|
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
INTERVIEW MET WFH
J. van Tijn. W.F.HERMANS'
ballingschap
Vrij Nederland draaide
mee in de interviewcarrousel van de schrijver
in Brussel. En kwam terug met een verhaal zonder scheldpartijen, zonder vernietigende sarcasmen over collega-schrijvers.
Integendeel:
complimenten voor A.F.Th. van der Heijden en Margriet
de Moor en alleen een beetje onbegrip voor de rage
rond Connie Palmen. Ter sprake kwam ook de mogelijkheid van
een terugkeer naar het Vaderland wegens ouderdom, de ongemakkelijke
omgang met het onbeschaafde Amerikaans, de cultuurbarbarij in Nederland, en
natuurlijk de ontoereikendheid van het
menselijke bestaan als thema om te leven en te schrijven.
'Wat
nou ver? Twee en een half uur van Amsterdam. Brussel is net zo ver van Amsterdam
als Groningen. En altijd leuker dan Groningen. U wilt natuurlijk van me horen
dat ik zeg: O, wat ben ik toch ontheemd! O, wat heb ik het toch moeilijk hier in
België. O, de maan schijnt hier niet zo als in Sloterdijk! Ha! Dat moet u erin
zetten! Ik heb het hier goed.'
En denkt hij niet dat
het heimwee komt? En toe zal slaan? Als
hij tachtig is, of vijfentachtig? Misschien wel ontzettend heimwee?
Een
beetje tot mijn verbazing denkt hij over dat laatste
ernstig na. Het zal zelfs het laatste antwoord van het gesprek worden.
'Nee,'
zegt Hermans eerst. Maar dan heel ernstig en terwijl hij de interviewer
doordringend aankijkt: 'Dat hangt er natuurlijk van af, hoe ik me hier kan
redden. Misschien moet ik wel naar dokters of ziekenhuizen of zo...'
Maar dat kan net goed
in Brussel, toch?
Hermans:
Ja...eh, maar misschien zou ik in Amsterdam minder eh... of dat ze denken, of
kennissen die ik te hulp roep: O, de grote schrijver Hermans... eh, hij is wel
niet volkomen afgetakeld, maar wij gaan hem eens een lekker bordje pap brengen.'
Realiseert hij zich
dat hij het had over 'kennissen die mij te
hulp roepen', in plaats van omgekeerd?
Even
in verwarring, maar dan schaterend barst hij uit:
'Nou
ja, zie je, dat is toch optimistisch!?'
De
schrijver ziet er akelig uit. De linkermouw van een soort
kampeerjack hangt open en daaruit steekt de stomp van een gipsverband. Zijn pols die knapte toen hij instinctief zijn
val brak in de Brusselse metro is daarin verpakt. Eruit
steken zijn vingers waarvan de twee middelste bij elkaar zijn gebonden als de scharen van een kreeft voordat die de
pan in gaat. De vingers zijn verkleurd, maar niet verontrustend. Onder
zijn linkeroog zit een paarse buil, die zelfs achter het brillenglas goed zichtbaar is.
Ik heb
medelijden met de schrijver, maar wacht me er wel
voor hem dat te laten merken. Dan sta ik zo buiten.
Nee, hij is
niet buiten westen geweest, zag wel toen hij langzaam
opkrabbelde, wóú opkrabbelen, dat er bloed van zijn hoofd drupte. Hij verzocht nog om géén ziekenauto, maar het
was al te laat: er stond er, boven, al een klaar. En toen
bleek het dus echt ernstig. Dat gips moet er nog vijf weken omheen blijven zitten. Na de recente longontsteking is het
de tweede rampspoed, maar Hermans maakt toch een montere
indruk. Meer van iemand die net iets af heeft dan van een
bedlegerige of een slachtoffer.
Het straatje is
lief, onopvallend, in de richting van voorstad Tervuren, waar Eddy Merckx
vandaan komt, maar Hermans kent Merckx niet. Boon heeft er een boek geschreven, maar dat roeren we niet aan. Het huis is licht, onsomber, met een
tuin aan de achterkant zoals mensen met kleine kinderen hebben: licht
glooiend gras met wat bomen achterin (waarvan er
een weg moet van de buren omdat de bladeren in hún tuin vallen, buren
zijn overal hetzelfde).
In het begin van het
gesprek spreken we over het Boekenweekgeschenk, het feit dat hij ooit een boek
had waaruit hij later allerlei andere
boeken zou halen zonder het oerboek te publiceren, en de onwil van uitgevers in de beginperiode van
zijn schrijverschap om hem uit te geven. Maar dat verhaal, bleek later, vertelde hij in die verplichte interviewweek
wel vaker en dat laat ik hier dus maar weg. De Volkskrant wordt toch wel gelezen, en Nova bekeken?
Ook in het
Boekenweekgeschenk, dat in de laatste wereldoorlog speelt, zit weer veel
vruchteloos gedoe, mensen die van alles
proberen, maar bedrogen uitkomen. Het thema van Hermans, het waarmerk ook van
een fantastisch schrijver. De oorlog is
natuurlijk ook een prachtig decor voor dat onvolkomen pogen, daarom zal het er
wel weer over gaan. Hermans beaamt dat:
'Als
je achteraf al die onthullingen hoort over die oorlog... Ik weet niet of u die
idiote serie van Wim Kayzer hebt gezien met die geleerden, ik lag toen net voor
het eerst in het ziekenhuis en ik had kabeltelevisie op mijn kamer en ik kon
toch niet slapen. Hij had een professor in de natuurkunde, een hele knappe man
waarschijnlijk, maar door een gekke grijns net een idioot. Hij had in de oorlog
dienst gedaan bij die luchtmachtgeneraal die in Duitsland alles plat gooide. En
die man zei: het was absoluut zinloos wat er in Duitsland allemaal platgegooid
werd, maar het was nu eenmaal besloten. Het leidde helemaal nergens toe. Het
maakte de Duitsers alleen nog maar obstinater. En het in mekaar gooien van zo'n
stad als Dresden een paar weken voor het einde, dat was helemáál krankzinnig.
Ja, zei die man, het stond nu eenmaal op papier en dan moest het gebeuren. Met
dat soort dingen zit die hele oorlog stampvol. Het menselijk handelen werd in die tijd het meest
aangesproken, en mensen hadden (hier begint hij al te lachen bij het idee), de
mensen hadden ook de meeste kans om te mislukken, haha! In vredestijd handelen,
ach dat lukt altijd wel, het is een soort examen en als je genoeg weet kom je er
wel door. Maar in de oorlog is dat niet het geval. Bovendien had Nederland met
die oorlog eigenlijk niets te maken. Nederland wou die oorlog niet. Maar goed,
Engeland ook niet. De enigen die de oorlog wilden waren de Duitsers.
Die riepen achteraf wel: nee, niet, maar we waren er zo bang voor, maar
ze wilden wel. Frankrijk niet, Amerika, moest er helemaal in opgevoed worden.
Als de Japanners Pearl Harbour niet hadden gedaan, had Amerika misschien niet
eens meegedaan.'
Hij
grinnikt en zegt: 'Er bestaat een boek van Jan de Hartog. Dat heet Stella. Nee,
ik heb niet al zijn boeken gelezen, maar dit wél. Nee, die film heb ik niét
gezien. Het is een aardig boek, het gaat over een soort fataal meisje, maar dat
zal er in die film wel uitgegooid zijn. O, niet? Daar gaat die film over? O.
Engelse of andere zeeofficieren logeren bij dat meisje en die verongelukken
vervolgens allemaal. Het is een soort fatale zeemeermin of zo. Maar het mooiste
in dat boek is niet die Stella, maar de beschrijving van zeegevechten, die vind
ik werkelijk indrukwekkend. Dat soort dingen heb ik gewoon niet meegemaakt, dus
wat moet ik er dan mee doen? Ik kan het alleen maar van een ander gaan zitten
napraten.'
Maar het is niet zeker
dat De Hartog het wel allemaal heeft meegemaakt.
'Ach,'
zegt Hermans, alweer een beetje verlegen met het onderwerp, 'misschien zou ik
ook wel een zeegevecht kunnen fabriceren, maar dan zou ik toch altijd het gevoel
hebben: als ik nou Jan de Hartog niet had gelezen, dan zou ik niet weten hoe ik
het moest doen. Zo'n Golfoorlog: dat is toch om je haren uit je hoofd te rukken
zo krankzinnig? Eerst een hoop kabaal van: oooh, wat gevaarlijk, o, ze hebben
daar allemaal kanalen met benzine om Irak heen om die Amerikaanse jongens af te
houden, dat gaat honderdduizenden Amerikaanse levens kosten... Ha! Toen ze
kwamen waren er een paar molshopen. Die Irakezen staken snel hun handen omhoog
en verder ging het allemaal gesmeerd. Maar die Saddam Hoessein is nog steeds de
baas daar! En zogenaamd is dat land geďsoleerd, en zogenaamd hebben die mensen
daar niet te eten, maar ik geloof dat je beter in Bagdad kan zitten dan in
Moskou.'
De Russen hebben een
verkeerd systeem gehad.
Hermans:
'Ja, zeg! Als ze daar nou nog niet overheen zijn! Die Chinezen: hoeveel zijn dat
er nu? Duizend miljoen. Die hebben het toch in een paar jaar voor elkaar
gekregen dat ze te eten hadden. Nou ja, nou zit ik ook te kletsen over dingen
die... Kijk, aan het beëindigen van die wereldoorlog was iets verbonden, al was
het maar enige hoop dat je meer te eten zou krijgen en dat het licht 's avonds
aan kon en dat je niet meer de kans liep om opgepakt te worden. Nu raakt me dat
allemaal veel minder. Dat wil
zeggen: raakt me niet, ik vind het allemaal idioot. Ik hoop dat België geen
Joegoslavië wordt. Ik hóóp het niet. Als je er met Belgen over
praat...iedereen is zo gemoedelijk, iedereen drinkt zijn pintje. Maar verenigd
Europa: nou ja! Dat is werkelijk krankzinnig! Dat is het zich vastklampen aan
een oude overleefde utopie. Hebt u een paar dagen geleden die Franse vissers
gezien die kwaad waren over die vis uit Oost-Europa, die gingen elkaar in
razernij te lijf, gooiden die vissen naar elkaars koppen. Waar moet je nou een
verenigd Europa voor maken? Verenigd Europa: de Polen willen erbij, en de Russen
en straks de IJslanders. Ik zag dat ze ergens Engelse schapen met benzine
overgoten en levend in brand staken. Die mensen werden niet eens vervolgd wegens
dierenmishandeling! Grote vrachtauto's rijden met tomaten uit Spanje: werden die
Franse boeren kwaad! Terwijl die Spanjaarden een warmer klimaat hebben en
goedkoper hun tomaten kunnen produceren. Dan moet het maar zo geregeld worden
dat die Fransen geen tomaten meer verbouwen. Of betere tomaten.' Van het schrijven maakt hij nog steeds niet veel ophef: geen vaste tijden, warme chocolademelk, speciaal geprepareerde pantoffels, of een versleten plaid op de knieën. Ook geen andere gewoonten in Brussel dan
in Parijs.
'Nee,'
zegt Hermans. 'Dat is helaas allemaal hetzelfde gebleven. Als je die biografieën
van grote schrijvers leest, die staan om zes uur op, om halfzeven nemen ze een
douche, om zeven uur drinken ze een kop zwarte koffie, dan blijven ze tot twee
uur aan hun schrijftafel zitten. Dan nemen ze een groot glas whisky en een
lekkere lunch, dan maken ze een middagwandelingetje en 's avonds gaan ze naar de
hoeren. Ideaal.'
Dat doet u allemaal
niet?
'Nee.
Ik loop erover te tobben, of ik hou op met tobben, of ik ga wat anders doen. Of
ik ga een wandeling maken. En dan soms, 's avonds tegen een uur of half twaalf,
denk ik: vooruit, en dan schrijf ik in twintig minuten twee bladzijden. Nee,
niks geen speciaal papier of pen.'
En dan gaat u tevreden
slapen? Met het idee: morgen verder?
'Ja.
Maar u moet niet vergeten: dan heb ik toch de hele dag zitten nadenken. Ach, het
is allemaal niet zo geheimzinnig.'
Hebt u het gevoel dat
u een overzicht hebt van het materiaal dat
nu nog in dat hoofd ligt opgeslagen voor de boeken die
nog komen?
'Daar
ligt niks opgeslagen. Ik geloof ook niet dat er ooit veel opgeslagen heeft
gelegen. Terwijl je schrijft ontstaat het gewoon.'
Hermans is de maat van
het schrijverschap, vinden veel mensen. Is dat toch een soort predestinatie?
'Nee,
helemaal niet. Ik heb nog een ander beroep gehad en daar heb ik meer aan
gedaan.'
Maar tijdens dat
beroep hebt u altijd geschreven.
'Ja,
maar in de tijd dat ik academisch docent was, was dat een man die een halfjaar
per jaar vakantie had. Tegenwoordig laten ze een halfjaar een assistent college
geven en het andere halve jaar moeten ze zitten ouwehoeren met collega's.'
Voorzichtig
bevoelt hij zijn vingers. Zonder ernaar te kijken, als voorwerpen buiten het
lichaam, lijkt het. Maar daarvoor kijkt hij er toch te pijnlijk bij. Hij heeft
ook pijn, geeft hij toe. Nee, nog niet ophouden, maar heel lang kan het niet
meer duren.
Waarom bent u
indertijd eigenlijk naar Parijs gegaan?
Zo
goed en zo kwaad als het gaat veert de schrijver op.
'Dát
is nou eens een goede vraag!' roept hij uit. 'Want dat is inderdaad heel
raadselachtig. Het begon ermee dat ik facultatief Frans deed, dat kon je toen in
de vierde, vijfde en zesde klas van de lagere school. We kregen les van een man
die waarschijnlijk ook haast geen Frans kende, hij had de lágere akte Frans, hč,
dus: papa fume une pipe.' En hij vertelt over een
jongetje dat moest lezen: Pierre casse le bras (o, toeval!). Pauvre Pierre. Dat
jongetje had net geleerd dat je 'au' als 'o' uitsprak. Maar dat wilde hem niet
lukken, zodat hij tot 'Poevre Pierre' kwam, omdat hij wel wist dat er iets
anders stond dan er stond. Hermans: 'Op de een of andere manier ben ik toen met
het Frans in aanraking gekomen. En mijn zuster las Stendhal en dat soort dingen.
Ik had wel wat ruzie met haar, ze was drie jaar ouder, maar toch ook wel
eerbied. Dus ik ging ook Stendhal lezen, op mijn vijftiende, en ik kocht Les
fleurs du mal in de Oudemanhuispoort. En later Céline. En als ik dan denk aan
mijn Franse avontuur, om het zo maar te noemen, dan is het tot me doorgedrongen
dat er echt een kloof gaapt tussen een land als Frankrijk en Nederland. Dat
Frankrijk een literatuur heeft van honderden jaren die nog steeds in
pocketboeken gelezen wordt, die nog leeft. Dat heeft Nederland helemaal niet.
Met grote moeite kunnen we zeggen: ja, Multatuli is wel een groot schrijver,
maar ja, die uitgave is nog steeds niet klaar. Vorig jaar is er wéér geen deel
uitgekomen. Ik beleef misschien het einde niet eens meer. De Pléiade wordt
gesubsidieerd, en daarna door de Arbeiderspers uitgebracht in Privé-domein. Die
serie heeft pas een prijs gekregen.'
En dat is verkeerd?
'Die
Flaubert-Sand-uitgave komt uit één uitgave en niet uit drie, zoals de vertaler
beweert. Waarom moet hij daarom liegen? Waarom moet je suggereren dat je zelf
iets hebt samengesteld terwijl je niets anders hebt gedaan dan geprofiteerd van
de speurarbeid van een ander. De Fransen hebben waarschijnlijk geen spionnen in
Nederland. Uit dat dagboek van Jules Renard is geloof ik tweederde weggelaten.
Dat vind ik verschrikkelijk, dan heb ik het idee dat Nederland een tweederangs
land is. '
Dat
dacht Hermans al vroeg, vertelt hij, al las hij op zijn achttiende, negentiende
wel Marsman en Slauerhoff en ja ook Du Perron, dat Land van Herkomst vond hij
wel aardig. De Nederlandse film wordt in één moeite weggevaagd: stelt niks
voor. 'Bijna niet een Nederlandse film doet het in het buitenland. In Nederland
wél, want het is ónze film. Zoals je van je familie denkt: nou ja, oom Klaas
is een oude lul en tante Marie is gierig, maar het is jouw tante en jouw oom en
je hebt niks anders. Het is toch krankzinnig dat kinderen in Nederland geen
opstellen meer hoeven te maken? Er zijn mensen die die kinderen op school
helemaal geen literatuuronderwijs meer willen geven. Terwijl ik tenminste nog
weet wie Langedijk was en Vondel en Huygens. Van Lennep. Al die mensen worden
ook nog onderschat. Er groeit een generatie op die niets meer weet, niets meer
gelezen heeft. Dus over honderd jaar is Nederland wég. Je moet de literatuur
beschouwen... alle mensen hebben een stemmetje van binnen. De literatuur is het
stemmetje van binnen van een natie en als die natie geen literatuur meer heeft,
dan is die natie er niet meer. Het Nederlands verdwijnt. Wat je op televisie
hoort is gewoon een taal van eigen makelij. "We gaan nu iets ondernemen
naar de klant toe" of "naar de minister toe" of "naar de
Tweede Kamer toe".
Er is iets van passie
in Hermans gevaren. Een kwaadheid
die niet hoort tot de categorie
'schrijver wil wel even gek doen voor de
media'. Het is dus ernst geweest: dat vertrek naar Parijs om te verkeren in een land waar de literatuur nog
serieus wordt genomen als de erfenis van een natie. Was dat
waarom hij de vraag naar de reden van zijn vertrek 'een goede vraag' noemde? Dat bedoelde hij dus serieuzer dan
meestal lijkt?
Hermans:
'Ik bedoel het echt allemaal serieus. Maar ja, er wordt toch niet naar
geluisterd. Iemand heeft een boek over mij geschreven en dat was net in de tijd
dat ik herhaaldelijk zei dat ik het woord 'evaluatie' zo verschrikkelijk vond -
het wordt nu een beetje minder gebruikt. Die man schreef een boek over Hermans
waarin op iedere bladzijde iets werd geëvalueerd. Dan is het toch wel duidelijk
dat ik tegen de keien sta te preken.
Het
was daarom niet alleen maar prettig om in Frankrijk te zitten, soms voelde ik
mij zeer ontmoedigd. Dat programma van Bernard Pivot, dat proberen sommige
mensen in Nederland te imiteren, maar die hebben helemaal niet die woordenstroom
op niveau, de parate kennis, een grapje hier en daar. Die man heeft die boeken
echt bestudeerd, die las toch vier, vijf boeken in één week, en bij saillante
passages legde hij papiertjes. Dat hebben we in Nederland niet. Ze zitten hier
maar te kleppen. Of ze laten de mensen even voelen: ach, we hebben het hier even
over Nederlandse literatuur, maar ik heb natuurlijk veel meer verstand van de
Amerikaanse of de Engelse. Dat is in kranten ook zo. Als een Nederlander iets
citeert, dan citeert hij iedereen behalve een andere Nederlander.'
Waarom heeft hij toch
geen band met de Amerikaanse literatuur, waar toch een heleboel prachtige
schrijvers zijn?
Ten eerste
vindt hij Amerika een politiek onbeschaafd land.
En de schrijvers zijn er vaak heel ordinair: zo'n Hemmingway. Mailer?
Mailer helemaal, zeg. Verschrikkelijk! Die Mailer, dat is de Amerikaanse Harry
Mulisch.
Het noemen van
nog een aantal schrijvers blijkt vruchteloos, het
gemok over onbeschaafdheid blijft aan de lucht.
Dan zegt hij na
enig nadenken:
'Met
Engels heb ik altijd op slechte voet gestaan. In 1948 heb ik een half jaar in
Canada en Amerika gewoond. Ik had thuis geleerd dat je mensen met twee woorden
moest aanspreken. En daar hadden ze het almaar over Hello en Howdy!
Ik wist niet of ze me nou voor de gek hielden, ik durfde dat soort dingen gewoon
niet terug te zeggen. Of als je iets kocht en geld terugkreeg zonder dat ze iets
zeiden. Geen 'Dag meneer', helemaal niets. Dat begint in Nederland ook. En zelfs
in Frankrijk zeggen ze tegen een minister: Jack Lang! Ecoutez! Monsieur
of madame, dat hóór je niet meer op de Franse televisie! Dat komt allemaal uit
Amerika.'
Nederlandse
schrijvers? Van der Heijden heeft talent, dat zag
Hermans omdat hij diens Boekenweekgeschenk van vorig
jaar las in verband met zijn eigen opdracht. (De letterlijke canonisatietekst luidt:
'Het
is duidelijk: die jongen heeft talent. En zo zijn er misschien nog een paar.
Margriet de Moor: het was de eerste keer dat die Akoprijs naar iemand ging die
niet een volstrekte nul was. Het slot is niet goed, maar het is toch een
interessant boek. Maar ja, die Connie Palmen: een studente filosofie die met
alle professoren naar bed gaat, ach, het is een thema, maar waarom dat boek zó
populair werd, daar staat mijn verstand bij stil. Het is geen slecht boek, maar
waarom wil iedereen dat nou ineens lézen?')
Hermans vergelijkt het
met de Booker Prize, die een paar jaar
geleden door een auteur met een Japanse naam werd gewonnen, zogenaamd de bekentenissen van een butler.
'Een
zeer aangrijpend boek, waarvan je meteen het gevoel hebt: ja, dat moet bekroond
worden, die man moet dertigduizend pond hebben. In Nederland is alles op
mensenliefde gebaseerd. Het mooie telt niet mee. Ze zeggen niet: we gaan die en
die bekronen omdat hij een mooi boek heeft geschreven, maar: ach hij is zo arm
en wij zijn zo goed, wij gaan hem goed doen, wij gaan hem uit de put helpen door
hem vijftigduizend gulden te geven. Dat is met alles zo, met schilderen, met
bouwen, het mag wel geld kosten, maar het moet bij de mensen terecht komen. Die
hebben toch ook recht op kabeltelevisie of een reisje naar Marbella? Ja toch? De
werkster mag ook naar Marbella? Dat is toch veel beter dan dat je een of andere
snotneus die een boek geschreven heeft een prijsje gaat geven?'
'Een
van de vele gekke dingen die uw goed vriend Brandt Corstius geschreven heeft
is: die Multatuli liep maar te tobben over geldgebrek en zo, die had een frisse
neus moeten gaan halen in Parijs, een beetje praten met Flaubert. Hij had toen
waarschijnlijk net dat boek gelezen over een restaurant in Parijs waar al die
beroemdheden eens in de maand gingen eten. Die lui zouden Multatuli hebben zien
aankomen! Ten eerste was zijn Frans natuurlijk volstrekt ontoereikend om met
Flaubert te praten. Hij zou waarschijnlijk zijn gaan stamelen en dan wordt er
door Fransen niet meer geluisterd. En ten tweede zou Multatuli die conversatie
waarschijnlijk helemaal niet op prijs hebben gesteld, want het was meestal heel
obsceen wat die heren bespraken, met veel obscene grappen, en Multatuli was zeer
puriteins. Die maakte geen obscene
grappen. Dat soort domme dingen wordt in Nederland gedacht: dat Multatuli maar
een frisse neus in Parijs moest gaan halen!'
Dat puriteinse heeft
Hermans toch wel met Multatuli gemeen, zeg
ik.
'Natuurlijk,'
zegt hij ruim, 'ik kom óók uit Amsterdam.'
In het
Boekenweekgeschenk staat op een bepaald moment als
twee mensen met elkaar naar bed gaan dat de lezer wel zal
begrijpen wat er nu verder gaat gebeuren.
'Dat
heb ik met opzet gedaan,' zegt Hermans, 'omdat in alle Nederlandse boeken van de
laatste twintig jaar die dingen heel uitvoerig worden beschreven. Terwijl ik
indertijd in De tranen der acacia's een van de eersten was die dat soort dingen
bij de naam noemden.'
Maar in bijna alle
boeken daarna was kuisheid troef. Zelfs Au
pair is een heel kuis boek.
Enthousiast
zegt hij:
'Dat
heb ik indertijd ook direct verteld toen ik eraan bezig was. Iemand van Vrij
Nederland belde me op voor een rubriekje en die vroeg wat het voor een boek
werd. Ik zei: nou, het wordt een revolutionair boek, er komt geen onvertogen
woord in voor. Niks over neuken, niks over pik en kut. "Oh, oh", zei
de verslaggever beteuterd. Oh, oh.'
Heeft hij het gevoel
dat er één thema is dat hem nooit meer zal
loslaten? Dat zijn onvervreemdbaar thema is?
Afwerend
zegt hij: 'Ja hoor es, dat zal er natuurlijk zijn. Maar nou moet u es even heel
scherp opletten...'
U wou het thema liever
geheimhouden?
Hermans
glundert: 'Ja, natuurlijk bewaar ik dat geheim. Stel je voor dat ik een
goudzoeker in Californië was, in de vorige eeuw. En ik had een ader ontdekt. En
u komt bij me op visite. En u zegt: waar is nou je ader? Nou, ik zou toch wel
helemaal hiér wezen als ik dat zou vertellen?'
Dát zou ik niet
vragen. Dít vind ik veel interessanter.
'Dat
vind ik verschrikkelijk aardig.'
Is het inderdaad die
ontoereikendheid van het proberen van de
hoofdrolspelers?
'Kijk,
ten eerste heb ik nog nooit iemand in het dagelijks leven ontdekt van wie ik kan
zeggen: die man heeft succes. Alle mensen die succes hebben, hebben
schijnsucces. Ook al doen ze soms zelf alsof ze het geweldig gemaakt hebben. Het
interessante is dat mensen van hun leven een succes willen maken en dat dat
tenslotte niet lukt. Dat zit in de hele literatuur.'
Maar dat is toch niet
alles wat ik bedoel. Die mensen uit uw
boeken blinken niet uit door succes, zelfs niet door
schijnsucces. Ze proberen iets,
soms alleen maar iets tegen te houden. En
dat lukt niet eens. Omdat u ze de nek omdraait.
Half geamuseerd heeft
Hermans zitten luisteren, een beetje voelend
aan zijn twee zo gekwetste vingers. Op een toon die niet van ernst en oprechtheid is te onderscheiden zegt hij:
'Het
leven draait ze de nek om, niet ik. Maar ik feliciteer u. U hebt de goudader
ontdekt. Uitstekend. Heel goed. Nou denkt u dat ik u voor de gek zit te houden.
Maar dat ís niet zo. Uitstekend. Zullen we hiermee eindigen?'
Voor
de (her)publicatie van dit interview werd toestemming verleend door: ©
klik
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
|
|
Bezoek deze pagina's in uw eigen volgorde Plaats "WILLEM FREDERIK HERMANS" bij uw favorieten Ach, waar bemoei ik mij eigenlijk mee?
KENNISMAKEN MET WFH --- SPELLETJES MET WFH LUISTEREN NAAR WFH --- BIJSCHRIJVEN OVER WFH --- ADVERTEREN MET WFH NAAR DE FILM MET WFH --- AUTOBIOGRAFIE VAN WFH MULTATULI EN WFH --- SCHRIJFMACHINES VAN WFH TIJDSCHRIFTEN OVER WFH --- PLAATJES KIJKEN MET WFH WEINREB, EEN KWESTIE VAN WFH --- BOEKJES LEZEN MET WFH RIJMEN MET WFH --- WITTGENSTEIN EN WFH --- NAAR ZWEDEN MET WFH? AANDENKEN AAN WFH --- OP TONEEL MET WFH --- INTERVIEWS MET WFH POST VOOR WFH --- TE GAST BIJ WFH
Bij het samenstellen van deze site heb ik gepoogd bestaande rechten op tekst en afbeelding te eerbiedigen. Mocht er toch nog bezwaar zijn tegen het gebruik van materiaal, laat u dat dan onverwijld weten?
De links naar de verschillende pagina's werden voor het laatst bijgewerkt op: zaterdag 23 december 2006 |