de waarheid
opdienen. Een andere methode is: niet verkeerd navertellen, maar verkeerd
interpreteren. Gewoon zonder adstructie van iets wat ik geschreven heb, zeggen
dat het slecht is of verdorven of weet ik wat.
Humo: Dat zegt
natuurlijk veel over hoe boeken gelezen worden. Als de critici ze al verkeerd
interpreteren, waar moet het dan met de
lezers heen? Hermans: Dat geldt niet voor
alle boeken. Dat geldt vooral voor mijn boeken.
Humo: Het beeld dat
men zich meestal vormt van een succesvol auteur,
internationaal gewaardeerd en gevierd, is dat een
Bertrand Russell-achtige figuur die links pamfletten ondertekent en
rechts aan volkstribunalen participeert of in betogingen mee
voorop loopt. Een man met lang, grijs haar, het
hoofd doorploegd met rimpels van wijsheid, aanbeden door
de progressieve jeugd. Dat imago heeft u moedwillig afgewezen. In Het
Grote Medelijden
weigert u zich te scharen bij de
zogenaamde "superieure geesten". Hermans: Juist. Ik heb
altijd al een hekel gehad aan het verenigingsleven, om elkaar daar pluimen in de
aars te steken, stroop om de mond te smeren. Ik bedoel: het enige wat ik gewild
heb, is: lezenswaardige teksten voortbrengen, waarin staat - hoop ik - wat ik
bedoel. En niet aan alle mogelijke acties meedoen. Ik ben daar zelfs zeer tegen.
Hoeveel slechts er in de wereld ook gebeurt - Viëtnam, het Nabije Oosten,
Zuid-Amerika, Zuid-Afrika - ik zie het niet als mijn taak om mij aan te sluiten
bij een club van herrieschoppers. Al de Clubs en Comités bestaan voor het
grootste deel uit mensen die helemaal niet kunnen schrijven maar die door in
zo'n Comité of Club zitting te nemen, hopen hun naam in de krant te krijgen of
voor de televisie te komen. Sommigen - Russell misschien - zijn inderdaad te
goeder trouw geweest. Maar iemand als Sartre.... nouja, die wilde tot elke prijs
in de publiciteit en in het openbare leven blijven. Die beweerde maar wat raak.
En dan heb je die miniatuur-Sartres, die ondertussen schaamteloos hun mond
houden. Je hebt schrijvers die tien, twintig jaar geleden Fidel Castro
opgehemeld hebben: "Oh! Oh!". Of Mao Tse Toeng. Geweldig was die! Nou:
op Castro heeft men een wat nuchterder kijk gekregen, nu; en Mao Tse Toeng is
eigenlijk uit de geschiedenis weggeveegd. Máár: nooit hoor je die schrijvers
en die journalisten nadien zeggen: "Ik heb die man indertijd zozeer vereerd
maar vandaag blijkt dat ik mij vergist heb". Dat zeggen ze nooit. Ze
produceren nooit hun analyse van waarom ze zo'n man verkeerd hebben ingeschat.
Waarom ze hun enthousiasme op een object hebben geplaatst dat het achteraf niet
waard bleek te zijn. Welnee! Ze houden hun mond over hun vroegere fouten en
maken even schaamteloos weer nieuwe.
Humo: De
schijnheiligheid van het modische engagement? Hermans: Precies. Dat is een
heel goede uitdrukking. Daar ben ik het helemaal mee eens. Maar het is niet
alleen de schijnheiligheid; het is ook de misplaatste eerzucht, de ijdelheid.
Het verlangen om andere mensen de les te lezen. Om de missionaris of dominee te
willen spelen. Om het "domme publiek" eens even te vertellen wat Goed
of Kwaad is.
Humo: Bewijst u - door
iedere keer opnieuw in de arena te treden
- uw vijanden niet teveel eer? Ik stel immers vast
dat u een groot deel van uw energie in de polemiek hebt gestopt. Zou die
energie in de polemiek niet beter besteed zijn aan enkele romans méér? Want daar gaat het uiteindelijk
toch om? Hermans (blazend): Tja... of
het daar nou werkelijk om gáát? Sommige mensen vinden mijn polemieken
amusanter dan mijn romans. Ik heb zelf zeker niet het gevoel dat ik door minder
te polemiseren, meer energie zou hebben overgehouden om meer romans te
schrijven.
Humo: Misschien niet
zozeer meer energie, maar vooral meer tijd? Ik heb nooit een gevoel van
tijdnood gehad, nee. Tot voor kort had ik weinig slaap nodig en kon, als het
moest, bijna constant doorwerken. Maar... je moest eens weten wat er allemaal
niet gelasterd en geschreven is over mij. Waar ik allemaal niet op ben ingegaan;
vooral bij het ouder worden. Toen ik dertig was, ging ik nog graag en vol vuur
een polemiek aan met iemand van mijn leeftijd. Maar dat was heel andere koek
dan, nu ik 64 ben, een jongetje van 25 even op zijn nummer te zetten. Dan krijg
je al meteen het beeld van: "Opa is kwaad! Kijk eens hoe hij nog te keer
gaat!" Nee, daar begin ik niet meer aan. Inderdaad: het is eigenlijk
verstandiger om je mond te houden. Maar als je echt iets op je hart hebt, lijkt
het mij psychisch heel ongezond. Polemiek is voor mij dan ook een zaak van
psychische hygiëne. U kijkt me nu aan alsof ik een grap maak, maar ik meen dat
eerlijk.
Humo: Ik had eerlijk
gedacht dat u vooral uit sport polemiseerde en nooit uit psychische noodzaak. Hermans: Nou, kijk, je moet
natuurlijk altijd doén alsof je er
een sport van maakt. Wat bovenaan staat is dat je leuk en goed schrijft. Iemand
die werkelijk héél kwaad is, begint te stotteren, te stamelen, te vloeken.
Da's literair niet interessant. 't Moet altijd ook literair een
kunstwerkje zijn.
Humo: U heeft
indertijd een episch gevecht geleverd met de Nederlandse journalisten Aad Nuis (Haagse Post) en Renate
Rubinstein (Vrij Nederland) omtrent de zaak Weinreb. [Nuis
en Rubinstein vereerden Weinreb als een verzetsheld; Hermans
wees op hun ongelijk. Nuis en Rubinstein kwamen met het verhaal dat de
joodse juffrouw Bep Turksma Weinreb zou hebben 'verraden': Hermans wees op hun ongelijk.] U heeft van dat
gevecht een pijnlijk nauwkeurig logboek gehouden, met een
bijna maniakale accuratesse en in eigen beheer uitgegeven: Mandarijnen op zwavelzuur, supplement.
U méént dat dus allemaal? Hermans: Ja natuurlijk! Maar
kijk, dit is nu één van de weinige gevallen waarin ik gepolemiseerd heb, niet
voor mij zelf maar voor iemand anders, met name juffrouw Turksma. Dit was niet
alleen het grootste maar - al zeg ik het zelf - ook het nobelste gevecht dat ik
heb gevoerd. Nuis en Rubenstein: deze twee deinsden voor geen enkele vorm van
laster terug om gelijk te halen. Ik heb dus steeds weer moeten aantonen dat zij
logen. Ik heb er alles bij elkaar 12 jaar over gedaan. En in dit geval geef ik u
gelijk: de deur is nu wel echt dicht. Dan toch maar liever een mooie roman
schrijven.
Humo: Van de zaak
Weinreb heeft u altijd beweerd dat zij symptomatisch is voor wat er in de Nederlandse opiniebladen
allemaal kan. Ja. Het ging 'm niet zozeer
om de laster van Nuis en Rubinstein, maar om het feit dat anderen van die laster
op de hoogte waren en toch hun mond hielden. Dat vond ik... verwerpelijk.
Ik heb nu weer zo'n zaak, over mijn stuk King Kong: de hele
modderpoel komt weer bovendrijven. Gedeeltelijk een kwestie van kwade trouw,
gedeeltelijk een kwestie van slechte journalistiek. Bange mensen die de waarheid
niet durven te schrijven. Of die, als zij een onwaarheid hebben geschreven, niet
de moed hebben om zich te corrigeren.
Humo: U eist excuses
van uw polemische vijanden? U eist van Harry Mulisch dat hij zich publiekelijk verontschuldigt voor
de onzin die hij over Cuba heeft geschreven? Hermans: Precies. En zolang
zulke mensen die excuses niet maken, kan en mag ik hen niet meer au sérieux
nemen. De meeste romans van Mulisch vind ik slecht, maar één enkele keer heeft
die jongen ook wel een goed verhaal. Nou, ik zou zijn boeken misschien minder
slecht vinden als ik niet steeds in mijn achterhoofd zou hebben van: ja, die man
leest in een krant dat Castro een heilige is en dan hij ook: "Castro is een
heilige!" Paar jaar later blijkt Castro toch niet zo heilig te wezen.
Mulisch houdt zijn mond. Gaat over wat anders praten: "Mao is een
heilige!" Maar wat gebeurt? Mao wordt naar de mesthoop van de geschiedenis
gebracht. Nou, Mulisch denkt dan niet: hoe is het mogelijk dat ik mij vergist
heb! Ik bedoel: zo'n man is toch geen serieus denker! Als hij zich nooit op zijn
vergissingen bezint. Ik denk bijna voortdurend na over mijn vergissingen of over
de mogelijkheid dát ik mij vergis. Daar gaan mijn romans ook over. U heeft mijn
boek Nooit meer slapen gelezen? Nou, kenmerkend voor die jongeman
daarin is, dat hij zijn kompas verkeerd afleest. Hij vergist zich. Door er goed
over na te denken vindt hij, zonder dat kompas, de goede weg. Dat kompas had hij
gekregen van zijn vrome zusje, zie je. Had ie dat kompas blijven volgen, hij was
als skelet teruggevonden (lacht).
Humo: Als u in een
polemiek uw eigen ongelijk inziet, bent u dan bereid dat publiekelijk toe te geven? Hermans: Maar natuurlijk!
Humo: Hébt u dat al
gedaan? Hermans: Nee. Want het is
mij nog nooit overkomen! Misschien wel in kleinigheden. Maar ik weet geen
pregnante voorbeelden.
Humo: "Ik heb
altijd gelijk", dat klopt dus? Hermans: Nou, het is in
Nederland erg makkelijk om altijd gelijk te hebben, omdat het peil van al die journalisten
en schrijvers zo gering is. Makkelijk, maar tegelijk ook wel moeilijk, omdat je
er zo verschrikkelijk veel vijanden door krijgt. Mensen die - na door mij aan de
kaak gesteld te zijn - niet meer onder hun ongelijk uit kunnen en dan tegen mij
gaan intrigeren, kwaad spreken.
Humo: Houdt u er
rekening mee dat "het door W.F. Hermans aangevallen worden" voor sommigen wel eens graag meegenomen
publiciteit zou kunnen zijn? Ik denk aan de debuterende
auteur Sal Santen. Hermans: Die Santen is een
ander geval. Die had een boekje geschreven; zocht publiciteit. Maar hij is van
huis uit geen schurk: een veel fatsoenlijker man dan veel van die andere mensen,
zoals Nuis en Renate Rubinstein. Die Santen heeft, na door mij te zijn
terechtgewezen, ruimte in de krant gekocht en per advertentie zijn ongelijk
toegegeven. Nou, dát is zeldzaam. Dat is het enige geval mij bekend.
Humo: Uw wereldbeeld
is er één van chaos, van de jungle... Hermans: Chaos niet. Wél de
jungle. Ik kan dat écht niet anders zien.
Humo: Nu vraag ik mij
af: hoe kan u in de jungle eerlijkheid verwachten én van uzelf, én van de tegenstander? Hermans: Wél van mezelf.
Niet van de tegenstander.
Humo: dan hoort u zelf
niet thuis in die jungle? Hermans: Natuurlijk niet.
Maar dat zijn er meer geweest die niet thuishoren in de jungle... Je weet niet
wat latere generaties over mijn boeken en mijn twisten zullen denken. Maar ik
vermoed - en dát is nu al zo - dat de verhalen van die mensen die ik in de tijd
heb aangevallen, niet meer zullen worden herdrukt en mijn verhalen net wél.
Dus...
Humo: Nog even de
jungle. Mag ik het zo voor u formuleren: "De
buitenwereld, dat zijn de anderen, dat is de catchring.
En ik ben in alle argeloosheid ter wereld gekomen en voelde
mij daar niet in passen. Daarom heb ik hem steeds bestreden, heb die
wetten nooit willen aanvaarden"? Hermans: Ja. Natuurlijk. Dat
is de kern van alles wat ik schrijf, ook van mijn verhalen. Komt héél
duidelijk naar voren in een sterk autobiografische novelle als bijvoorbeeld De
electriseermachine van Wimshurst. Zo duidelijk! Dat jongetje, die
Richard, heeft gelijk. Terwijl zijn schoolmeester en die hele klas kinderen geen
trek hebben om zich als het ware impliciet belachelijk gemaakt te zien. Wat dat
jongetje doet. Dat weten ze. En daarom nemen ze wraak op hem.
Humo: Dat is nu
eenmaal het lot van de zeer hoog begaafden: zij
verliezen twee keer. Maar eigenlijk zou u net zo goed
mededogen met die domme schoolmeester en die achterlijke
klasgenootjes kunnen hebben? Niemand is verantwoordelijk voor de constructiefouten waarmee hij op de wereld is gezet. Hermans: Precies, ja. Maar
hoe dat mededogen voor die domheid te tonen? Als iemand voelt dat hij met
mededogen wordt bejegend, dan is die vaak nog zwaarder beledigd. Dat is
allemaal... onvermijdelijk. Net zo goed als de grote wereldconflicten
onvermijdelijk zijn. Men rolt nog steeds van de éne oorlog in de andere. En
alleen onder bedreiging van iets dat nog veel verschrikkelijker is, heerst hier
nu in West-Europa en Amerika die lange vrede. Alles alleen uit angst dat áls
het deksel ooit van de pot knalt, er van het Westen geen kruimel meer
overblijft. Dat is de enige oorzaak. Het is dus precies de ontwikkeling van
wetenschap en techniek die ons nog een beetje matigt. Maar je ziet: de mens is
tot alles instaat, tot de grofste schanddaden. Dingen waar twintig jaar geleden
nog niet eens over gedroomd werd. Een
jaar of twintig terug begonnen de Arabieren met vliegtuigen te kapen: passagiers
werden een uurtje gegijzeld; alles gebeurde heel netjes. Dat is nu al weer
voorbij. Nu gaan ze een bom in een vliegtuig plaatsen! Stelt u zich voor:
vader en moeder worden, floep!, de ruimte ingeblazen. Waarvoor, in
godsnaam? Hoe halen ze het in hun hoofd? Veertien dagen geleden hier
in een winkelgalerij op de Champ Elysées: twee Libanezen met een bom. Toevallig
zijn zij zélf het slachtoffer geworden. Maar mét hen werden ook tien-twintig
mensen ernstig gewond: armen en benen kwijt. Nou, 't zal je maar overkomen,
nietwaar: je staat rustig op een middag te kijken voor een winkel en opeens, whang!,
de rest van je leven zit je in een invalidenwagentje. Of je gaat dood en je vrouw
is ongelukkig enzovoort. Die jonge mensen zijn tot álles in staat. Wat moet je
daar nou nog optimistisch over schrijven? Of hoe moet je nou denken dat Fidel
Castro of Mao Tse Toeng of noem maar op een betere wereld zouden
scheppen? Bestaat toch niet! Dus: als er schrijvers zijn die dat beweren, hetzij
impliciet, hetzij expliciet, dan... voel ik het als een opdracht, als een roeping
om hen er op te wijzen dat zij zich vergissen.
Humo: Is het dan
allemaal een kwestie van intelligentie en inzicht versus domheid en arrogantie? En hoe is dat geval te
verklaren dat zeer intelligente mensen toch ontzettend fanatiek kunnen
zijn? Dat is zeer moeilijk uit te
leggen. Dat kán ik ook niet uitleggen. 't Heeft verband met modisch denken. Een
hoop van die mensen ontdekt zo'n
Club van Rome en denkt: "Als ik nou lekker mee praat met die club, en ik
doe dat als eerste, dan kom ik misschien voor de televisie of in de krant".
Een jaar of tien-twaalf geleden, met die Club van Rome, spoelde er een golf van
paniek over het Westen: de petroleum was op, goud en zilver waren op, en over
drie jaar zou je je schoenen niet meer kunnen laten verzolen want de rubber was
op... Allemaal klets. Maarja, Nobelprijswinnaars deden daar aan mee! Speciaal in
Nederland was die Club gewéldig populair. In géén ander land zijn ze zo
driftig op die trein gesprongen. Nederland is zeer vatbaar voor dit soort
waanbeelden. Zoals u weet is Nederland
ontstaan uit een godsdienstoorlog. En dat heeft nog steeds gevolgen.
Ogenschijnlijk tonen de Nederlanders zich geweldig tolerant en inschikkelijk
maar in werkelijkheid zijn zij zeer ontvankelijk voor fanatisme. Of het nu om
politiek of religieus fanatisme gaat: het moet in ieder geval iets te maken
hebben met het verbeteren van de wereld. Dan krijg je meteen twee miljoen
Nederlanders achter je aan.
Humo:
Nederland, Gidsland. Hermans: Nou ja, dat is
natuurlijk alleen maar voor binnenlands gebruik. In het buitenland weten ze wel
beter: die laten de Nederlanders maar schreeuwen. Hier in Parijs hoor ik nooit
zeggen: "Homaar! Even nagaan wat Nederland hier van vindt". Of:
"Wat zullen de Nederlanders wel van ons denken? en oh! Onze Gids zegt zus
en zo". In het Europees parlement laten ze dat soort praat ook graag horen.
Nou, als zo'n Nederlander weer eens op het spreekgestoelte klimt, weten de
buitenlanders dat het eindelijk weer tijd is voor een kopje koffie. Wie dacht je
anders dat daar van wakker lag?
Humo: Is dat de reden
dat u Nederland verlaten hebt? Hermans: Ondermeer.
Humo: U leeft hier
eigenlijk in vrijwillige ballingschap. U heeft geen enkele vriend in schrijversland. U wordt gevreesd
door uw vijanden en zélf veracht u het grootste deel van uw
bewonderaars. Heeft u het isolement waarin u zich bevindt
zélf gezocht, of bent u er door de anderen ingedreven? Hermans: Wat betreft mijn
isolement te midden van andere Nederlandse literatoren: tja..., ik heb het
altijd al erg moeilijk gehad om bijvoorbeeld met die mensen op een avond een
gezellig praatje te voeren. Met de vrouwen erbij, haha. Maar wanneer zij ideeën
verkondigen waar ik het niet mee eens ben, dan kan ik daar mijn mond niet over
houden. Dat is zeer moeilijk. Het loopt ook haast altijd op ruzie uit. Het
gebeurt maar hoogst zelden dat als je met een schrijver een glaasje drinkt of
een hapje gaat eten, en die persoon schrijft dingen die je niet goed of niet
interessant vindt, en je deelt hem dat mee, dat die schrijver dan niet een
geweldige rancune tegen jou gaat ontwikkelen. Veel schrijvers lossen dat op door
- in strijd met de waarheid - bij zo'n tête à tête te zeggen:
"Oh! Maar je bent een gewéldige dichter!" Terwijl zij in hun hart
denken: 't is een prutser. Dat heb ik nooit over mijn hart kunnen krijgen. Ik
heb dus als de misantroop van Molière altijd precies gezegd wat ik over de
dingen dacht, of ik heb in het beste geval zoveel mogelijk mijn mond gehouden.
Maar zeggen: "Adriaan Morriën, wát bent u toch een genie! Wát een
licht!" enzovoort: nooit gekund. Als ik het zou proberen, de mensen zouden
het meteen aan mijn gezicht zien.
Humo: U kunt niet
huichelen? Hermans: Nee. Dat kan ik
zeer, zeer slecht. Zeker toen ik jonger was. Als oude man ben je onderhevig aan
een soort erosie en dan gaat het wel wat makkelijker.
Alfred, uit Nooit
meer slapen,
is ook zo'n man die niet kan huichelen;
verteerd door paranoia, door verlegenheid, door schaamte.
Altijd in verdediging. Het moet wel een hel zijn
om zo geleefd te hebben. Hermans: Natuurlijk niet. Nu
overdrijft u wel een héél klein beetje. Nee. Néé. Het is niet het juiste
woord. 't Zou eerder een hel zijn om als een Russische schrijver te leven die
het niet eens is met het regime. Je boeken worden door de censuur afgekeurd of
je krijgt de raad dát en dát hoofdstuk te veranderen. En dat dóen ze dan,
heel braaf. Dát lijkt mij pas de hel. Dat gaat mijn pet te boven. Maar ja,
honger maakt de mens gedwee, hè.
Humo: Erst dat Fressen
und dan die Moral? Dat zijn... werkelijkheden.
Eén enkele schrijver doet het niet. Nou, die eindigt dan in Siberië of hij
sterft de hongerdood in de gevangenis.
Humo: U had als kleine
jongen al een grote liefde voor mooie machines,
voor geslepen staal en glanzend chroom. U hebt een
verzameling typmachines, een verzameling fototoestellen, u
verzamelt antiek. En ergens schrijft u dat u het jammer
vindt "Niet als apparaat ter wereld te zijn gekomen". Is dat
geen surrogaat voor de liefde tot de medemens die u in uw
isolement zozeer ontbeert? Hermans: Nou, dat geloof ik
niet, hoor. Nee. En ik loop hier ook niet het hele jaar aldoor handenwringend te
roepen: "Och! Och! Was ik maar een machine..." Maar er zit wel wat in
uw opmerking. Het kenmerkende van een machine is dat zij tot op zekere hoogte
altijd betrouwbaar is. Als je op de juiste knoppen van een fototoestel
duwt, dan komt er een plaatje uit. Terwijl: als je maanden aan één stuk hebt
zitten schrijven, en je denkt dat je dat goed hebt gedaan, kan achteraf toch
blijken dat je je zeer hebt vergist.
Humo: De angst om
bedrogen te worden, voelt u niet ten aanzien van de machines? Hermans: U heeft dat
uitstekend geformuleerd.
Humo: Nog zo'n
opmerkelijke fascinatie is die voor exclusieve wagens. In Uit talloos veel miljoenen
rijdt de professorsdochter Parel een donkergroene Porsche 911 Targa. Tante
Sofie toert in Een
wonderkind of een total loss rond in een
schitterende sportwagen. Uit een interview met Joop van Tijn
verneem ik dat u de journalist na het gesprek "in een witte
sportwagen" naar het station hebt gebracht. Hermans: Dat was een Morgan,
ja. Daarvóór heb ik een Austin Healy 3 liter gehad, die maken ze nu niet
meer. Sedert veertien jaar heb ik geen auto meer: ik hoef toch nergens meer naar
toe. Ik kom hier hele dagen de deur niet uit. En als het moet, neem ik een taxi.
Humo: In Homme's
hoest
beschrijft u een reis door Turkije. In
dat verhaal klimt het meisje Helena uit een zilveren
Rolls Royce 'met draaiende koplampwissers' en stapt in een
nieuwe Jaguar E-type. Hermans: Dat klopt, ja.
Humo: Toch is dat niet
correct: in de tijd dat een E-type nog nieuw gekocht kon worden, bestond het systeem van de
koplampwissers op een Rolls nog niet. Zo'n onnauwkeurigheid
had ik niet verwacht van iemand die zich altijd een meester
in het detail heeft getoond. Hermans: Tjàààà... dat
weet ik natuurlijk wel. Maar ach, zo weinig mensen merken dat op. En de functie
van de koplampwissers op die Rolls is dan weer heel essentieel voor het verhaal.
Humo: In dat verhaal
zit nog een tweede onnauwkeurigheid. U schrijft dat een E-type met een sleutel wordt gestart. Dat
klopt niet. Het gebeurt met een aparte startknop. (Ik vermeld dit even en
passant omdat Hermans het zélf niet kon laten de journalist Rem Koolhaas, die
in zijn inleiding tot een interview bij
de schrijver thuis een tikkende pendule op de
schoorsteen had menen te zien, er op attent te maken dat
het om een klok met een torsieslinger ging, die helemaal niét tikte.) Hermans: Ach, als je dat
allemaal nauwkeurig weer wilt geven, gaat je verhaal te lang worden. Ik heb die
reis niet in een E-type, maar in de Morgan gemaakt. Ja, dat soort details... 't
Is wel erg Nederlands om daar op te letten. In Franse of Engelse boeken worden
die dingen helemaal weggelaten. In buitenlandse films nog méér. Dat is precies
de reden waarom Nederlandse of Vlaamse films vaak zo saai zijn: die willen alles
naturalistisch voorstellen, alles beschrijven. U komt hier binnen: 'Dag mijnheer
Hermans! - Dag mijnheer Hendrickx.' Dat wordt in Amerikaanse films allemaal
weggelaten. Want dat wéét iedereen toch al. Nee. Het gaat meteen van:
"Waarom heeft u daar een pistool op tafel liggen?" Niet: "Hoe
maakt u het? Gaat u even zitten. Mooi weertje vandaag, hè." Ik wil maar
zeggen: van die mededeling van u, over het starten van een Jaguar E-type, zal ik
vannacht niet noodzakelijk wakker liggen. Er is verschil tussen in de
werkelijkheid bestaande details, en details waarvan de schrijver wil dat zij een
functie in het verhaal vervullen. Dat Homme in dat verhaal zijn reservewiel
kwijtgeraakt is, is van geweldig veel meer belang dan of hij nu zijn Jaguar met
de sleutel of met een aparte knop start. Ha! Ha! Ha!
Humo: Ander onderwerp. U heeft regelmatig van alle kanten de
scheldwoorden "fascist" en "rechtse rakker"
toegegooid gekregen. Is daar een uitleg
voor? Hermans: Allemaal onzin.
Slechte wil. Het heeft een historische oorsprong: voor de Tweede Wereldoorlog
waren de Nederlandse literaire stromingen gegroepeerd rondom het tijdschrift Forum,
dat gemeenzaam "het tijdschrift van du Perron en Ter Braak" werd
genoemd. Na 1933 kreeg je in België en Nederland te maken met opkomende
fascistische tendensen. En schrijvers die geen fascisten waren, staken de koppen
bij elkaar. Dat deden du Perron en Ter Braak ook. Daardoor kreeg je dat iedereen
die het om andere gronden niet met hen eens was automatisch een fascist
werd genoemd. Nou, toen ik, ná de oorlog, een paar kritische opmerkingen ten
aanzien van du Perron en Ter Braak heb geformuleerd, werd meteen geconcludeerd:
"Hermans = fascist". En door de - nog steeds bestaande - bewonderaars
van Forum werd dat herhaald. Terwijl ik nooit iets heb aangehangen wat de
fascisten dierbaar was: het leidersbeginsel, de irrationaliteit, het
verheerlijken van de macht, het anti-semitisme, het afschaffen van het
parlement, het ijveren voor de corporatieve staat, de gewelddadige hereniging
van Nederland en Vlaanderen (lacht)...; allemaal dingen waar ik nooit één
woord over gesproken heb en waar ik ook absoluut geen voorstander van ben.
Humo: En het
scheldwoord "Hermans = rechts"? Hermans: Waar komt rechts
uit voort? Vooral uit de Kerk, dacht ik. Speciaal in de Latijnse landen: 'Action
Française', het Koningsschap, allemaal dingen waar ik geen enkel contact heb.
Humo: Als je rechts nu
vertaalt als "traditioneel en behoudsgezind"? Hermans: Ik bén niet
behoudsgezind. Maar ik vind wel veel ideeën die door de progressieven worden
geopperd, onhaalbaar of idioot. Om u een voorbeeld te geven: de spelling. Als je
progressief bent, moet je je Nederlands op een belachelijke manier manier gaan
spellen. De letter "x" mag je niet meer gebruiken. Nooit heeft één
van die progressieven mij kunnen uitleggen waarom. Waarom moet een "x"
in godsnaam worden vervangen door een "ks"? Alle "c"'s vóór
een "a", een "o" of een "u" moeten persé door een
"k" worden vervangen. Waarom? Speciaal in Vlaanderen is dat erg sterk,
onder progressieven. Daar zit niets anders achter dan verkapte haat tegen het
Frans. Ik kan begrijpen dat de Vlamingen een hekel aan het Frans hebben, maar
laten ze dan tenminste zuiver Nederlands schrijven. In de plaats van nu allerlei
uitdrukkingen slecht uit het Frans te vertalen die wél te aanvaarden. Ik ben
dan ook van mening dat spelling in Vlaanderen en in Nederland een kwestie van
ideologie is geworden. Eén van die dingen waar de mensen als ware het een
partijspeldje mee op hun jas lopen. U weet dat ik als lector uit
Groningen weggegaan ben na mijn grote conflict aldaar. Toevallig vond ik deze
week in de kast een oude klapper met brieven uit die tijd; brieven van studenten
aan mij. Eén van die brieven was van de hand van een jongen waarvan later
vanzelfsprekend nooit meer iets is geworden. Maar toén was hij een van de
relmakers. Die jongen was klaarblijkelijk voor zijn tentamen bij mij gezakt, op
enorme stommiteiten. Die had dus
een reusachtige haat tegen mij ontwikkeld en ging mij in die brief even op mijn
nummer zetten. Die brief! Geschreven zonder hoofdletters! Overal in de plaats
van een c stond een "k" of een "s". Nou, het hele beeld was
toen al compleet. Brief daterende uit 1969. Geen komma's of punten. Progressief, hé, hé, hé.
Humo: Denkt u niet dat iedere generatie, iedere sociaal-politieke
periode zijn eigen lievelingsschrijver uitkiest?
In de jaren zestig werd het warhoofd Simon Vinkenoog als de messias aanbeden. Die zou vandaag worden uitgelachen. U hebt
nooit zoals Harry Mulisch met lang haar en in jeans, met een
zonnebril op en onder invloed van geestverruimende middelen
heibel lopen schoppen op het Leidse Plein. U was ook in die
tijd al een heer. Heeft uw moeizame start als schrijver met deze onmodische trek te maken gehad? Hermans: U heeft misschien
wel een beetje gelijk. Alhoewel: die moeizame start was te wijten aan obstakels
van zeer verschillende afkomst. Mijn schrijversdebuut greep plaats na het einde
van de Duitse bezetting, toen de pers in Nederland ontwaakte en er opnieuw
tijdschriften verschenen. Nou, kort daarop ontstond de experimentele beweging:
Lucebert, Vinkenoog, Kouwenaar enzovoort. Máár: de eerste mensen die mij
dwarszaten, waren veel ouder dan ik. Toen ik - nog onder Duitse bezetting - mijn
eerste manuscript Conserve naar de uitgeverij Meulenhoff bracht,
werd dat daar door hun adviseur, Binnendijk, gelezen. Dat was voor de oorlog,
nouja, geen gróót dichter maar toch wel een man van aanzien. Hij was leraar
Nederlands aan het gymnasium in Amsterdam enzovoort; hij was ook de leraar
Nederlands van Gerard Reve. Nou, Binnendijk vond dus niets aan mijn werk:
"Mislukt. Op hol geslagen fantasie". Dus: de schrijvers die ouder
waren dan ik, dié waren al tegen mij. Dat heeft mij in zekere zin gered. Want
die jonge experimentelen zoals Vinkenoog waren natuurlijk ook niet op mij
gesteld, want ik schreef toen al een coherent, duidelijk verhaal, in een simpel
Nederlands. En van taalexperimenten à la Schierbeek of zo, daar hield ik mij
ver van. Máár - en dat is weer zo'n mooi voorbeeld van kliekvorming - die
experimentelen dachten: Hermans wordt tegengewerkt door Van Vriesland, door Van
Duinkerken, door Binnendijk, door al die apen die ook tegen ons zijn. Dus: wij
kunnen dan moeilijk óók tegen Hermans zijn. Hè? Op die manier kwam ik dan in Podium
terecht. Maar ik voélde hen denken: "Hij hoort er niet
bij". Bij die experimentelen zaten veel mensen die communistische sympathieën
hadden of zelfs lid van de communistische partij waren. Dat was toen erg in de
mode; dat is er nu weer helemaal uit (lacht). En ik was dus géén communist.
Humo: Maar Gerard
Cornelis van het Reve - toch een rabiaat communistenhater - debuteerde ook in die naoorlogse periode.
Met veel meer succes dan u, toen. Het peil van dat eerste
werk - Werther Nieland en De Avonden - heeft hij nadien overigens nooit meer benaderd. Hermans: Jamaar! Ten eerste
wil ik de literaire kwaliteiten van Reve niet te laag aanslaan. Hij zou een
groot schrijver zijn geworden als hij zich niet tot een schertsfiguur had laten
verlagen door in een behangerspak voor clown te spelen op de televisie. Maar hij
had ook zijn afkomst mee: nú is Reve een communistenhater, maar zoals u weet
kwam hij uit een communistisch nest. En dat betekent in Nederland precies
hetzelfde als dat je uit een goede protestantse of zelfs uit een goede
katholieke familie komt. Vader Reve was een communistische journalist die later
afvallig is geworden en uit de partij geschopt. Die vader had met Jan Romein in De
Tribune gezeten: dat was een communistisch blad. In de jaren 1938-1939, bij
de Russische schijnprocessen, onder Stalin, is de oude Reve het geloof afvallig
geworden. Hij is toen enorm belasterd geweest door de gezagsgetrouwe
communisten. Maar kleine Reve, Gerard, en zijn broer Karel, de latere hoogleraar,
hadden tot kort na de oorlog Marxistische sympathieën. Die schreven in de Vrije
Katheder. Stalin was toen misschien allang niet meer alles, maar het heil
moest wel nog steeds uit Rusland komen.
Humo: Gerard Reve
heeft zich dus niet zeer jong, vanaf pakweg zijn 17, van het communisme
afgekeerd, als in een soort vadermoord? Hermans: Natuurlijk niet.
Hij stelt dat nú graag zo voor maar dat is helemaal niet waar. Ik heb laatst
een opstel van hem gelezen waarin hij schrijft dat hij nooit wat in het
communisme heeft gezien, ook niet als jonge jongen.
Humo: Alles bij
Mulisch, Reve en ook u, draait onverbiddelijk rondom de oorlogsjaren. Als ik De
tranen der acacia's lees,
ruik ik voortdurend het verzet. Hebt u actief in het verzet gestreden? Hermans: Nee. Nauwelijks
niet.
Humo: "Nauwelijks
niet" wil zeggen: een beetje? Hermans: Ja, zeg: dat moest
je iets doen wat niet mócht, hè. Nee, echt in het verzet gezeten, heb ik niet.
Humo: Mag ik het dan
zo stellen dat uw sympathie in ieder geval meer uitging naar het verzet dan naar de andere partij? Hermans: Naar de andere
partij helemáál niet, natuurlijk. Dat waren voor mij volstrekte gekken.
Gevaarlijke gekken.
Humo: Over De
tranen der acacia's
hangt een bijzonder neerslachtige, mysterieuze sfeer. In dat boek loopt de
antiheld Arthur voortdurend door
bemotregende, stille straten, in zijn grijze gabardine, deukhoed op, een zoveelste teleurstelling
tegemoet. Hermans: Ik heb onlangs Acacia's
nog eens herlezen en eigenlijk is dat inderdaad een nog veel mysterieuzer boek
dan De donkere kamer van Damocles, waarvan het de voorloper is
geweest. Vooral de Brusselse gedeelten vind ik geslaagd. Een deel speelt in
Ukkel, een ander in de buurt van het Justitiepaleis. Dat Brussel heeft u met uw
39 jaar natuurlijk nooit zo gekend. Alles daar is nu afgebroken, heeft moeten
wijken voor de Noord-Zuid-tunnel. Ik heb een week of zes in Brussel gelogeerd
bij vrienden van mijn ouders, kort na de bevrijding van Nederland. Daar heb ik
veel van het materiaal voor Acacia's verzameld.
Humo: documenteert u
zich altijd zo zorgvuldig? Hermans: Nee, en dat hoeft
ook niet. De voorbereiding voor mijn romans is doorgaans niet langer dan
anderhalve pagina. Het is natuurlijk wel leuker als je een roman van Balzac of
Flaubert leest en daar de naam van een straat of een huis in tegenkomt dat nu
nog bestaat. Interieurs van huizen veranderen onophoudelijk. Hier op de Place
des Vosges heb je het zogenaamde huis van Victor Hugo. Nou, dat interieur is een
samenraapsel van meubelen die Hugo op alle mogelijke andere plaatsen heeft
gebruikt. Zoals dat huis er nu uitziet, heeft Hugo het natuurlijk nooit van zijn
leven gezien. Hetzelfde met het huis van Balzac, in de rue Rayouard, in het
zestiende arrondissement. Aardig, leuk, maar je weet er niet mee hoe Balzac zijn
huis er werkelijk heeft uitgezien. Mijn benedenbuurman is een aantal maanden
geleden doodgegaan. Hij was een vrij vermaard man, een oude professor, die te
maken heeft gehad met de eerste Franse atoombom. Die flat is gekocht door jonge
mensen die al meteen druk aan het verbouwen zijn: muren neerhalen, van drie
kamers één maken. Dat lijkt al nergens meer op hoe die brave professor heeft
geleefd. Net zoals het huis van Multatuli, in Nieder-Ingelheim: na zijn dood
verkocht, verbouwd tot hotel, serre er tegenaan gebouwd. Ik ben in dat huis
geweest en inderdaad: er zitten aan de deuren nog knoppen die werkelijk uit 1880
dateren en die hoogstwaarschijnlijk door Multatuli zijn beroerd. Maar wat héb
je daaraan?
Humo: Wat zal er later
van huize Hermans geworden? Hermans: Het is heel
duidelijk: hier blijft niets van over. Dit huis is één van de oudste van de
straat. Na mijn dood wordt dit hele blok opgekocht door een makelaar die alles
neergooit. Dan komt hier een toren van tien verdiepingen met een broodjeszaak of
een supermarkt, haha.
Humo: Draait u zich
dan niet om in uw graf? Hermans: Welnee, natuurlijk
niet. Als ze mijn boeken maar blijven lezen. Alhoewel: wat maakt het uit, als ik
in dat graf lig. Daarin merk ik er toch niets meer van.
Humo: Heeft u nooit
het gevoel gehad dat uw romans pas na uw dood echt groot succes zullen hebben? Hermans: Nee,
nee. Het heeft mij wel verbaasd dat het allemaal zoveel moeite heeft gekost.
Humo: De thematiek is
moeilijk. Het kost zeer velen moeite om
uw denkbeelden te aanvaarden. Hermans: Ik kan alleen
zeggen dat ik altijd erg mijn best heb gedaan om het zo eenvoudig mogelijk te
houden, zo duidelijk mogelijk uit te leggen. Ik heb iedere vorm van woordkunst
of onbegrijpelijke taal of experimenteel gedrag altijd ver mij trachten te
houden.
Humo: Ik denk nu aan
de finale van Het grote medelijden:
dat is voor mij een stukje brevier waarin
ik jarenlang kan mediteren. Hermans: Nou, da's toch niet
erg: een jaartje mediteren. Dat is toch een goede tijdsbesteding
Humo: U betreedt
daarin de "spelonken van het menszijn".
Kunt u zich nog herinneren in welke omstandigheden u dat
geschreven heeft? Hermans: Nee. Bovendien...
Ik ben niet zo'n autobiograaf: zou ik het al weten, ik zou het niet vertellen.
Omdat het niet van belang is. Het moet in de tekst zitten, niet om wat je
er omheen vertelt.
Humo: Ik kan mij niet
anders voorstellen dan dat u dat in grote nood hebt neergeschreven. Of licht u ons uiteindelijk
dan toch nog allemaal op? Hermans: Ik licht niemand
op, nooit.
Humo: Dan denk ik aan
een andere van uw uitspraken: "Literatuur is doorgaans voor 90 procent
brutaliteit". Hermans: Ja, maar dat ís
toch zo. Als iemand te schuchter is, komt hij er nooit toe iets neer te
schrijven dat niet iedereen al lang weet. Om dat toch te doen, heb je die
brutaliteit nodig. En bovendien: het is een kwestie van knopen doorhakken. De
soort werkelijkheid waar de literator zich mee bezighoudt, is bijna oneindig
gevarieerd; die is zo verschrikkelijk rijk aan aspecten... Als je daaraan denkt,
dan krijg je geen pen meer op papier. Dus: je moet een keuze maken. En dat is
een handeling van willekeur. Hoe die willekeur gericht zal zijn, dat komt
waarschijnlijk uit je diepste binnenste voort. Maar je moet op een bepaald
moment de moed hebben tot je eigen willekeur. Nou, dat is het dus. Een heleboel
van die mensen die zelf graag schrijver willen worden, zetten zich op een mooie
dag voor hun witte papier. En dan worden zij bang, omdat dan, inderdaad zeer
terecht, de vraag rijst: waarover zal ik het hebben? Ze worden dermate bestormd
door allerlei mogelijkheden dat zij van angst nauwelijks nog kunnen bewegen.
Net als iemand die zonder kompas of kaart aan een parachute uit een vliegtuig
boven een groot oerwoud zou worden uitgeworpen. Een oerwoud waar zelfs de zon
niet doordringt: geen enkele mogelijkheid om te weten waar noord, zuid, oost of
west is. Je kan alle kanten oplopen, weet ik wat. Maar die man zal op een
bepaald ogenblik toch een richting uitmoeten. Nou, dat is schrijven ook. Het
klinkt misschien erg simplistisch, zoals ik het hier zeg, maar ik kan het tot
mijn spijt niet ingewikkelder uitdrukken. Het schrijven is iets dat ontstaat
door het te doen, niet door er over te lullen of door van te voren te gaan
bedenken van dát en dát en dát.
Humo: U vertelde
daarnet dat u vooral 's nachts schrijft. Heeft dat late uur met de schrijfangst te maken? Hermans: Ach... is het wel
interessant om dit allemaal te vertellen? Er schijnen schrijvers te bestaan die
heel makkelijk iets opschrijven, dat verscheuren, opnieuw beginnen, wel tien
keer na elkaar. Dat kan ik niet. Zelfs als ik iets nog maar in het klad heb
geschreven, heb ik toch al het gevoel dat ik mij onherroepelijk heb vastgelegd.
Dus: zolang ik nog niet precies voel wat ik wil of dat ik nog niet voldoende
strijdlust in mezelf heb opgezameld om de knoop door te hakken, begin ik er niet
aan. Uit angst dat ik mij aan iets vastleg dat ik niet goed genoeg zal vinden en
dat ik toch niet weg zal kunnen gooien. Dus: bijna altijd verknoei ik de dag met
besluiteloos heen en weer lopen. En dan, tegen het einde van de dag, denk ik:
"Als dat zo doorgaat... hier komen wij nooit uit". En dan komt de
nacht en spat het er uit. Het is heel moeilijk voor
mij om stukken weg te gooien: enkele tijd geleden heb ik een oud verhaal -
daterende uit 1943 - teruggevonden dat heet: Cascaden en riolen.
Bij het nieuwe jaar is het uitgedeeld door de Bezige Bij, als geschenk voor de
vrienden. Dat verhaal heb ik nooit voltooid, maar ik heb er wel drie keer nogal
sterk in veranderd. En ik kan nu nog zien, in bepaalde versies van het
manuscript, dat ik bepaalde stukken heb geschrapt waarvan ik mij afvraag of ik
die niet beter had laten staan.
Humo: Acacia's
hebt
u geschreven volgens het procédé van de écriture
automatique: je laat het maar vloeien en achteraf corrigeer je alleen de tikfouten en de slordigheidjes weg. Hermans: Ja. Maar toch heb
ik de aanvankelijke versie, zoals die in het tijdschrift Criterium is
verschenen, nadien nog veel gewijzigd.
Humo: Het titelverhaal
uit Een wonderkind of een total loss
is dan weer zeer verzorgd en gestileerd. Hermans: Het doet mij
plezier dat u dat zegt. Want ik heb aan dat verhaal een hele vakantie op
Terschelling opgeofferd.
Humo: Met Het
Evangelie
van O. Dapper Dapper en De God Denkbaar
heb ik het veel moeilijker. U zei dat u zich nooit
hebt ingelaten met taalexperimenten, maar deze twee zijn
toch duidelijk vormexperimenten? Hermans: Enigszins wel. De
vorm is fantastisch, heeft niets meer met realisme te maken. En dan heb je de
toon van die boeken: een soort preektoon, een retorische adem waarop alles
drijft. Terwijl ik mij in mijn andere werk doorgaans beperk tot het doen van
gortdroge mededelingen. Denkbaar moet je je voorstellen als een overmoedig boek dat
als het ware door een dolle profeet orakelend wordt voorgelezen. Toen het boek
net uit was, heb ik het wel eens voor gezelschappen hardop voorgelezen. Eén
keer in Amsterdam, in het Kriteriontheater, in de tijd dat nog niemand begreep
waarover het ging, omdat ik toen nog niets over Wittgenstein geschreven had.
Want u moet weten: voor mij heeft niemand in Nederland ooit over Wittgenstein
geschreven. Pas daarna zijn enkele mensen gaan begrijpen uit welke hoek De
God Denkbaar kwam. In de jaren 1958 had ik wat wetenschappelijks in
Parijs te doen en toen heb ik hier drie maanden gewoond - ik had een kamer in
het Institut Néerlandais - en toen heb ik daar op een avond dat boek ook eens
voorgedragen. Heel mooi: de directeur schonk champagne en tijdens de pauzes werd
piano gespeeld en er was een heel beroemde violist; heel leuke avond. Nou, ik
begon voor te lezen en na één kwartier zijn zo'n drie of vier mensen zeer
geschokt opgestaan en weggelopen als was ik de pest (lacht).
Humo: Gebeurt het vaak
dat u eigen werk herleest? Hermans: Jazeker. De oudere
dingen minder. Acacia's heb ik noodgedwongen herlezen. Maar als
het niet gemoeten had, zou ik het niet hebben gedaan.
Humo: Uit
talloos veel miljoenen heb ik op de grond liggend van
het lachen en in één ruk uitgelezen. Maar het is wel
duidelijk dat de schrijver die daar aan het woord komt een
totaal andere afsplitsing is dan die van bijvoorbeeld Nooit
meer slapen.
Nu vraag ik mij af of u voor twee zo uiteenlopende themata ook twee
verschillende gemoedsstemmingen nodig hebt.
Zit u soms schaterlachend achter de machine? En een
andere keer kwaadaardig boze scheldwoorden roepend? Hermans: Geen sprake van.
Natuurlijk niet. Je hebt zo verschrikkelijk veel zorgen aan je hoofd als je een
boek schrijft. Er valt helemaal niks te lachen of wat ook. Het is alsof je een
kapitein bent op een oud zeilschip en van de ene storm in de andere geblazen
wordt. Je hebt dan ook wel wat anders aan je kop. Misschien neem je in de
tussentijd een borrel om de boel niet helemaal te verliezen (lacht proestend).
Nee, 't is allemaal hetzelfde met het schrijven: een zeer nerveus-makende
bezigheid. Alhoewel: als je 't niet doet, is 't nog erger. Niet opschieten met
een boek is het ergste wat je kan overkomen. Dan is het: "In godsnaam dan
maar!" Dan ben je kapitein met al je zeilen eraf geblazen, met al je masten
geknapt, steeds dieper in de greep van de draaikolk. Misschien kan je dan nog
eens sarcastisch lachen, maar verder valt er niks meer te koekeloeren, hoor. Ik
zit mij dus niet handenwrijvend te verkneukelen als ik schrijf: ik heb het te
druk met op de rode en groene lichtjes van mijn computertje te letten.
Humo: U heeft een
flinke verzameling schrijfmachines. Kiest u wel eens een machine in functie van de stijl waarin u wil
schrijven? Hermans: Neehee. Uit alle
machines komen dezelfde lettertjes en dáár gaat het om. Ik schrijf het vaakst
op deze vrij oude elektrische IBM-machine die een lekker toetsenbord heeft. En
zo nu en dan, uit kwaadaardigheid, probeer ik het wel eens op een andere. Maar
dat houd ik nooit erg lang vol.
Humo: Boze Bijkaart op
een oude Remmington? Met twee kwade vingers? Hermans: Nee. Nee.
Humo: En het papier.
Al uw brieven betreffende dit interview waren telkens op verschillend papier. Ik zie ook vele verschillende
inkten. Ik zie mooie stempels en stempelkussens in
meerdere kleuren. Weer eens die liefde voor het mooie materiaal? Hermans: Ja. Maar mijn
kladden schrijf ik allemaal op deze rol. (Hermans
toont mij een houten geraamte waarin een rol papier gevat zit). Dit is
telexpapier. En ik ram er in één stuk op door. Heeft het voordeel dat ik niet
iedere keer een nieuw vel in de machine moet stoppen. Heb ik meteen zo'n lap.
Humo: Ik heb u zo'n
lap zien voorlezen op de voorstelling van de nieuwe Encyclopedie van de Nederlandse Literatuur.
Hoe lang doet u over zo'n verhaal? Hermans: Twee avonden. Dat
komt: ik ben nogal bevriend met Freddy de Vree, zoals u weet, en ik drink samen
met hem een glaasje, hier in Parijs, en hij vertelt mij van dat boek en hij
zegt: "Veerle Weverbergh, de dochter van jouw vijand Julien Weverbergh, zou
je graag dat boek horen inleiden. En Veerle, da's zo'n leuk meisje." Nou
goed: ik vond zo'n encyclopedie een aantrekkelijk onderwerp: ik ben nou eenmaal
gefascineerd door alle soorten naslagwerken. De grap was: die professor Paul de
Wispelaere kwam daar trots vertellen dat het ging om het allergrootste
woordenboek van Noord- en Zuid-Nederlandse letterkunde ooit. Nou, er stonden 2000
namen in. Maar ik heb hier een woordenboek liggen dat uit 4.510 namen bestaat.
En het loopt maar tot 1878! Dat wist ie niet! (Hermans staat op en toont mij het
zware, van een zwart omslag voorziene boek). Je kunt geen Nederlandse naam
noemen, of hij staat in mijn boek. Allen hebben zij geschreven... en bijna allen
zijn zij vergeten. Het is om er in tranen bij uit te barsten. Zo'n boek kan niet
volledig genoeg zijn, je kunt nooit weten waar dat goed voor is.
Humo: Een voorbeeld? Hermans: Nou, Multatuli
heeft eens een boek geschreven: Minnebrieven. Dat heeft hij gedaan om een
schuld te betalen van een zekere doctor Stamkart. Een volstrekt onbetekenende
literator. Vind je nergerns. Behalve in m'n boek.
Humo: Leest u nog
regelmatig nieuwe romans? Milan Kundera, bijvoorbeeld? Hermans: Nou moet u eens
horen: Ik heb het zó druk, ik ben zó gepreoccupeerd door dingen die ik schrijf
of hoop te schrijven: ik lees die dingen niet. Kundera... ik ken natuurlijk wel
die naam, maar ik kan daar niets over zeggen. Ik heb wel vaak de pest in dat
mensen nu voor de dag komen met ideeën die ik al twintig jaar eerder heb
geformuleerd. Iemand citeerde mij uit Kundera iets dat sprekend leek op wat ik
veertig jaar geleden al had gezegd. Maar omdat ik het in het Nederlands heb
geschreven, zal niemand later ooit zeggen: "Dat komt van Hermans!" Nee,
't zal zijn: "Dat hebben wij allang van Kundera." Dat... wurgt mij.
Hij kijkt mij lange
tijd doordringend aan.
Dan plotseling: Zullen wij het hierbij maar
laten?
Wij stamelen bij wijze
van afscheid enkele gemeenplaatsen en dan wankel ik de trap af.
Terug de jungle
in. Wilfried
Hendrickx.
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
|
|
Bezoek deze pagina's in uw eigen volgorde Plaats "WILLEM FREDERIK HERMANS" bij uw favorieten Ach, waar bemoei ik mij eigenlijk mee?
KENNISMAKEN MET WFH --- SPELLETJES MET WFH LUISTEREN NAAR WFH --- BIJSCHRIJVEN OVER WFH --- ADVERTEREN MET WFH NAAR DE FILM MET WFH --- AUTOBIOGRAFIE VAN WFH MULTATULI EN WFH --- SCHRIJFMACHINES VAN WFH TIJDSCHRIFTEN OVER WFH --- PLAATJES KIJKEN MET WFH WEINREB, EEN KWESTIE VAN WFH --- BOEKJES LEZEN MET WFH RIJMEN MET WFH --- WITTGENSTEIN EN WFH --- NAAR ZWEDEN MET WFH? AANDENKEN AAN WFH --- OP TONEEL MET WFH --- INTERVIEWS MET WFH POST VOOR WFH --- TE GAST BIJ WFH
Bij het samenstellen van deze site heb ik gepoogd bestaande rechten op tekst en afbeelding te eerbiedigen. Mocht er toch nog bezwaar zijn tegen het gebruik van materiaal, laat u dat dan onverwijld weten?
De links naar de verschillende pagina's werden voor het laatst bijgewerkt op: zaterdag 23 december 2006 |