|
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
INTERVIEW MET WFH
Elsevier, 6 maart 1993
'Ik
bén vervolgd en ik wórd vervolgd'
De
nimmer eindigende oorlog van W.F.Hermans.
Wim Zaal
Woensdag verschijnt het
Boekenweekgeschenk In de mist van het
schimmenrijk, door Willem Frederik Hermans. De schrijver, altijd
spraakzaam over zijn ruzies maar zwijgzaam over zichzelf, vertelt in zijn
woonplaats Brussel voor één keer hoe zijn werk tot stand komt. Zijn boeken
zijn opgebouwd als muziekstukken. 'Bach is mijn leermeester.'
Alles klopt, wat Hermans schrijft: het hofje
aan de Prinsengracht bestaat, net als het huis op de rand van een groezelige
kolk waar Karel R. op de dood wacht. Aan de hand van zijn Boekenweeknovelle In
de mist van het schimmenrijk is een wandeling door Amsterdam te maken en
sommigen zullen dat zeker doen. Toch ligt de magie van het verhaal niet in de stadsbeschrijving of in de verwikkelingen: het geheel is meer dan de
delen. Wat jammer dat Willen Frederik Hermans, die graag over alles en nog wat
vertelt, nooit iets loslaat over die magie, de creatie, de mysterieuze afstand
tussen delen en geheel.
'Ik
weet zelf niet hoe het creatieve proces verloopt,' zegt de 71-jarige schrijver,
de witte handend spreidend. 'En al wist ik het! De kok van een restaurant laat
ook niet graag pottenkijkers aan zijn fornuis. Maar ik zal voor één keer mijn
best doen. Ik heb altijd de schrijvers benijd die van negen tot twaalf en van
twee tot vijf achter hun bureau konden doorwerken, zoals Émile Zola: toen hij
op zijn 62ste stierf liet hij dankzij die tucht een oeuvre na, waarin het mijne
rond kan dansen. Ik ben niet uit dat hout gesneden. Vaak loop ik de hele dag,
zeg maar, te lummelen en ineens tik ik 's avonds in twintig minuten twee
pagina's van een roman uit. Die zijn overdag voorbereid, hoewel niet door almaar
zinnetjes voor mij uit te mompelen. Het piekeren over de aanmaak van de tekst
gebeurt grotendeels onbewust. Veel mensen denken: Hermans staat elke morgen
knorrig op en schrijft dan een gemeen stuk. Ach, was het maar zo eenvoudig!'
En dromen: tot voor enkele jaren was hij een
sterke dromer, het scheppende proces werkte door tot in zijn slaap, en veel
dromen vonden hun weg naar zijn romans. Ze komen ook in zijn nieuwe
novelle voor, zij het ditmaal niet ontleend aan eigen nachtelijke avonturen.
'Daarnaast
moet ik de rol van de muziek noemen. Wie mijn boeken aandachtig leest, ontdekt
dat ze zijn opgebouwd als muziekstukken met een regelmatige wisseling van tempi,
allegro en andante, versnelling en vertraging. Ik heb jong kennisgemaakt met
muziek. Mijn moeder speelde piano, Liszt en Beethoven, wat me weinig zei, maar
toen ik op de distributie-ontvanger van mijn grootmoeder Bach hoorde, was ik
weg. Als de Mattheüspassie onder Mengelberg werd uitgevoerd, was ik niet van de
radio weg te slaan. Later kwam Chopin erbij. Natuurlijk ook anderen, al ben ik
weinig verder gekomen dan Mahler (ik ben liefhebber, geen kenner); op een
gegeven moment echter ligt je patroon vast, daarna volgen nog toevoegingen,
zonder dat je essentieel verandert. Ik mag zeggen dat Bach mijn leermeester is.
Hóe zijn invloed en die van Chopin in elkaar zit zou ik niet kunnen zeggen. Die
hangt in elk geval samen met het stramien, de constructie van hun werk. Er
bestaat geen opleiding tot romanschrijver, maar áls die bestond, zou er net als
op de conservatoria plaats moeten zijn voor een compositieklas.'
Iets muzikaals straalt Hermans, lang en bleek,
niet uit. Zijn motoriek is stroef.
'Zeg
maar houterig! Op gymnastiekles was ik een kruk, het lukte mij niet eens om over
een horde van dertig centimeter hoog te springen. Ik had dus geen vriendjes, ik
kon nergens aan meedoen. Dat de onderwijzeres van de derde klas zich afvroeg of
ik soms achterlijk was, heeft ook niet erg geholpen.'
Het Boekenweekgeschenk, met de hoogste oplage
die een literair werk ooit in ons land heeft beleefd (582 duizend exemplaren),
omvat dagboekfragmenten van de ondergedoken student Karel R., uit 1944.
Stumperend in de marge van de samenleving en verzet, houdt hij zich vooral bezig
met zijn liefde voor Madelon. Hij zwalkt rond, verbeeldt zich een ongewoon mens
te zijn, en trekt door het verpauperde Amsterdam van het ene onderduikadres naar
het andere. De dood treft zijn vrienden, nooit hém. Dan vallen plots, in één seconde van
paniek, zijn denken en handelen samen: hij vermoordt een Duitser. Hij sluit zich
op en (de schrijver zegt het niet, hij laat het raden) sterft psychisch verlamd
op een vlierinkje aan een onverzorgde schotwond en ontbering.
'Mag
ik aan dit verhaal illustreren wat ik over muzikale structuren heb gezegd? Aan
het slot van een muziekstuk staat vaak da capo, herhaling van het
begin. De lezer zal opmerken dat de tien laatste regels van mijn novelle
verwijzen naar de tien eerste.'
Het is niet voor het eerst dat Hermans een werk
in de oorlog situeert: die vormde van De tranen der acacia's en De
donkere kamer van Damocles tot King
Kong een vast thema. Wordt die periode nog geen voltooid verleden tijd,
een emotieloos bekeken film van vroeger?
'Nee,
de oorlog blijft me opwinden: telkens als er leugens en schandalen opduiken
komen de emoties weer boven, zoals bij King
Kong, de memoires van Weinreb en andere sprookjes. Ik kan niet denken:
wat gaat het me nog aan. Houdt u in het oog dat ik toen een gevoelige leeftijd
had, begin twintig. De blik bleef beperkt doordat er geen vrije informatie
bestond, en nu die wél beschikbaar komt, ben ik er des te gretiger naar. Bij
het schrijven van deze novelle heb ik mijn eigen aantekeningen uit '44 gebruikt
(zelfs de hond Spit alias Spitfire is aan de werkelijkheid ontleend), en als u
zegt dat Karel Rotteveel rondzwalkt, tja, dan was dat met mijzelf en vele
anderen eveneens het geval. De geallieerden winnen de oorlog wel zonder mij,
zegt hij, en dat dacht ik zelf ook.'
Behalve door de eigen herinnering en de kennis
van Amsterdam in oorlogstijd, waar hij woonde, ontleent het verhaal zijn accent
van echtheid aan Hermans' tijdloze taalgebruik. Maar wat nogal vreemd aandoet is
de grote rol van waarzeggerij en telepathie.
'Alles
authentiek. Honderdduizenden mannen zaten toen in het buitenland, er was haast
geen communicatie mogelijk, dus wendden de mensen zich massaal tot
helderzienden: die deden voor fl
2,50 per consult geweldige zaken. De Madame Leoni uit de novelle bestond echt,
ze adverteerde als "psychometriste", ook de telepaat Gasselink die aan
de hand van een voorwerp onthullingen deed was heel bekend. Ik ben zelf een keer
bij hem geweest. "Ik zie uniformen om u heen", zei hij en "na de
oorlog gaat u naar Indië". Het eerste klopte altijd, bij een andere ried
hij wat ik wilde: ik hoopte na de oorlog als geoloog naar Indië te gaan.'
Hij herinnert eraan dat de grootmoeder in De
tranen der acacia's ook waarzegster was. 'Uw voorspellingen,' wordt
dan opgemerkt, 'kunnen niets anders zijn dan de slotsommen die getrokken moeten
worden uit de gedragslijn van degene, wiens toekomst u voorspelt.' Er zijn naar
die roman van 45 jaar geleden wel meer verbindingslijnen te trekken: de student
aan de zwerf, de moord op een Duitser, het verprutsen van
een leven 'in een klein land, besmeurd door de grauwe camouflagekleuren
van een bezetter die nooit zou overwinnen', de vliesdunne scheiding tussen collaboratie
en verzet, en inzake de illegaliteit de vraag wat deze 'surrogaatoorlog' tegen
de echte oorlog kon uitrichten.
Ook in de Boekenweeknovelle heeft het
verzetswerk bitter weinig effect.
'Ik
heb studenten gekend die als helden de geschiedenis zijn ingegaan, maar ze zagen
er allesbehalve heldhaftig uit. Neem de gebroeders Kuiper: Bram heette de ene,
hij scharrelde oude paspoorten bij elkaar en vervalste die, opdat joden daarmee
konden vluchten. Op een dag hoorde ik dat hij in de gevangenis zat. Onverwacht
kwam hij weer vrij, soms deden de Duitsers dat: we hebben op een mooie
zomeravond zitten praten over Céline, ik weet het nog goed, een week later werd
hij opnieuw gearresteerd en toen doodgeschoten. Zulke dingen worden nooit een
film van vroeger. Hij stotterde, vond als communist dat vijanden van de
arbeidersklasse tegen de muur moesten, en woonde in een hofje aan de
Prinsengracht. Al die onderdelen vindt de lezer, ietwat anders gegroepeerd,
terug. U ziet dat ik tal van zelf beleefde elementen in mijn werk heb
ondergebracht, zowel in romans als in deze novelle, alleen beweer ik niet ŕ la
Weinreb dat het mijn autobiografie is.'
In de herfst wordt het twintig jaar geleden dat
Hermans uit Nederland is vertrokken. Zou het door gebrek aan contact met de
levende taal zijn, dat hij in zijn verhaal een pregnante, maar verouderde
uitdrukking gebruikt als "voor toedeur komen"?
'Dat
werd bij ons thuis gewoon gezegd, we spreken niet voor niets van
"moedertaal", de taal die je van je moeder leert, en wanneer je hem
verkeerd gebruikte kreeg je een draai om je oren. Als dat nog steeds gebeurde,
zou horen en zien je vergaan. Die taal is mijn vaderland, meer dan Nederland
zelf. Het voornaamste exportartikel van Rusland waren, eeuwen achtereen,
ballingen die verteerd werden door heimwee. Ik heb nóóit heimwee, ik haal het
niet in mijn hoofd, ik wilde niets liever dan uit Nederland weg, maar het volgt
mij helaas op de voet.'
Ja, om te beginnen een citaat van Adriaan Morriën
uit een tijdschriftje voor Hermansianen, de WFH-Verzamelkrant:
"Hermans
duldt niemand naast zich. Er komt bijna nooit een woord van lof over zijn lippen
over wie dan ook uit de Nederlandse literatuur, behalve dan over Multatuli. Die
is al zo lang dood, die kan niemand meer hinderen."
'Zo,
schrijft Morriën dat? Kijk eens aan. Nu, ik vind Mulisch heel begaafd en als ik
hem ontmoet is hij erg vriendelijk jegens mij, zelfs vleiend, ofschoon hem dat
nog niet tot de allerallergrootste schrijver maakt; ook de auteur van het
vorige Boekenweekgeschenk, Van der Heijden, lijkt me heel talentvol. Ik lees te
weinig romans om nog meer pluimpjes te mogen geven, maar u ziet, ik doe alles om
Morriën van dienst te zijn.'
Het blijft merkwaardig dat iemand die zo veel
collega's aan de pen heeft geregen als Hermans, altijd zélf als vervolgde
schrijver poseert.
'Ik
bén vervolgd en ik wórd vervolgd, laat daarover geen misverstand bestaan. In
een grijs verleden hebben Vestdijk en Werumeus Buning eens met elkaar overhoop
gelegen, wat een drukte werd daarover gemaakt, hoewel het hun nooit heeft
geschaad. Maar ik heb rond 1950 de grootste moeite gehad om iets gepubliceerd te
krijgen. En wat mij in Groningen is overkomen, dat was toch vreselijk, en alles
over niks! Vervolgens jarenlang verbannen uit Amsterdam omdat ik Zuid-Afrika
bezocht had, intussen losten de schepen er onbelemmerd Zuid-Afrikaanse producten,
en wat zie je gebeuren? Nu de antiapartheidsbeweging het zonder ons afkan, gaat
de burgemeester er zelf heen! Maar geen woord van excuses aan mijn adres, om
over dank maar niet te spreken: "Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geďnformeerd"
was in de brief waarmee mijn verbanning werd beëindigd alles!
'En
het wordt steeds erger. Tegen wat zich nu aandient, roofdrukkers, en mensen die
onder mijn naam een boekje uitgeven dat ik niet geschreven heb, kan ik niet meer
polemiseren, daar is geen eer aan te behalen, het zou verloren moeite zijn. Ik
vraag me af wat ik die mensen misdaan heb. Ik wil niet overal vijanden zien,
sommige lezers van de WFH-Verzamelkrant
(die me ook heeft geplunderd) zijn vast te goeder trouw, maar ik ben niet op
zo'n persoonsverheerlijking gesteld. Ik laat ook geen aspirant-biograaf binnen:
u weet hoe het met biografen is, ze gaan altijd af op verhalen die voor vijftig
procent gelogen zijn. Ik lieg ook wel voor vijftig procent, maar dan verander ik
de namen en wordt het een verhaal.
'En
wat degenen betreft tegen wie ik vroeger polemiseerde: een tijdje geleden vond
ik twee afgeprijsde herdrukken van naturalistische schrijvers uit 1890, Netscher
en Aletrino. Ik heb ze gelezen en het was niks. Maar Van Deyssel vond het
blijkbaar nodig tegen hen van leer te trekken, daardoor zijn hun namen in het
geheugen gebleven en werden ze, geheel vergeefs, herdrukt. Nu merk ik dat mijn Mandarijnen
op zwavelzuur nog altijd aftrek vindt, hoewel een jongere generatie de
daarin bestreden auteurs niet eens meer kent. Heb ik hen misschien een dienst
bewezen, denk ik soms: hun namen leven, hoe dan ook, nog voort...'
De beslissende tijd in zijn leven, zegt
Hermans, viel tussen zijn zestiende en negentiende. In de jaren van de
geestelijke breuk met zijn ouders, zijn eerste literaire proeven, en het
uitbreken van de oorlog die het solide ouderwetse Nederland wegvaagde, werd hij
de cynische moralist die hij altijd is gebleven.
'Toen
heb ik veel achter mij gelaten en besefte ik: dit ben ik, dit is mijn plaats.
Daarna volgden vooral verbreding, verrijking, bevestiging. Ik zag hoe Amsterdam
tijdens de oorlog een morele klap kreeg waarvan het zich, zoals blijkt, nooit
heeft hersteld: immoreel zijn is in 1944, het jaar van mijn novelle, de norm
geworden. Enfin, gaandeweg heb ik mij nogal op mijzelf teruggetrokken.'
In
de achttien jaar dat hij in Parijs woonde, ging hij zelfs met bijna niemand om.
'Ik
heb weinig behoefte aan gemeenschappelijke pret, waarbij komt dat de Fransen een
vreemde niet gauw in hun intieme kring toelaten. Ik had het meeste contact met
een benedenbuurman, een gepensioneerde generaal die in Afrika had gediend; ik
hoopte op spannende verhalen, maar hij had alleen achter een bureau zitten
toekijken hoe anderen op kamelen door de woestijn draafden. Sinds enige tijd
woon ik in Brussel, waar de mensen heel vriendelijk zijn. Ik ga hier alleen met
hoogvliegers om: mijn buurman is piloot bij de Sabena.
Brussel
zelf, dat in mijn jeugd een Duitse residentiestad leek, is nu erg chaotisch
geworden, alles lijkt hier mogelijk, overal is een mouw aan te passen. Corruptie
hoort vanouds tot de sociale structuur van België. Daarom komen slechte mensen
als ik hier wonen.'
Nu het land is opgedeeld, lijkt het of Vlaanderen zich toenemend afsluit: men kijkt met een scheef oog naar Nederland, de taal wordt er niet beter op...
'Op het punt van de taal zijn Vlamingen soms onredelijk, maar waarom zouden ze eerbied moeten hebben voor de Nederlanders? En al ontbreekt er veel aan hun taal, ik heb nu gemerkt dat het Frans van de Walen zo mogelijk nog slechter is. Bovendien zijn de Vlamingen erg bijdehand in het overnemen van foutieve woorden van de Nederlandse televisie, "mijn relatie naar jou toe", alsof "jegens" niet meer bestaat. En dan vit u op dat fraaie "toedeur"! Ik kom steeds sterker tot de overtuiging op een verloren post te staan, bij de verdediging van onze taal; maar zij is mijn vaderland. In dát land is geen horde mij te hoog!'
Voor
de (her)publicatie van dit interview werd toestemming verleend door
©
OVERZICHT EN LINKS NAAR INTERVIEWS MET WFH: >1950-1959< >1960-1969< >1970-1979< >1980-1989< >1990-1996<
|
|
Bezoek deze pagina's in uw eigen volgorde Plaats "WILLEM FREDERIK HERMANS" bij uw favorieten Ach, waar bemoei ik mij eigenlijk mee?
KENNISMAKEN MET WFH --- SPELLETJES MET WFH LUISTEREN NAAR WFH --- BIJSCHRIJVEN OVER WFH --- ADVERTEREN MET WFH NAAR DE FILM MET WFH --- AUTOBIOGRAFIE VAN WFH MULTATULI EN WFH --- SCHRIJFMACHINES VAN WFH TIJDSCHRIFTEN OVER WFH --- PLAATJES KIJKEN MET WFH WEINREB, EEN KWESTIE VAN WFH --- BOEKJES LEZEN MET WFH RIJMEN MET WFH --- WITTGENSTEIN EN WFH --- NAAR ZWEDEN MET WFH? AANDENKEN AAN WFH --- OP TONEEL MET WFH --- INTERVIEWS MET WFH POST VOOR WFH --- TE GAST BIJ WFH
Bij het samenstellen van deze site heb ik gepoogd bestaande rechten op tekst en afbeelding te eerbiedigen. Mocht er toch nog bezwaar zijn tegen het gebruik van materiaal, laat u dat dan onverwijld weten?
De links naar de verschillende pagina's werden voor het laatst bijgewerkt op: zaterdag 23 december 2006 |