|
INTERVIEW MET WFH OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
De Groene Amsterdammer 3/3/93 NIETS
SLIJT! De
witte en rode zuurstangen van het verbodene. Rein
Bloem
Zo'n tien jaar, vanaf 1944, publiceerde W.F. Hermans
gedichten. Een
vraaggesprek over T., Madelon,
Milosz, Hölderin - kortom, poëzie.
'Eenzaamheid, moeder van mij, vertel me nogmaals wat mijn leven is.'
De laatste foto in
Fotobiografie heeft als bijschrift: 'Ik werd verliefd, wat niet goed afliep.
Enfin, later werd ik opnieuw verliefd.' Op de foto zit een lang, mager,
donkerharig meisje met opvallend lange wimpers. In haar linkerhand heeft zij een
dik, opengeslagen boek waarin misschien een partituur staat afgedrukt. Het is
geen poëzie ondanks het vele wit, want de regels zijn te lang, het zou ook een
codeboek kunnen zijn. Ze leest niet, ze kijkt naar haar rechterhand die een
sigaret aftikt in een ouderwetse asbak op tafel. Ik verbeeld me zelfs dat het
geen sigaret is, maar een seinsleutel waarop zij oefent. Een loep leert echter
anders: het is en blijft een sigaret. Maar kijk: Madelon duikt op uit de mist
van het schimmenrijk, we lezen in het oorlogsdagboek
van de student Karel R., zij is het morse, kettingrokende meisje, de
raadselachtige go-between tussen haar rijke verloofde en de student.
Ook Karel is geen
onbekende, want in Horror coeli (Hermans' tweede, inmiddels zeer zeldzame
dichtbundel, 1946) staat een Dood der ouders van Karel R., waarin hetzelfde
gewelddadige einde wordt beschreven als nu in het boekenweekgeschenk (overigens niet autobiografisch op dat punt want
Hermans' ouders hebben de oorlog lang overleefd):
Naar mij op reis, stierven zij ver van huis.
Beiden tegelijk bijna
en zoo afgrijselijk.
Het is gebeurd in een trein die door Engelse
vliegtuigen beschoten
werd.
Het gedicht is niet in Hermans' bundeling
Overgebleven gedichten (1968; 1983 vijfde druk) opgenomen, evenmin als in de
allereerste bundel:
Kussen door een rag van woorden (1945) waar in vierentwintig
(later uitgebreid tot eenendertig) samenhangende gedichten het verhaal wordt
verteld van een slecht aflopende driehoeksverhouding, opgedragen aan T.
In een vraaggesprek dat
Freddy de Vree en ik in september voor de BRT
voeren, zegt Hermans daarover: 'Er
zit natuurlijk een niet geringe
autobiografische basis in. Het gebeurt vaak dat
een verhouding begint in blijheid of speelsheid en dat het na verloop van tijd
ernstig wordt en zeer droevig. Mijn nieuwe boek dat uitkomt in de Boekenweek, is
geïnspireerd op dezelfde gebeurtenissen. Ze heet daar niet T. maar Madelon, dat
vind ik een veel mooiere naam. Ik heb geaarzeld of ik haar Madelon of Manon zou
noemen, naar Manon Lescaut. Het was een dergelijk type, dat meisje, net als
Manon Lescaut, wel een beetje minder erg, een beetje braver.'
Van Kussen door een rag van woorden en
Horror Coeli zijn niet veel
gedichten overgebleven. Toch zijn er strofen in te vinden die het overschrijven
waard zijn:
Maar daar mijn eenzaamheid geen spel kon velen
ging aan liefde onze
blijheid dood.
De Slauerhoff-toon is in de bloemlezing bijna geheel verdwenen. Hermans: 'Een
gevoelig punt, dat zwaar heeft meegeteld bij de overgebleven gedichten, om een
heleboel eruit te gooien. Van Slauerhoff hield ik erg veel toen ik een jaar of
zestien was, maar later vond ik dat hij niets ernstig nam, hij zat maar te
brommen in zijn doktersspreekkamertje aan boord van miserabele schepen. En dan
was er Du Perron. Du Perron was een heel goede vriend van hem en dat was ook
iemand die vond dat de literatuur niet serieus genomen moest worden, dat is
funest geweest. Slauerhoff had in die tijd een geweldige invloed. Heel veel
mensen van mijn leeftijd dachten: een dichter is geïnspireerd, hij schrijft wat
op en hij herleest het nauwelijks meer. Of hij vindt alles even prachtig wat hij
opschrijft. Zo ben ik dus ook begonnen, maar al heel gauw ben ik tot de
ontdekking gekomen dat dat mijn toekomst niet was. De
grote dichters uit die jaren waren Nijhoff en Hendrik de Vries, een zwaar
miskend dichter. Er wordt veel gezegd: Hendrik de Vries is eigenlijk een tweede
Bilderdijk. Maar dat heeft hij ook zelf in de hand gewerkt door altijd te
zeggen: er is maar één groot dichter en dat is Bilderdijk. Maar als je de
gedichten van Bilderdijk vergelijkt met Hendrik de Vries, nou ja dan is
Bilderdijk nergens meer. Wat Hendrik de Vries daarin zag, weet ik niet, ik denk
de soort retorische opwinding die Bilderdijk vertoont en ook ik. Het taalgebruik
van Hendrik de Vries is vrijwel altijd heel helder, heel normaal, heel normaal
grammaticaal, heel normaal syntactisch. Het is ook geen man die woorden gaat
gebruiken die niet bestaan, wat alle dichters toen deden. Zelfs J.C. Bloem, die
als een heel simpele dichter bekend staat. In de oudere gedichten van J.C. Bloem
komen woorden voor waarvan je denkt: hè bah, die ben ik nog nooit in een
Nederlands woordenboek tegengekomen. Ik imiteerde Hendrik de Vries toe ik
Hendrik de Vries nog helemaal niet kende en daarom heb ik die gedichten
gehandhaafd.' De
Overgebleven gedichten zijn vrijwel allemaal gestolde verhaaltjes, die sterk aan
hun geïsoleerde locatie gebonden zijn en hoe reëel ook, daar een sterke
metaforische werking door krijgen:
Bewaakte overweg
De wit en rode zuurstangen van het verbodene
Kantelen, terwijl ze
breder worden.
- Aldoor bellen die
waanzinnig worden
Aangehitst door
omgekochte seinen
Tot eerbetoon aan
dolgeworden treinen.
Als ik op 't hek leun: plotseling bedaren.
Een overrompeld, in
ontzetting, staren.
Palen houden eindeloze
snaren
Omhoog in bundels die
er tussen dalen.
Hun kandelabers kammen het geruis
Van hese en veeltonige
elektronen.
Nergens een huis.
Alleen de weg. Geen bomen.
Ik haat die snelheid die de mijne kruist
Tomeloos, als slaap de
vaart der dromen.
De trein ijlt in een mantel van gefluit.
Zijn haar een witte,
overzware stroom.
Zijn hart tikt
haperend op de stalen sporen.
- Moeder! - Mijn
woorden smoren in geluid.
Haar wuiven gaat
verloren onder stroom Hermans:
'Ik ben bang dat het verouderd is. Het gaat ten eerste over een stoomtrein. En
dan een bewaakte overweg zoals je ze vroeger had, met een paal, rechtop, rood en
wit beschilderd, met daaraan een soort opvouwbaar ijzeren hek. Dat bestaat nu
geloof ik helemaal niet meer. Het gaat ook over de telegraafdraden die vroeger
langs de spoorbaan hingen. Heel mooi, die waren gespannen over een soort
kandelabers met allerlei witte porseleinen doppen. Als je bij een overweg stond,
kon je het horen: de muziek der sferen van de telegraafdraden. Ik weet niet in
hoeverre moderne kleine kindertjes dat nu nog zouden kunnen begrijpen. Een
gedicht wordt niet mooier - ja, wel een beetje beter - als er iemand uitlegt
waar het allemaal op slaat, maar het mooiste is natuurlijk om een gedicht te
lezen, waarin gevoelens of sensaties zijn verwoord, die je zonder tussenkomst
van een vertaler direct herkent. Dat is de bedoeling van de dichter.'
In een clandestien tijdschrift, Parade der Profeten, wordt debutant
Hermans vergeleken met H.G.P. de Wringer, dichter van Bal masqué: 'strakke,
koele nuchterheid, luchtig laat hij zijn fantasie dartelen en de meest
verbluffende resultaten spreidt hij ons koelbloedig voor ogen'.
W.F. Hermans weet zijn verzen 'te bezielen door een directe aanzetting
van het verstand, die uitloopt in een apocalyptische probleemstelling.' Hermans:
'Ik heb geen voorstelling meer van de poëzie van De Wringer, maar Parade der
Profeten was voor mij in twee opzichten belangrijk. Ten eerste heeft daar als ik
mij goed herinner mijn eigenlijke poëziedebuut plaatsgevonden. En ten tweede
heb ik daar Paul Rodenko ontmoet. Dat was eigenlijk de ster van Parade der
Profeten. Maar de jongens van Parade der Profeten stonden daar een beetje
aarzelend tegenover, jammer genoeg vonden ze Guillaume van der Graft de ster.
Nee, Paul Rodenko, dat was voor mij echt een schok.'
Rodenko leek ook te zoeken naar de ontwikkeling van een metafoor die aan
de hand van één beeld wordt opgelicht en dan uitgewerkt. Hermans:
'Dat is wel zo, maar ik denk dat zowel Paul Rodenko als ik toen al - wat al die
andere dichters niet hadden - vrij veel Franse poëzie hadden gelezen:
surrealisten, Eluard, Jean Cocteau.'
Ontstaan de autonome beelden in uw gedichten uit de taal of zijn het
visuele beelden die dan vertolkt worden naar de taal? 'Ik
denk het laatste. Die "rode zuurstangen van het verbodene", dat is
iets wat ik heb gezien: zo'n spoorboom, dat is net zo'n zuurstang, die valt om
en wordt breed. Ik geloof dat ook Eluard een heleboel dingen had gezien.
En wat natuurlijk ook een grote invloed heeft gehad op zowel Paul Rodenko als op
mij is Bretons Nadja. Maar de meesterdichters van Parade der profeten zaten nog
een beetje vastgebakken aan het vooroorlogse Criterium en gedeeltelijk ook nog
aan Forum, wat hun ideeën betrof. Hoewel
ze toch ook gevoel bleken te hebben voor een dichter die ik toen helemaal niet
kende: Maurice Gilliams. Van sommige van zijn gedichten houd ik nog steeds heel
veel. Ik wandelde een keer met een vermaard Vlaams dichter, Gust Gils, in het
noorden van Groningen en daar bezochten we een kasteel. Ik zei toen: "Kijk,
daar heb je Maurice Gilliams. Hij schreef de schitterende regel: 't kasteel
staat in zijn grachten te verrotten.' Nou, Gust Gils vond er niks aan. Het was
hem niet experimenteel genoeg misschien. Maar je ziet er iets bij! Ik moet vaak
aan die regel denken, bijvoorbeeld in Venetië: die stad staat in zijn grachten
te verrotten.'
Rond 1953 haakte Hermans af als dichter, niet als vertaler van poëzie.
Wel schreef hij in de jaren vijftig de meest poëtische roman ooit in Nederland
verschenen: De God denkbaar, denkbaar de God (1956). Met de Vijftigers leek hij
niet veel op te hebben. Hermans:
'Ik heb toch een heel grote waardering voor Lucebert. Ik ken zijn werk
onvoldoende, maar ik vond het heel bijzonder in die tijd. Een heel groot
dichter, daar hoeft niet aan getwijfeld te worden. En sommige gedichten van
Remco Campert uit die tijd, die vond ik ook erg aardig. Hoe verzint hij zo'n
zin: "de sleepteen van de tijd" - ik weet niet wat dat is, maar ik
vind het heel mooi. Het komt uit een gedicht dat gaat over hoe hij als kind
speelt op een plek waar een vliegtuig is neergehaald. Ik
was niet zo voor Forum, maar ik waardeer wel dat ze er daar steeds op uit waren
om onbekende dichters te ontdekken. Ik dacht toen: dat wilde ik ook, een
onbekende dichter ontdekken.'
Dat werd Oscar Vladislav de Lubics Milosz, in 1877 geboren in Litouwen,
met zijn rijke familie gevlucht in 1917, in de diplomatieke dienst
terechtgekomen in Parijs, polyglot, dichter in het Frans, beschouwd als een
epigoon van Baudelaire, maar door Hermans in een prachtig opstel: De tastbare
metaforen van
O.V. de Milosz (in: Ik draag geen helm met
vederbos, 1979) in ere hersteld. Zijn lievelingsgedicht is
Septembersymfonie II, dat eindigt als volgt:
Zó rust, in de diepste treurigheid van 't hart,
in de slapende modder
van de
herinneringen, de
zware liefde. Hermans:
'Men haalde zijn schouders over Milosz op. Wie hem wel waardeerde was een Waalse
dichter, Jean de Bosschère, dat was ook een goede vriend van hem. Milosz'
gedichten - of prozagedichten, dat kun je je wel afvragen - zijn maar heel
zelden strak berijmde, strak geformuleerde gedichten en daarom kon ik het ook
vertalen. Dat heeft Hölderin ook, lange gedichten die voortkabbelen, zonder
rijm. Soms is het ritme ook heel brokkelig, maar dat vind ik juist schitterend.'
Was Hölderin iemand die z'n helderheid had behouden en de komedie van de
waanzin speelde? 'De
medische wetenschap in die tijd, wat stelde dat nu eigenlijk voor. Als je het
mij vraagt was Hölderin helemaal niet gek, hij had gewoon geen zin om de deur
uit te komen, hij zat liever op zijn kamer, mediteerde daar en schreef zo nu en
dan een gedicht. "Ich lebe nicht mehr gerne" heette een van zijn
laatste gedichten, maar daarom is iemand nog niet gek.'
De laatste poëtische ontdekking van W.F. Hermans is de Mexicaanse
dichter Luis Cimatarra, van wie hij een lang erotisch gedicht vertaalde: De
heilige Maria Juana (de fatale vrouw die sinds de 'brave' T. in het werk van
Hermans de kus onveilig maakt):
Nitroglycerinegele Singhalese,
mijn scheermessen van
edelstaal
worden door negerinnen
geslepen.
En onder hun scherpte
bezwijkt je schaamhaar
elke ochtend. Hermans:
'Ik was nog nooit in Mexico geweest. De enige die er het fijne van weet is
Andreas Burnier. Zij vond dit gedicht zo mooi en zei dat ze de hele Spaanse
literatuur had doorgezocht naar de dichter, maar die kon ze niet vinden.
Nitroglycerine wordt veel in de chemie gebruikt, het is een stikstofverbinding,
een nitraatverbinding, en je krijgt er ontzettend gele vingers van. Bovendien is
het een springstof, zeer ontplofbaar. Dus die Singhalese was een opwindend
meisje. Andreas Burnier heeft mij, in geloof in 1970, een keer geïnterviewd
voor de televisie en toen durfde ze er niet over te praten. Later zei ze:
"Ik denk dat je het zelf hebt geschreven." Maar zij was de enige die
ooit met me over dat gedicht heeft gepraat. Vreemd, terwijl toch alles mag in
Nederland, nietwaar, de smeerlapperij ligt bij de sigarenwinkel in stapels naast
de kauwgum.' Met
dank aan Freddy de Vree, BRT, Max en Wilma Schuhmacher.
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
|
|
Bezoek deze pagina's in uw eigen volgorde Plaats "WILLEM FREDERIK HERMANS" bij uw favorieten Ach, waar bemoei ik mij eigenlijk mee?
KENNISMAKEN MET WFH --- SPELLETJES MET WFH LUISTEREN NAAR WFH --- BIJSCHRIJVEN OVER WFH --- ADVERTEREN MET WFH NAAR DE FILM MET WFH --- AUTOBIOGRAFIE VAN WFH MULTATULI EN WFH --- SCHRIJFMACHINES VAN WFH TIJDSCHRIFTEN OVER WFH --- PLAATJES KIJKEN MET WFH WEINREB, EEN KWESTIE VAN WFH --- BOEKJES LEZEN MET WFH RIJMEN MET WFH --- WITTGENSTEIN EN WFH --- NAAR ZWEDEN MET WFH? AANDENKEN AAN WFH --- OP TONEEL MET WFH --- INTERVIEWS MET WFH POST VOOR WFH --- TE GAST BIJ WFH
Bij het samenstellen van deze site heb ik gepoogd bestaande rechten op tekst en afbeelding te eerbiedigen. Mocht er toch nog bezwaar zijn tegen het gebruik van materiaal, laat u dat dan onverwijld weten?
De links naar de verschillende pagina's werden voor het laatst bijgewerkt op: zaterdag 23 december 2006 |