|
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
INTERVIEW MET WFH
Uitgezonden op maandag 2 januari 1995 in het programma 'De Avonden' van de VPRO.
Hermans
over Denkbaar (in
cassette met 4 cd's)
Wim
Noordhoek
Mijnheer Hermans, de luisteraars gaan dadelijk de eerste episode horen van
De god Denkbaar Denkbaar de
God door u voorgelezen, en misschien moeten we ze een heel klein beetje voorbereiden daarop. U heeft de schrijver Mauriac aangehaald, die had een
uitspraak die erop betrekking had. Welke was dat?
Het
is geen uitspraak die betrekking had op De God Denkbaar Denkbaar de God, maar op
de romanschrijver in het algemeen. De romanschrijver schept een wereld, net als
God, maar hij is natuurlijk niet zo goed als God zelf, dus hij is de aap van
God*. Mauriac, let wel op, die heeft alleen gezegd: De romanschrijver is de
aap van god, en dat vind ik een heel mooie uitspraak. Maar kijk eens, als iemand
voor de dag komt met een boek als De God Denkbaar Denkbaar de God, dat heb ik
dus toevallig geschreven, dan ben ik eigenlijk de aap van mijzelf geweest. Het
is ook geschreven in een soort apentaal. Apentaal
Toen u het schreef, had u toen ook al schrijvende dat u het in het hoofd hoorde?
Ja,
zeker. Bij alle goden hoort een bepaalde toon. De meer courante God, die wordt
toch ook gediend door dominees op de domineestoon? Dat is geloof ik zelfs nu nog
het geval, maar de domineestoon is natuurlijk niet meer precies wat-ie in de
negentiende eeuw was. Ik heb dit boek dus voorgedragen op de Denkbaartoon.
*In
zijn interview met Hermans, 'De aap van God; W.F. Hermans en de materiële
identiteit' (De Volkskrant, 5 maart 1993) schreef Michel Maas: 'Op de bank (...)
de aap van God, om François
Mauriac aan te halen, zoals men weet een zeer katholiek
schrijver, die zei: "Van alle mensen staat de schrijver het dichtst bij
God. De schrijver is de aap van God."
Weet u nog onder welke omstandigheden u dat geschreven heeft? Het was 1956, begin van het jaar. Binnen drie maanden heeft u dat gedaan. Wat waren de omstandigheden; waar woonde u, bijvoorbeeld?
Ik
woonde aan de
Spilsluizen in Groningen, op de hoek van de Ossemarkt, in het
centrum van Groningen. Wel een mooi plein hoor, en een mooi huis, maar het was
zeer verwaarloosd, de winden woeien niet om de rotsen, maar wel om mijn oren.
Een mooie grote kamer had ik daar, en daar schreef ik dat dan, meestal 's
nachts, want ik werkte heel hard in Groningen. Daar is veel roddelpraat over
verspreid, maar al dat soort dingen kostten mij mijn nachtrust, want overdag was
ik bezig de studenten in te leiden in de fysische geografie, begrijpt u wel?
Spilsluizen hoek Ossemarkt (foto: F. Lamboo)
Is dat nou ook in het boek terug te vinden, die strijd tussen schrijven en wetenschap?
Nou,
nee, niet bepaald. Kijk, dit boek is een gelovig boek. Waarin wordt geloofd,
weet ik niet. Het is niet bepaald een boek van een denker of van een dichter.
Er is wel iets waar tegen gestreden wordt, althans door Denkbaar, dat is Afschuwelijke Baby.
Een
concurrerende god. Maar ja, dat heb je in het banale dagelijkse leven ook. Je
zou denken dat sinds het einde van de achttiende eeuw die godsdienstige
vooroordelen aan het uitsterven waren. Is tot op zekere hoogte ook wel zo, de
protestanten zetten de katholieken niet meer op de brandstapel en omgekeerd.
Maar in Nederland, toen ik pas begon te schrijven, waren de katholieken nog heel
machtig, en als je ze zogenaamd beledigde, werd je voor de rechter gesleept.
Ineens was dat toen afgelopen, weg!, het bestaat helemaal niet meer. Je wordt
zelfs bang dat er helemaal niets meer van overblijft. Want de kerken moeten toch
overblijven, er zijn mooie kunstwerken bij. En een kerk waar helemaal niemand
meer komt, dat is ook iets erg zieligs, dat zou ik niet willen. Zo'n mooie
katholieke kerk mag ik graag zien en dan mag ik daar graag een paar oude
vrouwtjes zien, die dat allemaal nog echt geloven, dat is allemaal onschadelijk,
en poëtisch. Je zou denken: eindelijk wordt de mensheid verstandig, maar nee
hoor, nu steekt nota bene de Islam de kop op, de fundamentalisten. Wilden een
heel groot vliegtuig boven Parijs uit elkaar laten ploffen. Stel je voor dat dat
gelukt was: heel Parijs weg! Voor die stomme ideeën van die mensen!
Het lijkt wel op een scène uit De God Denkbaar.
Voilá.
Ja. Misschien maak ik nog eens een derde vervolg. Hoe de aanhangers van Denkbaar
boven Parijs met een groot vliegtuig -BAM! Alles weg! Maar dat doe ik niet
boven Parijs, want ik houd te veel van Parijs. Maar laten we zeggen boven New
York of zo, dat zou best kunnen.
Die titanenstrijd, want zo mag je het toch wel omschrijven wat er in het boek gebeurt...
Ja,
die ballon, gemaakt van een opgeblazen politievrouw. Schitterend toch?
... die strijd, die duurt tot op de huidige dag voort, denk ik.
Natuurlijk
is dat zo. In een andere vorm komt dat voor in de Upanischads - ik ben slecht in
mythische lectuur, maar een beetje heb ik er wel over gehoord - de Kalevala en
de Edda, weet ik veel; daar heb je dat allemaal.
Een woord waar menigeen vergeefs naar zal zoeken in de grote Van Dale is het woord 'pecten'. Dat komt herhaaldelijk voor, maar wat betekent het?
Nou,
dat zal ik u vertellen. Van Dale, die noemt u wel groot, maar die is dus heel
klein. Er staan een heleboel domme dingen in, en andere belangrijke dingen niet.
Het woord pecten had er al lang zelfstandig in moeten staan. Het is gewoon de
latijnse term voor een bepaald soort schelp. Pecten betekent kam, en betekent
dus kamschelp, ook wel mantelschelp. Die twee namen staan wèl in Van Dale.
Daarbij vermeldt hij de Latijnse geslachtsnaam Pecten. Het is een schelp met
aan het slot twee kleine vleugeltjes. Want u kent wel de Coquille Saint Jacques,
dat is een grotere pecten, die heeft grote vleugeltjes, maar je hebt ook
kleinere. 't Is een schelp die nog altijd bestaat, maar vooral in bepaalde
geologische lagen belangrijk is als gidsfossiel. Gietijzeren pecten bestaan ook.
Ze zijn ongeveer zo groot als een ouderwets vestzakhorloge. Je vindt ze in de
negentiende-eeuwse Franse woonhuizen als handvatsels aan de ijzeren schuifluiken
van open haarden, om ze mee op en neer te schuiven.
Ik wilde iets vragen over de vorm van het boek. Er gebeuren allemaal dingen in die helemaal niet kunnen, zowel in de voorstelling als in de taal. U heeft al eerder wel eens
gezegd: je kunt het zien als een tekenfilm. Nu heb je tegenwoordig films waarin alles kan, bijvoorbeeld een man van kwik, die doorboord wordt
door een zwaar voorwerp en zich weer herstelt. En dat soort gedachten krijg je erbij, hè? Had u die toen ook? Had u er ook beelden bij?
Ja,
maar waar u nu over praat, dat bestond toen nog niet... je zou ook kunnen zeggen
... hoe heten die dingen, die je ook op de TV hebt? Met van alles en nog wat en
muziek...?
Virtual reality misschien?
Nee.
Het boek is eigenlijk een voorloper van de clip. De clip bestond toen niet, de
televisie geloof ik wel, maar wij hadden dat nog niet...
Dus een zeer langdurige reeks van videoclips.
Ja,
zoiets, maar er zit natuurlijk meer samenhang in dan in een videoclip, want ik
moet wel zeggen, ik heb mijn roeping van romanschrijver niet verloochend: er zit
meer intrige in het boek dan je denkt, omdat dingen uit het begin in het slot
terugkomen. Het is hier en daar beïnvloed door twee klassieke verhalen.
Eén, maar allemaal sterk gemaskeerd, dat is Baron von Münchhausen, ook
zo'n verhaal waarin alles kan, hij trekt zich aan de haren uit het moeras, keert
een paard of een wolf binnenstebuiten... nou, dat is met dit boek ook zo. Een
belangrijke
overeenkomst met Münchhausen in dit verhaal is het volgende: In het begin loopt
de God Denkbaar in Parijs op straat, en hij ziet daar twee oude mensen liggen.
Hij is vriendelijk tegen die twee oude mensen en die oude man voorspelt hem:
Binnenkort ben je god. Op dezelfde manier, bij Münchhausen, hij gaf geloof ik
zijn jas aan een bedelaar en die zei toen: je gaat een grote toekomst tegemoet.
Aan het slot komen in Denkbaar die oude mensen weer terug, maar dan is zijn
briljante toekomst verleden geworden, en niet meer briljant. De oorlog met
een rivaliserende god, een afschuwelijk rivaliserende god, heeft hij eigenlijk
verloren. En dan komt hij die twee oude mensen weer tegen in de métro. De Lieve
Heer wil de oude vrouw een bekertje bouillon geven uit een automaat. De
automaat gaat stuk. Hij stopt alle mogelijke geldstukken en ook gietijzeren
pecten in de automaat. Maar die automaat wordt steeds kwader en nukkiger en
tenslotte spuit-ie hele vloedgolven kokende bouillon in de gangen van de métro.
Dat is dus allemaal voorbereid door het begin. En dan krijg je aan het slot dat
een van zijn acolieten of volgelingen een klein stukje stenen stengel in een
kanon moet laden en afschieten. Dat is een reminiscentie aan, of een
tegenhanger van het middeleeuwse verhaal van Koning Arthur en de ridders van de
tafelronde. Koning Arthur gaat op een gruwelijke manier ten onder. Hij moet
tegen een andere koning vechten en op het laatst liggen ze allebei op apegapen
en hebben ze elkaar helemaal in elkaar geslagen en bijna dood. Arthur heeft dan
nog één volgeling overgehouden, Sir Bedivere. Arthur bezat een toverzwaard,
genaamd Excalibur of zoiets; had hij van een toverfee gekregen. En dat moet
teruggegeven worden na zijn dood. Sir Bedivere zal dat toverzwaard in het meer
werpen. Ja, dat zal hij doen. Hij gaat ermee op pad, een prachtig toverzwaard,
met diamanten en saffieren in het gevest. Hij denkt: ik leg het onder een struik
en ik maak die ouwe zak wel wijs dat ik het weggegooid heb. Maar u begrijpt wel,
Arthur is niet zo versuft als hij eruit ziet en zegt: Je hebt het niet gedaan.
Ga terug en doe het. Bedivere gaat weer naar het meer, en weer doet hij het
niet. Arthur wordt dan erg kwaad en de ander denkt: ik zal het toch maar moeten
doen. Hij gaat naar het meer, met zijn ogen dicht gooit hij het zwaard in het
water. En dan komt er een vrouwenhand boven het water en zwaait het zwaard drie
keer heen en weer, teken dat de boodschap begrepen is. Daarna komt er een
groot schip met allemaal koninginnen en ze voeren het lijk van koning Arthur
weg. Ik kan dit verhaal nu nog niet vertellen zonder er kippenvel van te krijgen.
Ook als ik het lees, krijg ik kippenvel. En dat is al sinds mijn twaalfde jaar.
Waar dat 'm in zit, weet ik niet. Het is een zeer indrukwekkend verhaal. Het
slot van Denkbaar is een soort gemoderniseerde tegenhanger daarvan, want nu gaat
het over iets dat uit een kanon geschoten moet worden. Daarmee wordt de
kabelballon van Afschuwelijke Baby kapot geschoten. Als dan de laatste aanhanger
van Denkbaar, O Dapper Dapper, terugkomt op de plek waar Denkbaar lag te
sterven, vindt hij daar een grote boomvaren. En die boomvaren, die groeit en
groeit en groeit. En in die boomvaren hangt een vleermuis te slapen. En die
vleermuis groeit, groeit, groeit. Het is heel duidelijk dat Denkbaar veranderd
is in een vleermuis. Hij kon niet echt goed van de grond komen, maar toch
vliegen.
O. Dapper Dapper is dus een soort van Judas in dit verhaal...
Eerst
wel, maar hij wordt een Paulus: later schrijft hij het Evangelie van O Dapper
Dapper.
Ik hoop maar dat uw luisteraartjes dit prachtig vinden en dat ik genoeg adem in
mijn stem overhoud, om ook dat nog eens een keer voor te dragen, wie weet...
Over muziek. Ik vroeg u, wat is nu de muziek die hierbij hoort? Toen schoot u opeens te binnen: Stockhausen, Gesang der
Jüngelinge...
Ja,
dat zou erbij moeten, als u zo hier en daar een klein stukje muziek wilt laten
horen.
Ik heb dat opgezocht, en het is óók uit 1956. Draaide u die muziek toen?
Welnee
- ik heb die plaat wel, hoor - maar ik heb gedacht, nou, dat is wel goeie muziek
voor bij Denkbaar. Waarom? Ja, het is niet zoiets als Diabelli nietwaar, of de
Kleine Nachtmusik van mijn grote vriend Mozart, het is ... iets anders. Ik ben
niet erg bijbelvast, maar in de Bijbel, in het boek Daniël, komt een tafereel
voor van drie jongelingen, ik heb het nagezien, die in een hete oven zijn
gestopt, omdat ze de Babylonische koning niet willen aanbidden. Ze geloven in
God, en volgens een bepaalde overlevering, zingen ze. Goed hè? Mijn boek
eindigt ook met een geweldig vuurfenomeen. De aarde splijt tot de kern ongeveer.
U heeft het wel eens gehad over Barthold Schwarz, de monnik die goud wilde maken, maar buskruit uitvond.
Het
is wat de meeste schrijvers overkomt. Je wil goud maken en BOM! BAM! BOEM! Alles
pikzwart. En als je het nog overleeft met je gezicht vol roet, kan je naar de
kraan lopen. Was Mauriac maar wat pregnanter, want Schwarz was een monnik. Hij
wou goud maken, het werd buskruit. Zo gaat dat bij monniken. De man Gods maakt
buskruit, geen goud. Gewone mannen schrijven een roman.
Ja, nu zijn we weer terug bij Mauriac.
Ik
heb heel weinig van François Mauriac gelezen, hoor. Dit over die aap van God
heb ik ergens uit een interview opgepikt.
Oh, ik dacht al: een vreemde combinatie van persoonlijkheden...
Misschien
doe ik er heel verkeerd aan. Mauriac heeft eens een boek geschreven, ik ken maar
een paar titels van hem, dat heet geloof ik Le noeud de vipères, het
Adderkluwen, dat moet toch wel geschikt voor mij zijn! Maar het zijn verder
geloof ik allemaal zeer diep rooms-katholieke boeken.
Dat had ik ook gehoord, ja.
Niet
erg, hoor, er zijn genoeg slechte mensen bij waar je interessante verhalen over
kunt vertellen.
En goudmakers.
Ja.
Er is één ding met die God Denkbaar: hij verwerft volgelingen, maar heeft hij eigenlijk een boodschap, zoiets als de
Tien Geboden of iets van dien aard?
Dat
is juist het grote punt. Hij is de geheime papieren kwijtgeraakt. Met behulp
van die volgelingen onder andere, wil hij die geheime papieren terugkrijgen. Hij
gaat ze zoeken in een ambassade, van wie, wat, weet niemand, en het enige wat
hij tegenkomt is een portier met een harp zo groot als een heel trappenhuis.
Maar geheime papieren? No! Wel wonderen natuurlijk. De aarde splijt, alle
mogelijke versteende iguanodons en tyrannosaurussen komen tevoorschijn en al die
dingen meer. Dat was ook zijn tijd ver vooruit. Die film, Jura tijdperk, die
bestond nog helemaal niet.
Jurassic Park.
Jurassic
Park, ja: bestond nog niet! Ik had door mijn studie het één
en ander over dat gedierte vernomen. Maar nu is het helemaal actueel geworden,
al die beesten.
U moet zich realiseren dat er behalve luisteraars die dit voor het eerst horen, natuurlijk ook een aantal
schriftgeleerden aan het toestel zitten,
en er is veel geschreven over dit boek, heel veel.
Een
boek komt bij verschijnen in de eerste plaats in handen van de dagbladkritiek,
en de meeste dagbladcritici waren er niet zo geestdriftig over. Maar daarna is
het gekomen bij ernstige essayisten zoals
Freddy de Vree
of mijnheer
Cornets de
Groot, die heeft er een hele lange beschouwing aan gewijd, hij leeft niet meer.
Huug Kaleis, ook een heel ernstige essayist, heeft er veel over geschreven,
leeft ook niet meer - Freddy de Vree gelukkig nog wel. Misschien sla ik iemand
over, maar ik geloof dat dit de belangrijkste exegeten zijn van het boek.
En hebben die het min of meer bij het rechte eind gehad?
Ja,
kijk, dit is een boek zonder eind, en er zit dus ook geen 'rechte eind' aan. Je
kunt er alle mogelijke einden aan maken, dat vind ik heel interessant. Freddy de
Vree had de indruk dat het een soort alchemistisch boek was. Nou, ik weet heel
weinig van alchemie, want die wilden goud maken en het werd BOEM! Dat kwam
gewoon omdat zij geen hoog cijfer voor alchemie op school gekregen hadden.
Daarom geen goud. Wel BOEM! maar geen goud. Dus dat ligt helemaal in de orde van
de dingen.
Maar het zit er wel in, natuurlijk.
Ja,
het zit er wel in.
En dan heb je nog die ene raadselachtige boodschap, die wel raadselachtig zal blijven ook: Doorhalen wat niet verlangd wordt; het bedrag in cijfers. Volgens mij doet O. Dapper Dapper, de volgeling, iets heel suffigs, want die streept het hele zinnetje door.
Nee,
nee, hij streept door: wat niet verlangd wordt.
Ja?
...want
er staat verder niks wat hij door kan strepen. Dus wat niet verlangd wordt
streept hij door. Het bedrag in cijfers weet hij niet, dat is zijn fiasco.
En wat dat betekent, daar mag men verder naar raden?
Dat
ga ik nu niet verklappen, dan moet u maar
Het evangelie van O. Dapper Dapper
raadplegen. Ik heb daar een
inleiding bij geschreven - één van de zeldzame keren dat ik een inleiding
bij een boek heb geschreven...
Een zeer korte...
Die
inleiding luidt: "Zal het geheim ontsluierd worden?" Het geheim wordt,
geloof ik - ik weet zelf niet meer wat er in het boek staat, maar ik geloof dat
het niet ontsluierd wordt.
Ik dacht het ook niet.
Nee.
(lacht)
Denkbaar is een bijzondere god, want hij twijfelt ook aan zichzelf,hè?
Ja.
Dat kom je zelden bij goden tegen - hoewel, je komt dat wel bij godenzonen
tegen. Jezus twijfelde zo nu en dan ook aan zichzelf. De twijfel kan een
goddelijk kenmerk zijn.
Almachtig en alwetend is hij al zeker niet?
Nee,
maar dat interesseert hem ook niet. Het is al mooi dat hij de hele geologische
geschiedenis weer tot leven weet te wekken. Want ja, wat is alwetend, wat is
almachtig? Dat zijn nietszeggende, niet-concrete begrippen, Maar als je even een
paar stegosaurussen of tyranosaurussen voor de dag kunt toveren, dat is toch
heel andere koek.
Het woordje 'denkbaar'. Tegen
Hugo Blom
van de VPRO-gids, die opmerkte: "Alles is denkbaar", zei u:
"Nou nou".
Kijk
eens, dit gaat wel erg ver voor de luisteraar van Hilversum nummer 5. Het was
de tijd dat ik me erg met
Wittgenstein
bezighield...
Dat was toen?
Ja,
daarvoor al. Die heeft het steeds over wat denkbaar is en wat niet. Wat niet
logisch is, is ook niet denkbaar. Deze god is dus denkbaar, maar hij is helemaal
niet logisch, dus bluf eigenlijk; vanuit een 'Wittgensteiniaans' standpunt is
het allemaal bluf.
Maar Wittgenstein verbiedt dat niet, hij erkent dat -
Het
zit in de logica der dingen dat het niet bestaan kan, hè. Je kunt dus - ja, je
kan je van een heleboel bepaalde wiskundige stellingen niet voorstellen dat
zij anders zouden kunnen zijn, dat is niet denkbaar. Je kunt wel wat beweren, je
kunt ook klanken uitstoten en beweren dat het Swahili of Sanskriet is. Als er
niemand is die het tegenspreekt, dan kunnen mensen dat geloven, maar het is
allemaal onzin, hè.
Dat is duidelijk.
Maar
ik weet niet of u er verstandig aan doet om daarover te praten. Eigenlijk is het
jammer dat Wittgenstein zich betrekkelijk weinig over de poëzie en de poëtische
waarde van dingen heeft uitgelaten. Want het eigenaardige van dit boek is -
jawel, al ben ik er de auteur van - dat die tekst mij boeit, daarom lees ik het
graag voor. Klaarblijkelijk ben ik de enige niet, terwijl het allemaal onzin is.
Wat is nou hetgene dat de mensen boeit? Kindersprookjes hebben dikwijls een
diepe symbolische betekenis. Dan kun je een uitleg geven over wat boeit;
nou, dat is misschien met dit verhaal ook zo, want ik zeg u, het is aan twee
bekende mythische verhalen verwant.
Zou er zoiets bestaan als een poëzie van de wetenschap?
Dat
lijkt me zeer de vraag. Die bestaat misschien wel... laten we zeggen, wat Jules
Verne deed was een soort poëzie van de wetenschap. Hij kon natuurlijk nooit een
sluitend bewijs leveren dat de wetenschap zoals in zijn tijd bekend, zich zou
ontplooien zoals hij 't vertelde. Maar hij heeft wel degelijk bepaalde dingen
goed voorspeld. Ook andere niet goed voorspeld, natuurlijk.
Machines zijn mooi, wiskunde is mooi...
Machines
en wiskunde worden helaas hoe langer hoe minder mooi.
Machines, daar is niks
meer aan te zien. Een radiootje is een soort sigarenkistje, of liever een
bonbondoosje met lampjes. Vroeger, in de jaren twintig, was het een doos van
bakeliet met metertjes erop, twee grote honingraatspoelen enzovoort; het geluid
dat eruit kwam was bedonderd, maar de luidspreker was mooi om te zien. Een
locomotief, een echte stoomlocomotief, is indrukwekkend. Een elektrische
locomotief, het is dat die zo hard rijdt, maar er beweegt haast niks aan. Als je
een film ziet van de hogesnelheidstrein, die rijdt dan met hoge snelheid, maar
verder niks. Je had ook een stoomtrein die toch een snelheid van 120 km per uur
kon halen, dan zag je die geweldige wielen en krukassen... overal damp... dat
was interessant om te zien.
Je kan de dingen niet meer uit elkaar halen.
O,
dat is iets verschrikkelijks. Je kunt ook niks meer repareren. Moderne
schrijfmachines... enfin, laat ik daar maar niet over praten, maar het is
verschrikkelijk, die kun je niet meer repareren, dat vind ik heel droevig. Ik
heb een heleboel ongerepareerde elektronische
schrijfmachines
in de kelder,
maar het lukt me niet. De gebruiksaanwijzingen en de werkplaatshandleidingen
kun je niet eens meer vinden, die worden aan een aantal monteurs uitgereikt, en
zo gauw er een ander model komt, hup!, weg ermee, weer wat anders.
In het vervolg, Het evangelie van O. Dapper Dapper, komt Afschuwelijke Baby terug. U heeft wel eens iets gezegd over de eeuw van het kind.
De
eeuw van het kannibalistische kind, ja... maar laten we het niet al te luguber
maken. Die jongetjes in Engeland, die een klein jongetje doodgeslagen hadden...
Maar is Afschuwelijke Baby de uiteindelijke overwinnaar in de titanenstrijd?
Ja,
die zal het op den duur wel winnen. Ik denk het wel, ja. Lijkt me onstuitbaar.
Over
De God Denkbaar Denkbaar de God
J.J.
Oversteegen, 'Chinese wijsheid: een exegese'.
In:
Merlyn I/3 (maart 1963), p. 29-53.
Ook
in: Voetstappen van WFH; Opstellen over W.F. Hermans. Utrecht 1982.
R.A.
Cornets de Groot, 'Denkbare tautomerie'.
In:
De zevensprong. Amsterdam 1967, p. 37-86.
Freddy
de Vree, 'De God Denkbaar Denkbaar de God'.
In:
Nieuw Vlaams Tijdschrift XX (1967) p. 726-753.
herzien
en uitgebreid in: Bzzletin 126 (mei 1985)
Hanneke
Paardekooper-Van Buuren, 'Wat stond er op de stempel van de boomvaren'.
In
Raam 72 (febr./maart 1971), p. 35-42.
Ad
Zuiderent, 'De berg, de olifant en de muis (een nieuw schema voor De God
Denkbaar)'
In:
Raster V/2 (zomer 1971), p. 297-316
Huug
Kaleis, 'De God Denkbaar verklaard'. Amsterdam, 1987.
De illustraties bij dit interview zijn afkomstig van de cassette "Willem Frederik Hermans leest De God Denkbaar denkbaar de God", met de vier CD's waarop WF Hermans zijn gehele boek voordraagt, uitgezonden door de VPRO-radio in het programma 'De Avonden'. De opnamen vonden in november 1994 plaats in Brussel, onder toeziend oog van Freddy de Vree. Foto's: Herman Selleslags,
Grafische vormgeving: Piet Schreuders.
De afbeeldingen van de genoemde bronnen komen uit de boekenkast van de webmaster.
Voor de herpublicatie van dit interview werd toestemming verleend door de interviewer, waarvoor dank.
De webmaster.
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
|
|
Bezoek deze pagina's in uw eigen volgorde Plaats "WILLEM FREDERIK HERMANS" bij uw favorieten Ach, waar bemoei ik mij eigenlijk mee?
KENNISMAKEN MET WFH --- SPELLETJES MET WFH LUISTEREN NAAR WFH --- BIJSCHRIJVEN OVER WFH --- ADVERTEREN MET WFH NAAR DE FILM MET WFH --- AUTOBIOGRAFIE VAN WFH MULTATULI EN WFH --- SCHRIJFMACHINES VAN WFH TIJDSCHRIFTEN OVER WFH --- PLAATJES KIJKEN MET WFH WEINREB, EEN KWESTIE VAN WFH --- BOEKJES LEZEN MET WFH RIJMEN MET WFH --- WITTGENSTEIN EN WFH --- NAAR ZWEDEN MET WFH? AANDENKEN AAN WFH --- OP TONEEL MET WFH --- INTERVIEWS MET WFH POST VOOR WFH --- TE GAST BIJ WFH
Bij het samenstellen van deze site heb ik gepoogd bestaande rechten op tekst en afbeelding te eerbiedigen. Mocht er toch nog bezwaar zijn tegen het gebruik van materiaal, laat u dat dan onverwijld weten?
De links naar de verschillende pagina's werden voor het laatst bijgewerkt op: dinsdag 27 oktober 2009 |