|
het land der blinden W.F. Hermans en de affaire-Weinreb C J W Jansen
C.W.J. Jansen Heelsumstraat 114 2573 NR Den Haag cwjjansen@casema.nl 06 47486206
Doctoraalscriptie Nederlandse Taal en Cultuur Faculteit der Letteren Rijksuniversiteit Groningen Docent: dr. F.A.H. Berndsen
Utrecht, januari 2004
Ten aanzien van de vraag wat ‘waarheidslievendheid’ is, is misschien nog nooit iemand waarheidslievend genoeg geweest. –Friedrich Nietzsche
Lieg dus nooit en vergis u zo weinig mogelijk. Maar hier schuilt nu juist de grote moeilijkheid. De opwinding die onmisbaar is om meeslepend te schrijven, verhindert menig polemist eerst goed te lezen wat zijn tegenstander heeft gezegd en kan maken dat hijzelf zich op een onbegrijpelijke manier onopzettelijk aan de feiten vergrijpt. De buitenstaander zegt dan bij zichzelf: die man vecht tegen spoken, of: dat is een bedrieger. En ook al zegt iedere buitenstaander dat niet ogenblikkelijk, op den duur verschijnt er altijd een die meent er zijde bij te kunnen spinnen door dat te roepen. Soms kan het jaren duren voor het zo ver is. Mijn vader placht te zeggen: je verrader slaapt niet. Min of meer is dit zo. Soms slaapt hij, maar eenmaal wordt hij wakker. Soms moet hij nog geboren worden. Soms houdt hij ook dan zijn mond, want er bestaan leugens zo zwak, of zo onverenigbaar met elk begrip van waarheid, dat ze vergeten worden zonder ooit te zijn tegengesproken. –Willem Frederik Hermans
Al dat saaie gelijk veroudert je polemiek. –Renate Rubinstein
Inhoud Vooraf. Het land der blinden Hoofdstuk 1. Voorgeschiedenis. Van Weinreb tot Hermans 1. Weinreb’s lijsten 2. Het oordeel van de rechter en een ander oordeel van Presser
Hoofdstuk 2. Aanval. Collaboratie of verzet, 1969-1970 1. Mandarijnen op laag water 2. Fryderyk de Vrome 3. Forum te Groningen 4. Het geval-Turksma 5. Presser’s milligrammen en Bregstein’s film
Hoofdstuk 3. Intermezzo. Terwijl het RIOD onderzoekt, 1970-1976 1. Waarheidsliefde over en weer 2. Kousbroek’s beleving, Kousbroek’s kopie en Kousbroek’s spoor terug 3. Vraag me niet waarom... 4. Varianten in Van Wittgenstein tot Weinreb – een bloemlezing
Hoofdstuk 4. Glorie (I). Het RIOD-onderzoek, 1976-1979 1. Het Weinreb-rapport 2. Doorslaan, verraden, aanbrengen 3. Even geduld en daarna zwijgen 4. De chassidische bellenblazer en andere houten leeuwen
Hoofdstuk 5. Nasleep. De linkse papegaaienkooi, 1979-1983 1. Het monster in de huiskamer 2. Alles nog een keer, in NieuwsNet: ‘Wanklanken uit de Haagse Posthoorn’ 3. Nog een keer alles nog een keer, in de kwaliteitskrant 4. Knipselbureau Mandarijnenpers
Hoofdstuk 6. Glorie (II). Regina Grüter’s proefschrift, 1997 1. Een en ander over meelezer prof. dr. I. Schöffer 2. Een fantast in vogelvlucht en een brief aan Fokke Sierksma
Hoofdstuk 7. Terug bij af. René Marres’ pamfletten, 1999-2002 1. De methode van Marres 2. Bloemlezing uit de ondeugdelijkheden
Nabeschouwing. De waarheidsliefde van een scheermes 1. De geboorte van een affaire 2. De onschuld van Bep Turksma 3. De achterkant van de pollepel is een scheermes van Ockham
Vooraf Het land der blinden
In zijn brochure Weinreb. Een witboek schreef Dick Houwaart: ‘Het leven van Weinreb zal ver over zijn graf heen voor- en tegenstanders, bewonderaars en vijanden, bezig houden.’[1] Deze uitspraak mag in diverse opzichten profetisch heten. Niet alleen blijkt dat Friedrich Weinreb, overleden in 1988, inderdaad zo nu en dan de gemoederen nog steeds bezighoudt, maar ook en vooral blijkt dat niemand zich met Weinreb bemoeit zonder voor- of tegenstander, bewonderaar of vijand te zijn. Daarom mag ook de titel die deel 1 van Weinreb’s memoires draagt, Het land der blinden, met recht profetisch genoemd worden. De affaire-Weinreb speelt zich af in het land der blinden, en voor zover dat niet het geval is, zetten deelnemers aan het debat uit eigen beweging wel oogkleppen op, ook nu nog. Weinreb, auteur van de thans vrijwel vergeten trilogie Collaboratie en verzet (1969), werd na de Tweede Wereldoorlog vervolgd voor zijn gedrag tijdens de bezetting. De justitie achtte bewezen dat hij zich aan oplichting en verraad – overigens zonder ernstige gevolgen – schuldig had gemaakt. Weinreb werd in hoogste instantie veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf, waarvan hij er drieëneenhalf uitzat. Hier en daar gingen stemmen op, dat de rechterlijke macht met dit vonnis gedwaald had. Geruchtmakend werd deze kwestie, toen de historicus Jacques Presser in zijn bestseller Ondergang (1965) het oordeel van de justitie in buitengewoon scherpe bewoordingen aanvocht. Destijds heette Presser’s boek gezaghebbend en diverse publicisten drongen, onder verwijzing naar Ondergang, aan op revisie van het vonnis. Tegelijkertijd moedigde Renate Rubinstein Weinreb aan zijn memoires op schrift te stellen. Maar de teboekgestelde belevenissen van Weinreb, gevolgd door een omvangrijke kritiek van Aad Nuis op de procesgang, leidden geenszins tot het gewenste resultaat. Omdat noch in Collaboratie en verzet, noch in Ondergang, noch ergens anders nieuwe feiten of omstandigheden werden geopenbaard, kon van revisie geen sprake zijn. Bovendien wekten Weinreb’s herinneringen, waarin hij zelf een glansrijke rol speelde, maar waarin talloze anderen met ‘ongefundeerd venijn’[2] werden overgoten, naast bewondering ook weerstand. De voor- en tegenstanders, bewonderaars en vijanden begonnen om het hardst te roepen wat volgens hun de waarheid over Weinreb was. Renate Rubinstein, redactrice van Weinreb’s herinneringen, kwam in een ijzige wind van fanatieke haat en abjecte roddelzucht te staan, vertelde zij de lezers van Vrij Nederland. Presser liet weten te twijfelen aan het waarheidsgehalte van Collaboratie en verzet, maar van de waarachtigheid bleef hij overtuigd tot zijn laatste snik. Het Nieuw Israëlitisch Weekblad liet bij monde van J. Reijzer weten dat Weinreb een volkomen gedepraveerde man was, Aad Nuis bezwoer de lezers van De Tijd dat Weinreb onder de moeilijkst denkbare omstandigheden het leven van vele honderden joden had gered. Eelke de Jong onthulde in de Haagse Post dat Weinreb, gewapend met pincet en injectiespuit, op diverse joodse dames curieuze medische experimenten had verricht. Weinreb zelf verklaarde in de Winschoter Courant de publicatie van zijn memoires inmiddels te betreuren en op rechtsherstel geen prijs te stellen. Het krakeel was al maanden aan de gang en het RIOD had al van overheidswege opdracht gekregen de kwestie uit te zoeken, toen W.F. Hermans in een interview liet weten zich aan Weinreb en zijn memoires te ergeren. Die ergernis heeft geresulteerd in ongeveer dertig beschouwingen, ingezonden brieven en naschriften, in een keur aan periodieken, tussen 1970 en 1983. Voor het overgrote deel zijn deze publicaties opgenomen in de bundels Van Wittgenstein tot Weinreb (1970), Houten leeuwen en leeuwen van goud (1979) en Mandarijnen op zwavelzuur, supplement (1983). De hardnekkigheid waarmee Hermans zijn opstellen over Weinreb deed verschijnen en het buitenissige verbale geweld dat in die opstellen betracht werd doen vermoeden dat die ergernis niet beperkt bleef tot een onwelgevallig boek. Het valt zelfs te betwijfelen of Weinreb’s memoires, behalve als directe aanleiding, wat Hermans betreft een rol van enige betekenis speelden in het debat. Hoewel in dit werkstuk blijken zal, dat Hermans zich vermoedelijk uit literaire overwegingen in de affaire-Weinreb gemengd heeft, blijkt uit niets dat hij zich na het publiceren van de herziene, definitieve druk van Van Wittgenstein tot Weinreb in 1971 nog veel aan Collaboratie en verzet gelegen liet liggen. Het werden gaandeweg heel andere onderwerpen die voor het voetlicht gebracht werden: de ‘linkse papegaaienkooi’, de vermeende laster die over Bep Turksma, figurant in Weinreb’s memoires, werd uitgestort en de ‘doelbewuste leugens’ van de ‘perfide pennevoerders’ Nuis en Rubinstein. Dit roept de vraag op, hoe een en ander zich verhoudt tot de eigenlijke affaire-Weinreb. In dit werkstuk wordt dan ook ontrafeld, hoe Hermans over Weinreb oordeelde, wat hem tot dit oordeel gebracht heeft en op welke manier Hermans’ verachting van Nuis en Rubinstein in verband staat met zijn indrukken van Weinreb.
Anders dan in andere beschouwingen over de affaire-Weinreb wordt in dit werkstuk de vraag of Weinreb schuldig was aan oplichting, verraad, bedrog en wat dies meer zij niet beantwoord. De vraag wordt niet eens gesteld. Er bestaan studies waarin tegelijkertijd gepoogd wordt het aandeel van Hermans in de affaire-Weinreb te beoordelen en de schuld of juist de onschuld van Weinreb te bewijzen. Een studie van de eerste soort is Regina Grüter’s proefschrift Een fantast schrijft geschiedenis (1997); René Marres verzorgde er een van de andere soort met de opstellenbundel Over Willem Frederik Hermans, de geschiedkunde en het fenomeen Friedrich Weinreb (1999). Hoe Grüter en Marres tot tegengestelde visies op Weinreb gekomen zijn, is hier niet aan de orde, maar van belang is dat zij, door over Weinreb het laatste woord te willen hebben, principieel onbetrouwbaar zijn in hun beoordeling van Hermans. Marres beschouwt Weinreb als onschuldig en om die opvatting te kunnen handhaven was het nu eenmaal noodzakelijk aan te tonen dat Hermans een onjuiste voorstelling van zaken gegeven heeft. Grüter op haar beurt had er geen enkel belang bij Hermans’ oordeel kritisch te beschouwen. Beiden blijken aan hun vooringenomenheid geen of onvoldoende weerstand geboden te hebben. Het kennelijke streven over Weinreb te vertellen wat zij voor juist houden, heeft geleid tot een meer of minder verminkte weergave van Hermans’ teksten. Beider conclusies wat Hermans betreft zijn te eenzijdig. De inventarisatie van Hermans’ bijdragen aan de Weinreb-discussie in dit werkstuk is niet stiekem dienstbaar aan een oordeel over Weinreb. In dit overzicht wordt niets verdisconteerd omdat het afbreuk kan doen aan een gewenste uitkomst. Ook niet om andere redenen, trouwens. Om integendeel zo volledig mogelijk te zijn, is gebruik gemaakt van de oorspronkelijke tijdschriftpublicaties en pas in tweede instantie van de in boekvorm uitgegeven versies. Dit vooral omdat niet alle verspreide publicaties achteraf gebundeld zijn, maar bovendien blijken in de gebundelde opstellen, soms ingrijpende, wijzigingen ten opzichte van de tijdschriftpublicaties voor te komen. Deze varianten geven af en toe een verhelderende kijk op Hermans’ pogingen de consistentie van zijn betoog te waarborgen en de lezer zijn waarheid onontkoombaar op te dringen.
Over de titel van het eerste deel van Weinreb’s memoires, Het land der blinden, zijn nogal wat grapjes gemaakt. ‘Z’n aanhang meent klaarblijkelijk dat iedereen in dat land voor altijd en eeuwig blind moet blijven. Grote razernij ontstaat, wanneer je weigert met je ogen in je zak te lopen’, schreef Hermans.[3] Han van Dijken, auteur van de verzetsroman Wachten op de morgen (1969), voelde zich zwaar belasterd door Weinreb’s memoires en schreef prompt een tweede manuscript, waarin een aantal voor Weinreb bezwarende passages, onder de titel Koning Eenoog. (’t Bleef overigens ongepubliceerd, maar is te bewonderen op het NIOD.) Voor- of tegenstander, bewonderaar of vijand, iedereen is het erover eens dat de affaire-Weinreb een complexe kwestie is. Daarom: wie zich ook allemaal de afgelopen decennia in Het land der blinden koning gewaand mogen hebben, in een land van duisternis en dichte mist loopt ook koning eenoog op de tast. Dit werkstuk is niet meer dan een zaklamp, waarmee de achtergebleven voetafdrukken teruggevonden kunnen worden. Hoofdstuk 1 Voorgeschiedenis. Van Weinreb tot Hermans
1. Weinreb’s lijsten
De discussie rondom F. Weinreb (1910-1988) is nog altijd niet verstomd, maar wordt integendeel de laatste jaren geregeld nieuw leven ingeblazen. Het heeft er alle schijn van, dat de activiteiten van de Scheveningse econoom onder de Duitse bezetting nog altijd geen definitieve interpretatie kunnen krijgen. Was Weinreb een collaborateur? Een verrader? Een verzetsheld? Het antwoord op deze, op het eerste gezicht eenvoudige, vragen zal vermoedelijk altijd speculatief blijven en de reconstructie van Weinreb’s levenswandel wordt, uiteraard, met het verstrijken van de jaren steeds moeilijker, zo niet onmogelijk. Vrijwel alle getuigen liggen inmiddels immers op het kerkhof, en trouwens, ook toen ze daar dertig jaar geleden nog niet lagen was de betrouwbaarheid van hun geheugen al geen vanzelfsprekendheid meer. De betrouwbaarheid van de getuigen was zelfs direct na de oorlog al omstreden. Wie was Fryderyk Weinreb en waaruit bestaat de ‘Weinreb-discussie’? Zoveel er onzeker is over het handelen van Weinreb tijdens de Tweede Wereldoorlog, zoveel ook is er zeker, want alle discussie over Weinreb spitst zich toe op verschillende lezingen van feitelijke, vaststaande gebeurtenissen. Historische feiten uit Weinreb’s leven kunnen vrijwel steeds aangegrepen worden zowel om zijn goede, als zijn kwade trouw te suggereren. Weinreb was een Oost-Duitse jood, geboren in Lemberg en in 1916 aangekomen in Scheveningen, ‘waar tussen de beide wereldoorlogen een Oost-joodse kolonie van enkele honderden zielen bestond’.[4] Zonder moeite behaalde hij zijn h.b.s.-diploma en in 1938 legde hij met succes het doctoraal examen af aan de Nederlandse Handelshogeschool te Rotterdam. Aan zijn intelligentie wordt in geen enkele bron getwijfeld. In 1931 stierven, kort na elkaar, Weinreb’s beide ouders. Om zijn studie te kunnen blijven bekostigen, trad hij per 1 januari 1932 als juniormedewerker in dienst bij het Nederlands Economisch Instituut. In het begin van de oorlog werd Weinreb, als andere joden, ontslagen. Toch kon hij tot november 1941 legaal in dienst blijven ‘doordat het hier een Instituut betrof’.[5] Tot juli 1942 bleef hij overigens clandestien werkzaam aan hetzelfde instituut. Nadat hij officieel niet meer aan het nei verbonden was, begon Weinreb andere activiteiten te ontplooien. Eind 1941 of begin 1942 – er is weinig zekerheid over een precieze aanvangsdatum[6] – vertelt Weinreb aan een handvol kennissen dat hij in staat is een legale emigratie te organiseren. Dit – gefantaseerde – verhaal wordt zeer snel uitgebreider en gedetailleerder: eerst zou alleen Weinreb zelf met zijn gezin kunnen emigreren; later werd dat een groep van dertig personen en nog later zouden dertig gezinnen in aanmerking komen. Belangstellenden konden zich tegen betaling van f 100 laten inschrijven op een lijst die bekend is komen te staan als de eerste Weinreb-lijst. Om de Weinreb-lijst geloofwaardig te maken en te houden, verzon Weinreb een vriendschap met de (bestaande) NSB’er T. Goedewaagen, secretaris-generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten, die het emigratieplan zou steunen. Op een niet te achterhalen datum neemt Weinreb’s vindingrijkheid toe: hij beweert bevriend te zijn met een (niet-bestaande) generaal van de Wehrmacht, Generalleutnant Dr. Herbert Joachim von Schumann. Deze gefingeerde generaal, een econoom die zich op joodse aangelegenheden had toegelegd, zou Weinreb erkentelijk zijn voor zijn hulp buitenlandse deviezen van joden naar Duitsland te laten vloeien in ruil voor emigratie. Als tegenprestatie voor deze hulp zou Weinreb zelf met zijn gezin vrij mogen emigreren; ook zou hij ongeveer dertig andere personen gebruik kunnen laten maken van de zogenaamde ‘deviezen-emigratie’.[7] Nadat de eerste joden in Den Haag werden opgeroepen voor werkkampen in Nederland, in juni 1942[8], nam de belangstelling voor Weinreb’s lijst in hoog tempo toe. De dertig plaatsen werden in driehonderd veranderd. Voor joden die aan de waarschijnlijkheid van het emigratieverhaal zouden kunnen twijfelen, had Weinreb een brief vervaardigd in imponerend ambtelijk Duits, getypt op papier met een officieel ogend briefhoofd. Dit briefpapier had Weinreb laten vervaardigen door de Haagse drukker Daniël Wolff, die hij ervan wist te overtuigen dat hij het briefpapier nodig had om joden voor arrestatie te vrijwaren.[9] Bovendien ging Weinreb er vanaf mei 1942 toe over samen met een niet geheel bevoegde, want nog niet afgestudeerde, arts zijn lijstdeelnemers medisch te keuren. Met zijn eerste lijst verwierf Weinreb buitengewoon grote bekendheid, vermoedelijk niet in de laatste plaats doordat hij al voor de oorlog een gezien man was in de eerder genoemde joodse kolonie van Scheveningen. Hij was hoogopgeleid, had een respectabele functie aan het nei en ‘hij had er een handje van de realiteit omtrent zijn werkkring, (zakelijke) relaties en vroomheid zowel voor zichzelf als voor zijn omgeving aanmerkelijk te verfraaien. Mede als gevolg hiervan zagen velen tegen hem op.’ [10] Weinreb’s verhaal bleek zo geloofwaardig dat ook driehonderd plaatsen op zijn lijst bij lange na niet voldoende waren. Met reserveplaatsen – ook hiervoor moest in principe hetzelfde inschrijfgeld betaald worden – probeerde hij belangstellenden toch enigszins gerust te stellen. Volgens het Weinreb-rapport heeft deze constructie geleid tot een totaal aantal inschrijvingen van ongeveer 4 000, waarbij Weinreb zo’n f 375 000 aan inschrijfgelden ontvangen zou hebben.[11] Zelf is Weinreb overigens weinig mededeelzaam over de bedragen die zijn lijst hem opgebracht heeft. Geen van de ingeschrevenen heeft dankzij Weinreb het land kunnen verlaten. De drie treinen die hen naar Zwitserland of Portugal zouden brengen, zijn nooit vertrokken en Weinreb heeft steeds geweten dat ze ook nooit vertrokken konden. Zijn bedoeling was uitstel van deportatie te krijgen voor zijn lijstdeelnemers, in de hoop dat de bevrijding eerder komen zou dan het besef van Duitse instanties dat ze in het ootje genomen werden.[12] Joden die zich op zijn lijst hadden ingeschreven, ondertussen, doken soms, gerustgesteld door het emigratieplan, niet onder of lieten zich zonder zich veel zorgen te maken naar Westerbork vervoeren. Van daaruit zouden zij immers, dankzij hun ‘Weinreb-sperre’, toch niet naar Polen gedeporteerd worden.
Op 11 september 1942 wordt Weinreb gearresteerd op last van Fritz Koch, als rechercheur verbonden aan Judenreferat IV B 4. Deze instelling was belast met alle aspecten van ‘het jodenvraagstuk’. Verklaringen over de reden van deze arrestatie verschillen; volgens Koch betrof het ‘een onderzoek naar Weinrebs lijstactiviteiten naar aanleiding van de verklaringen van enkele joodse arrestanten, die daarover hadden gesproken’.[13] Weinreb zelf beweert in 1969 dat een joodse onderduikster, Bep Turksma, op 10 september door Koch gearresteerd, zijn naam genoemd heeft in verband met valse papieren die hij haar verschaft zou hebben, evenals een onderduikadres.[14] Deze versie van Weinreb werd, zodra hij haar ter ore kwam, door Turksma resoluut van de hand gewezen, tot in de rechtszaal aan toe, en is aanleiding geweest voor een buitengewoon fel debat in een groot aantal periodieken. Wanneer Turksma inderdaad Weinreb’s naam niet genoemd heeft tijdens haar verhoren, dan heeft Weinreb deze aanleiding verzonnen – al dan niet samen met of op aanraden van Koch. Het Turksma-verhaal kan een eigenaardig licht werpen op de mededelingen, die Weinreb tijdens zijn driedaagse gevangenschap in Villa ‘Windekind’ aan Koch gedaan zou hebben. Weinreb namelijk verklaarde ook aan Koch in contact te staan met Generalleutnant Von Schumann, en ook Koch geloofde dit verhaal. Nieuwsgierig en achterdochtig geworden, zag hij Von Schumann aan voor een oplichter en Weinreb voor een gedupeerde – via Weinreb wilde hij, logisch, Von Schumann op het spoor komen. Weinreb zegde toe zich hiermee wel bezig te willen houden, maar dat zou hem, uiteraard, het gemakkelijkst afgaan als hij intussen zijn lijstactiviteiten zou kunnen voortzetten. Koch liet hem hiermee zijn gang gaan. De kwade suggestie die hieruit spreekt, is dat Weinreb – al dan niet in overleg met Koch – voor de publieke opinie de aanleiding van zijn arrestatie verlegd zou kunnen hebben van zijn lijstactiviteiten naar het verstrekken van concrete hulp aan een onderduikster, om vooral niet de indruk te wekken bij potentiële deelnemers dat er iets niet in orde was met zijn emigratielijst, en om te tonen hoe goed zijn bedoelingen waren. Als het al zo gegaan is, heeft het in elk geval zijn uitwerking niet gemist: uit getuigenverklaringen blijkt dat het vertrouwen in de Weinreb-lijst nooit zo groot was geweest als juist na zijn vrijlating.[15] Want als zelfs de SD met Weinreb’s plannen akkoord ging, kon er toch werkelijk niets mis mee wezen. Weinreb bleef zodoende veel mensen bijschrijven op zijn lijst. Of Weinreb in deze periode ook diensten aan Koch bewezen heeft, is dermate omstreden dat het niet gepast is er in dit inleidende hoofdstuk anders melding van te maken, dan dat er na de oorlog veel commotie geweest is over mogelijke verraadzaken gedurende de vier maanden na 14 september waarin Weinreb zich dagelijks melden moest bij Koch. Voor vier gevallen is hij veroordeeld in 1947 en 1948, maar dat betrof betrekkelijk onschuldige gevallen, waarbij geen dodelijke slachtoffers te betreuren waren.
Op 8 januari verliest de Weinreb-lijst haar waarde in Westerbork. Het Weinreb-rapport geeft drie mogelijke oorzaken voor dit platzen. De eerste is, dat geallieerde regeringen sinds 24 november 1942 deviezenemigratie beschouwden als financiële hulp aan het vijandelijke Duitsland, en zulk handelen daarom wettelijk verboden. Omdat dergelijke transacties niet meer toegestaan werden, had het voor geen Nazi nog zin Sperren op basis van emigratiemogelijkheden te blijven erkennen. Een tweede verklaring zou kunnen zijn, dat Weinreb’s bedrog doorzien zou zijn door de Sicherheitspolizei. Maar de meest aannemelijke reden lijkt toch te zijn, dat er simpelweg een te hoog aantal gesperrten in Westerbork verbleef: vijf- tot zeshonderd.[16] Wat de oorzaak ook geweest moge zijn, de lijst bood geen bescherming meer en wie in de tijd dat dat nog wel het geval was geen andere Sperre had weten te bemachtigen, werd gedeporteerd als ieder ander. Volgens de notulen van de Joodsche Raad werden al op 11 januari 123 joden, die op Weinreb’s lijst ingetekend hadden, doorgezonden.[17] Enkele dagen later, op 19 januari, wordt Weinreb zelf wederom gearresteerd. Om Koch een tastbaar resultaat te kunnen bieden van zijn speurtocht naar Von Schumann, had Weinreb eind 1942 een kleine crimineel, H.G. Kotte, ingehuurd. Deze zou zich voor een bedrag van f 10 500 laten arresteren door Koch en zich daarbij voordoen als een koerier van Von Schumann, genaamd Six. Zo gezegd, zo gedaan. Maar alle instructies van Weinreb ten spijt, viel Kotte – gearresteerd op 28 december – begin januari door de mand. Hij onthulde te zijn ingehuurd door Weinreb, dat Von Schumann niet bestond en dat de hele Weinreb-lijst op niets gebaseerd was. Zo goed was Fritz Koch nog niet op de hoogte. Na een nacht in de kelders van Villa ‘Windekind’ doorgebracht te hebben, werd Weinreb op 20 januari ingeschreven in de Polizeigefängnis Scheveningen. Daar verbleef hij tot 13 mei; vervolgens werd hij als strafgeval overgebracht naar Westerbork, waar zijn vrouw en kinderen al sinds januari verbleven. Het zag er, met andere woorden, zeer ongunstig uit voor Weinreb – net als voor allen die geloofden met zijn hulp te kunnen emigreren. Maar Weinreb werd onmiddellijk opgenomen in het kampziekenhuis, mishandeld als hij tijdens zijn verhoren in Scheveningen was. Hij kon daarom voorlopig niet op transport gesteld worden, en dankzij de Familienzusammenführung zijn gezin ook niet. Een uitstel dat afstel werd, toen Weinreb op 28 juni door een Nederlandse medewerker van Koch, Bolland, weer naar Scheveningen gehaald werd. Zijn vrouw en kinderen bleven in Westerbork achter. Bolland was al betrokken geweest bij het onderzoek naar Weinreb’s activiteiten na diens arrestatie van 19 januari. In april vertrok hij naar het Italiaanse front, waarna Weinreb naar Westerbork gevoerd werd. Maar al snel viel Bolland uit de toren van een tank, kwam gewond terug en besloot zich uit verveling weer met Weinreb bezig te houden.[18] Het vertrouwen dat Weinreb genoot van, veelal vermogende, joden kon de SD wel eens goed van pas komen, niet alleen financieel, maar ook bij hun opsporing. En zo kreeg Weinreb toestemming opnieuw onder bescherming van de door hem bedrogen Koch, een lijst aan te leggen: de tweede Weinreb-lijst. Inschrijfgelden moesten dit keer afgedragen worden aan de SD. Weinreb’s Sperre was officieel en leek een poos te werken. Weinreb werd goed verzorgd. Op 18 juli schrijft hij zijn vrouw hoe goed: witbrood, gekookte aardappelen, groenten, jus en saus, het ‘is in totaal zoveel, dat ik het haast niet op kan.’[19] Ook werden op 24 november zijn vrouw en kinderen vrijgelaten uit Westerbork. Zo’n goede verzorging heeft, later, de indruk gewekt dat Weinreb misschien nog wel wat meer diensten bewezen heeft aan de SD dan alleen de afdracht van de inschrijfgelden voor zijn tweede lijst. De bedoeling van Koch en Bolland was in elk geval duidelijk: steeds werden bij Weinreb mannen in de cel geplaatst die een rol speelden in belangrijke onderzoekszaken van Koch.[20] Of er daadwerkelijk sprake is geweest van celspionage moet hier in het midden gelaten worden, omdat er weliswaar in dat verband tegen Weinreb getuigd is, maar de betrouwbaarheid van die getuigen omstreden is. Feit is in elk geval, dat Weinreb zo’n 900 nieuwe lijstdeelnemers inschreef, dat zijn lijst Koch weinig of geen adressen van ondergedoken joden opleverde en dat er in Westerbork een officiële Sperre gold voor de tweede lijst – althans, tot 3 februari 1944. De oorzaak van het platzen van de tweede Weinreb-lijst is niet met volstrekte zekerheid vastgesteld. Vermoedelijk eenvoudigweg omdat men moeite ondervond de treinen vol te krijgen.[21] Weinreb’s positie als Vertrauensmann was onhoudbaar geworden; nu de tweede lijst haar waarde verloren had, kon Weinreb niet meer rekenen op vertrouwen van al dan niet ondergedoken joden. Koch en Bolland konden hem dus nergens meer voor gebruiken, wat zoveel betekende als dat niemand hem nog voor deportatie behoeden zou willen. Op 7 februari[22] dook Weinreb dan ook onder. Op dezelfde dag zond Radio Oranje een bericht uit tegen geruchten dat joden aanmerking konden komen voor een uitwisseling tegen Duitsers in Australië en andere geallieerde landen. Weinreb’s naam werd niet genoemd, anders dan in het illegale Signalementenblad van augustus 1944, waarin wordt gewaarschuwd voor de lijsten van Weinreb, die doorgespeeld zouden worden aan de Gestapo.[23] Maar Weinreb is dan al een half jaar spoorloos en zal dat tot de bevrijding blijven.
2. Het oordeel van de rechter en een ander oordeel van Jacques Presser
Spoedig na de bevrijding in mei 1945 verlaat Weinreb zijn onderduikadres in Ede. Naar zijn eigen zeggen wil hij aan bevoegde instanties zijn ervaringen mededelen: het lijstbedrog, de verzonnen generaal Von Schumann, zijn contacten met de SD. In eerste instantie vervoegt hij zich bij de Canadese militaire autoriteiten, waar hij met zijn verhaal maar weinig interesse weet te wekken. Met de belofte de volgende dag een schriftelijk verslag te brengen, vertrekt Weinreb weer. Dat verslag schrijft hij ten huize van mr. I.E. Hes, waar hij de nacht doorbrengt. Deze advocaat had hij tijdens de oorlog leren kennen, maar van een speciale band was geen sprake.[24] Nadat Weinreb zijn eerste, vluchtige, notities over Von Schumann bij de Canadese staf gedeponeerd heeft, wordt het tijd weer naar Ede terug te keren; zijn vrouw verwacht eerdaags een kind. Een kennis, A.R. van der Vlugt, weet vervoer: er vertrekt die middag een auto van de Binnenlandse Strijdkrachten naar Arnhem en voor Weinreb is nog wel een plaatsje vrij. ‘Er is daar trouwens nog een man die je spreken wil, een commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten,’ voegt Van der Vlugt daaraan toe.[25] De commandant die hem spreken wil, is mr. J.C. van Heukelom en hij wil Weinreb veel uitgebreider spreken dan deze verwacht: Weinreb wordt gearresteerd en zal de eerstkomende drieëneenhalf jaar niet op vrije voeten komen. Wat werd Weinreb ten laste gelegd? Nogal wat, zoals blijkt uit de twee vonnissen die in de nabeschouwing van Collaboratie en verzet zijn opgenomen. Kort samengevat: oplichting, celspionage en verraad. De eerste en tweede Weinreb-lijst golden als oplichting, daar Weinreb ‘gedurende den tijd van voormelden oorlog opzettelijk gebruik heeft gemaakt van gelegenheid en middelen, hem door het feit der vijandelijke bezetting en door den vijand geboden om anderen in hun vermogen wederrechtelijk te benadeelen en zich en anderen wederrechtelijk te bevoordeelen.’[26] –Onder ‘anderen’ moeten hier niet alleen hulpbehoevende onderduikers verstaan worden, maar ook en vooral de SD. Wat betreft celspionage en verraad worden enkele specifieke gevallen beschreven, die hier de moeite van het vermelden niet waard zijn. Trouwens, van celspionage werd Weinreb vrijgesproken en de verraadzaken die bewezen werden geacht, hadden geen ernstige gevolgen gehad en waren daarom op de strafmaat van weinig invloed. Deze strafmaat luidde bij het Bijzonder Gerechtshof 3½ jaar, later, door de Bijzondere Raad van Cassatie verhoogd tot 6 jaar. Bovendien werd Weinreb het kiesrecht en het recht zich verkiesbaar te stellen voor het leven ontzegd. Na aftrek van voorarrest en bovendien dankzij jubileumgratie ter gelegenheid van Wilhelmina’s vijftigjarige regeringsjubileum, kwam Weinreb op 11 december 1948 – na drie jaar, zes maanden en zeven dagen – vrij.
Het proces van Weinreb trekt niet bijzonder veel aandacht. Er verschijnen wel een aantal grote, tendentieuze koppen in diverse kranten, maar werkelijk geruchtmakend wordt de zaak pas wanneer Presser’s Ondergang in 1965 verschijnt. In het tweede deel van dit geschiedeniswerk is een kort hoofdstuk gewijd aan Weinreb, waarin vooral één passage veel stof deed opwaaien: ‘Welnu: de Jood Weinreb is de zondebok geworden, heeft voor het tekortschieten van talloze niet-Joden geboet. Hij moest gefaald hebben, óók gefaald, omdat zij gefaald hadden. Niet alleen zij hadden hun plicht verzaakt, ook hij. Als er geen Joodse verraders waren, moest men ze uitvinden. De paar die men in na de oorlog berechtte, betekenden te weinig. Hier nu was er een van het formaat dat voldeed.’[27] Het bleek een explosieve, overigens op weinig meer dan persoonlijke overtuiging gebaseerde, interpretatie van de werkelijkheid. In de Eerste Kamer werden vragen gesteld: was het niet nodig, naar aanleiding van dit boek dat gezaghebbend heette, het vonnis uit 1948 te herzien? –Niet in de ogen van de toenmalige minister van Justitie: zo’n herziening vereist een novum, niet alleen maar een afwijkende interpretatie op basis van bekende feiten. Niet alleen in de politiek riep Presser’s Ondergang vragen op, ook Renate Rubinstein raakte geïnteresseerd voor dit onderwerp van haar voormalige geschiedenisleraar. Zozeer geïnteresseerd zelfs, dat zij bij Weinreb op bezoek ging; bezoek dat leidde tot de driedelige memoires Collaboratie en verzet, onder redactie van Renate Rubinstein en met een voorwoord van prof. dr. J. Presser. Zij was het, die Weinreb overhaalde zijn herinneringen – voor zover hij dat nog niet gedaan had – op schrift te stellen. Vervolgens redigeerde zij ze, dat wil zeggen: haar ‘aandeel in dit werk bestond voornamelijk uit inkorting van het manuscript en hier en daar wat modernisering van de stijl’.[28] Voorts verzorgde zij een hoofdstukindeling en bepaalde zij de pseudoniemen, evenals wiens naam wel, en wiens naam niet door een pseudoniem vervangen werd. De eerder genoemde Bep Turksma komt onder haar eigen naam voor in de trilogie, een keuze van Rubinstein die zeer ongunstig voor haar uitpakte. Wanneer zij Turksma’s naam vervangen zou hebben door een pseudoniem, dan had zij zich vermoedelijk veel commotie kunnen besparen. In mei 1969 verscheen het eerste deel van Collaboratie en verzet, en niet lang daarna ontstond inderdaad groot rumoer.
In maart 1970 mengt W.F. Hermans zich publiekelijk in het debat. Al eerder, in oktober van het jaar daarvoor, was er een briefwisseling tussen Rubinstein en Hermans op gang gekomen, waarin Hermans zich geïnteresseerd toonde in de memoires en de discussie waarvan deze aanleiding waren. Op 11 oktober schreef hij, na zijn – toen nog – gunstige oordeel over Weinreb’s eerste deel gegeven te hebben: ‘Hoe is het eigenlijk afgelopen met die aanklacht van die juffrouw die volgens Weinreb in de bioscoop gepakt werd en daardoor aanleiding dat Weinreb bij Fischer[29] door de mand viel, terwijl die juffrouw zelf beweert dat ze niet in een bioscoop is gearresteerd en bovendien Weinreb helemaal niet kende? Wordt dit in de volgende delen uit de doeken gedaan?’ Die juffrouw was uiteraard Bep Turksma, die toen al een strafklacht had proberen in te dienen tegen Weinreb. In haar antwoord sprak Rubinstein haar vermoeden uit, dat Turksma’s klacht geseponeerd zou worden – wat inderdaad gebeurde – en zij beweerde dat Turksma ‘meteen na de oorlog verhoord is bij het uitzoeken van de zaak-Weinreb, – Koch en Holman (Bolland) hadden haar als de schakel bij het ontdekken van Weinreb genoemd – en dat dit verhoor de lezing van W. bevestigde en zich nu in het dossier bevindt’.[30] Dat Turksma meteen na de oorlog verhoord zou zijn, ontkende zij zelf ten stelligste en dat het verslag van zo’n verhoor zich ‘in het dossier’ bevindt of bevond, is niet waar. Onwaarheid die, eenmaal door Hermans ontmaskerd, het vervolg van de discussie gedomineerd heeft. Het lijkt erop dat het deze bewering van Rubinstein geweest is, die, eenmaal als onjuist doorzien, Hermans definitief tot hardnekkig bestrijder van Weinreb en diens sympathisanten maakte. Dit is in elk geval de voorstelling van zaken, zoals Hermans zelf die achteraf altijd gegeven heeft. Maar, al domineerde ‘het geval-Turksma’ al spoedig in het debat waartoe Weinreb’s memoires leidden, aanleiding is het niet geweest. Hoe Hermans wél, geleidelijk aan, het strijdtoneel betrad en daarin al snel een prominente positie opeiste, is onderwerp van hoofdstuk 2. Hoofdstuk 2 Aanval. Collaboratie of verzet, 1969-1970
1. Mandarijnen op laag water
Ogenschijnlijk mengt W.F. Hermans zich op 4 maart 1970 in de discussie rond Fryderyk Weinreb. Deze discussie is dan ten minste negen maanden oud, want al in Vrij Nederland van 7 juni 1969 verzucht Tamar[31]: ‘Misschien hebt u wel gemerkt dat deze mikroskopische schreefloze lettertjes een poosje lang in ons blad ontbraken. Dat komt door de publicatie van het eerste deel van de memoires van F. Weinreb. Daardoor ben ik namelijk even in de tocht komen te staan van zo’n ijzige wind van fanatieke haat en abjecte roddelzucht, dat het mij tijdelijk (maar niet lang meer hoor) de adem beneemt.’ Wanneer Hermans in de Haagse Post zijn eerste artikel over Weinreb, ‘Koning Holleweinreb: Fryderyk de Vrome’, plaatst, kan dat verschillende vragen oproepen. Waarom?, bijvoorbeeld, of: Waarom juist toen? Of: Waarom toen pas? Van stonde af aan te bekijken wat Hermans’ indrukken van Weinreb en diens proza waren, en hoe die indrukken in de loop der tijd onder woorden gebracht werden, geeft inzicht in de ontwikkeling en aard van de agressie die Weinreb en zijn pleitbezorgers in Hermans opwekten, en wellicht schuilt daarin ook het antwoord op die vragen. De manier waarop, blijkens de verschillende aan Weinreb gewijde artikelen, Hermans zich over de kwestie uitliet en welke middelen daarbij ingezet werden is op tamelijk inzichtelijke wijze te reconstrueren. Daar komt nog bij, dat van de wijze waarop en de middelen waarmee Hermans zich uitdrukte, bepaald kan worden of deze in overeenstemming zijn met het materiaal dat hem ter beschikking stond. Immers, door Hermans’ talrijke bronvermeldingen te volgen is een – zij het niet noodzakelijk volledig – corpus teksten samen te stellen waarop de schrijver zich gebaseerd heeft. Een terzijde: ook al zijn des schrijvers motieven zich in het debat te mengen niet direct onderwerp, ze worden dat wel wanneer Hermans zich op nobele motieven beroept die op basis van andere teksten uitgesloten moeten worden. In zo’n geval is er per slot van rekening geen sprake van een motief, maar van een retorisch middel.
In mei 1969 verscheen het eerste deel van Collaboratie en verzet, onder de titel Het land der blinden. Het tweede en derde deel volgden in november van hetzelfde jaar. Op 11 oktober schreef Hermans nog opgewekt aan Rubinstein: ‘Deel I heb ik in één adem uitgelezen. Het beeld dat hij van de jodenvervolging tijdens de bezetting geeft en de wijze waarop allerlei autoriteiten, zowel Duitse als Nederlandse op dit fenomeen reageerden, maakt een zeer realistische en overtuigende indruk op me.’[32] Over de beide andere delen is Hermans opvallend terughoudender. Al op 6 december laat hij Sybren de Groot, redacteur van De Gids, desgevraagd weten zich niet te willen wagen aan een bespreking van Weinreb’s herinneringen. In zijn afwijzende brief noemt Hermans het eerste deel zuinigjes ‘wel leesbaar, de twee volgende grotendeels niet’.[33] Overigens is Hermans soms slordig met dateringen; dat de genoemde datum correct is, zal een aanname moeten blijven.[34] In de eerste Haagse Post-publicatie wordt een vergelijkbaar oordeel scherper geformuleerd: ‘Hoewel het proza algeheel met de behangerskwast is geschreven, kan men de historie van de ‘eerste lijst’ nog wel verteren. (...) Heel wat minder interessant is de geschiedenis van de tweede Weinreblijst.’ Van een rigoureuze volte face, die Aad Nuis en Renate Rubinstein meenden te kunnen constateren, is dan ook niet zonder meer sprake. In januari 1971 stelt Rudy Kousbroek het genuanceerder als ‘ontkom ik niet aan de indruk dat hij om zo te zeggen het gemiddelde omlaag probeert te krijgen door deel twee en drie buitensporig slecht te noemen, en tegelijk van zijn oordeel over deel een (...) zoveel terug te nemen als mogelijk zonder dat het te gek wordt’.[35] Hierop lijkt weinig aan te merken. Zelfs voegt Kousbroek, al wil hij in zijn artikel een lans breken voor de kwaliteit van Collaboratie en verzet, de bekentenis toe: ‘Nu is ook in mijn oog deel 1 beter dan de volgende, wat irriteert is de toenemende ruimte die wordt besteed aan een soort rovertje spelen, en het steeds fantastischer worden van Weinrebs heldendaden.’[36]
De eerste keer dat Hermans zich in het openbaar over Weinreb uitlaat is in een interview met Ischa Meijer. Op 7 februari 1970 verschijnt dit gesprek in Het Parool; halverwege vraagt de interviewer: ‘King Kong heeft als onderwerp een niet opgehelderde oorlogssituatie (...), te vergelijken, qua onderwerp, qua sfeer, misschien, met De donkere kamer, met het boek van Weinreb. Wat vindt u van het boek van Weinreb; wat vindt u van het plan er een documentair toneelspel (Nieuw Rotterdams Toneel) van te maken?’ Beide genoemde titels, King Kong en De donkere kamer van Damokles, zijn op het moment dat Ischa Meijer zijn vraag stelt onderwerp van hoog opgelopen conflicten, van overigens uiteenlopende aard. Het toneelstuk King Kong werd geschreven in opdracht van de gemeente Amsterdam, ingestuurd in april 1968, maar het werd niet opgevoerd. In augustus van dat jaar stuurde Hermans hetzelfde stuk, wederom in opdracht, naar de NTS (tegenwoordig: NOS), die het niet ensceneerde. Nu was hetzelfde stuk dus tweemaal ingeleverd zonder dat het vertoond werd, tot grote ergernis van Hermans: ‘Een schrijver, namelijk, schrijft geen toneelstuk om dit op enig gemeentehuis in een la te laten verdwijnen, na er een door drie veelbelovende nulliteiten ondertekend afwijzend juryrapport over te hebben ontvangen. Hij wil dat zijn toneelstuk opgevoerd wordt, op het toneel, op de TV, of waar dan ook.’[37] Maar niet alleen Hermans was ontevreden over de gang van zaken, ook ‘Lid Raad van Beheer voor Programmazaken TV’ J.W. Rengelink en de Amsterdamse wethouder W. Polak waren dat. In november 1969 wendden beiden zich tot Hermans met de vraag, of hij niet hetzelfde stuk tweemaal in opdracht had ingestuurd, met andere woorden voor hetzelfde werk tweemaal een honorarium ontvangen had. Tot vlak voor het interview met Ischa Meijer heeft deze kwestie Hermans achtervolgd: nog op 10 januari 1970 stuurde Rengelink een stukje naar Vrij Nederland, waarin Hermans’ manier van handelen bekritiseerd werd. De donkere kamer van Damokles was Hermans’ eerste titel die unaniem lovend besproken werd en bovendien een commercieel succes was, maar ook een titel – niet de enige, trouwens – die tot hoog oplopende conflicten met zijn uitgever Van Oorschot leidde en wel op drie punten. Ten eerste vond Hermans dat zijn percentage van de filmrechten (Fons Rademakers liet in april 1961 weten de filmrechten te willen kopen) te laag was. Ook zou Van Oorschot buiten zijn boekje gegaan zijn bij de verkoop van de vertaalrechten; hij had, volgens Hermans, alleen mogen bemiddelen, niet zelf de contracten mogen ondertekenen. Ten slotte verkocht Van Oorschot de vierde en vijfde druk van de roman als ‘herziene’ drukken zonder dat ze werkelijk herzien waren: alle zet-, druk- en andere fouten van de derde druk kwamen er nog in voor.[38] Deze conflicten hadden al tot diverse rechtszaken geleid, alle tot dusver verloren door Hermans. Pas in september 1970 zouden zij op een voor Hermans bevredigende manier opgelost worden. Misschien dat deze gegevens, eerder in het interview terloops ter sprake geweest, Hermans verleid hebben tot de afwijzende reactie op Meijers vragen, waarvan hij de eerste niet expliciet beantwoordde. Deze afwijzende reactie maakt een omtrekkende beweging. Over Weinreb’s boek zegt Hermans niets en hij benadrukt: ‘Een oordeel over de zaak-Weinreb heb ik niet zo (...).’ Geen oordeel dus, maar vervolgens presenteert Hermans zich wél als iemand, wiens oordeel van groter gewicht is dan dat van Jacques Presser en de recensenten van Collaboratie en verzet. Zonder zelf expliciet een oordeel te geven, verwerpt Hermans het gunstige oordeel van Presser en critici – en lijkt daarmee een ongunstig oordeel te impliceren. ‘Kijk, die drie delen zijn in feite voortgekomen uit de pagina’s uit Ondergang waarin Presser voor rechtsherstel van Weinreb pleit, waarbij hij aantekent alle documenten van de zaak te hebben gelezen. Welnu, Presser noemt Weinreb steeds “Friedrich” terwijl die man nooit en te nimmer zo heeft geheten, of zich zo heeft genoemd, wel Fryderyk, Fris [sic; bedoeld is Frits] of Freek maar nooit Friedrich. Voorts vermeldt Presser, dat Weinreb zes kinderen zou hebben gehad, ook dat is onjuist. Het lijken details, maar voor iemand die voorgeeft alle documenten te hebben gelezen, toch wel dubieus...’ Hermans’ bezwaren laten zich op geen andere dan de volgende wijze lezen: Presser is een onzorgvuldig onderzoeker, zijn oordeel is niet betrouwbaar en daarmee had zijn Ondergang ook geen aanleiding mogen zijn voor de publicatie van Collaboratie en verzet. Op een vergelijkbare manier wordt de oordeelkundigheid van recensenten in twijfel getrokken. Critici waren overwegend lovend over Weinreb’s trilogie, maar: ‘Ik heb alle drie de delen gelezen, het eerste snel, de andere twee met moeite, maar ik heb ze gelezen, gewoon omdat ik wist dat de recensenten op het moment dat de recensies verschenen die boeken nooit gelezen konden hebben...’ Ten slotte laat Hermans zich uit over het verband tussen De donkere kamer van Damokles, King Kong, Collaboratie en verzet en het door het NRT aangekondigde toneelstuk naar de zaak-Weinreb. ‘Het succes van het [nl. Weinreb’s] boek... misschien dat men onbewust de stijl van De donkere kamer een beetje nagevolgd heeft omdat het onderwerp zich er zo uitermate voor leende, ik weet ’t niet. Maar nu, dat toneelstuk naar de zaak-Weinreb, dat vind ik gewoon, gezien King Kong, imitatie; misschien dat Weinreb nu een beetje beter ligt dan King Kong... ik weet ’t niet. Maar in ieder geval, ik ben er niet blij mee, met zoiets. Het ergert mij, ja.’ Imitatie, luidt de beschuldiging dus. De verwantschap van onderwerp in de genoemde titels van Hermans en Collaboratie en verzet lijkt duidelijk: de moeilijkheid, zo niet onmogelijkheid de schuld of onschuld van de hoofdpersoon te bewijzen. Dat ‘men’ – niet helemaal duidelijk is wie daaronder verstaan moeten worden: Renate Rubinstein en Weinreb lijkt voor de hand te liggen – daarbij ‘onbewust de stijl van De donkere kamer een beetje nagevolgd’ zou hebben, wordt niet inzichtelijk gemaakt. Dat mag nauwelijks verbazing wekken: Ischa Meijer vroeg nu eenmaal niet door. Al met al roept Hermans’ irritatie de herinnering op van een polemiek die met deze kwestie veel overeenkomsten vertoont: de brochure Het geweten van de Groene Amsterdammer of Volg het spoor omhoog. Mandarijnen op zwavelzuur № 1, verschenen in januari 1955 bij Van Oorschot. In die brochure rekent Hermans af met J.B. Charles, schrijver van Volg het spoor terug (1953). Wilbert Smulders vat de kritiek in Hermans’ brochure als volgt samen: ‘Dit boek wordt geprezen, het krijgt een romanprijs, terwijl de kracht ervan is dat het nu juist over de werkelijkheid gaat: een boekje open over de wereld van het verzet en van de wederopbouw.’[39] Op hetzelfde moment was er voor de literaire kwaliteit van Ik heb altijd gelijk (1951) geen oog: alle aandacht vestigde zich op het proces waartoe de roman aanleiding gaf. En nu bleek Weinreb’s boek, dat net als Volg het spoor terug een boekje open wil doen over de bezettingstijd, eveneens sterk in de belangstelling te staan – terwijl voor King Kong, geen roman maar wel een oorspronkelijk toneelstuk, geen interesse getoond werd. –De overeenkomsten met de polemiek over Volg het spoor terug komen ook in hoofdstuk 3 nog aan de orde, waar blijken zal dat ze ook Hermans zelf niet ontgaan zijn. De beschuldiging van imitatie enerzijds, en van een onterechte waardering als roman van Weinreb’s memoires terwijl tegelijkertijd een oorspronkelijk werk van Hermans niet op waardering rekenen kan anderzijds, maakt aannemelijk dat Hermans naar Weinreb’s trilogie keek met de blik van een ‘mandarijnenjager’. Daarbij moet bedacht worden, dat de status van een interview niet gelijk is aan die van scheppend proza. Glaudemans (1990) beschouwt interviews principieel als secundaire literatuur ‘omdat ze niet rechtstreeks onder de verantwoording van de schrijver tot stand gekomen zijn. Er kan een zekere mate van kleuring van de woorden van de auteur optreden doordat de interviewer door zijn vragen bepaalde uitspraken kan uitlokken, juist tegenhouden of accentueren, en doordat hij uiteindelijk verantwoordelijk is voor de redactie van het interview en niet de geïnterviewde. Zelfs als de auteur dit achteraf heeft geautoriseerd blijft voorzichtigheid geboden.’[40] Tegelijkertijd erkent Glaudemans dat interviews gehouden in de periode waarop onderzoek betrekking heeft, bruikbaarder zijn dan interviews waarin teruggeblikt wordt: kleuring blijft mogelijk, maar vertekening door een falend geheugen treedt nog niet op. Daaraan zou nog toegevoegd kunnen worden, dat het interview in kwestie niet alleen geautoriseerd is, maar ook met welbevinden van Hermans opgenomen is in de bloemlezing Scheppend nihilisme (1979). Daardoor draagt het interview met goedkeuren van Hermans sterk aan de beeldvorming rond zijn schrijverschap bij. Weinreb moet door Hermans’ lezers dus beschouwd worden als een mandarijn, evenals Weinreb’s pleitbezorgers Presser en Renate Rubinstein – al wordt de laatste niet bij naam genoemd. Op basis van het bovenstaande, lijkt zo’n veronderstelling gerechtvaardigd en bovendien lijken er geen aanwijzingen tot een andere aanname te komen.
Hermans geeft in het genoemde interview twee voorbeelden, waaruit volgens hem blijkt dat Presser’s betrouwbaarheid in het geding is. Daarmee komt, zo lijkt de suggestie te luiden, het bestaansrecht van Collaboratie en verzet te vervallen, want deze driedelige memoires zijn uiteindelijk verschenen naar aanleiding van Presser’s oordeel. De fouten waarmee Hermans Presser’s vermeende ondeskundigheid illustreert, zijn dat Presser niet weten zou wat de voornaam van Weinreb is, en ook niet hoeveel kinderen hij heeft. In beide gevallen vergist Hermans zich, en Renate Rubinstein laat niet na dat in een ingezonden brief te laten weten. Terecht stelt zij dat Weinreb wel degelijk als Friedrich werd ingeschreven in zijn geboorteplaats Lemberg. Pas toen Lemberg tot Polen ging behoren, kreeg zijn naam de Poolse spelling Fryderyk.[41] Wat betreft Weinreb’s kindertal baseerde Hermans zich ten onrechte op Collaboratie en verzet, waarin inderdaad sprake is van niet meer dan vier kinderen. Maar dat neemt niet weg, dat Weinreb ook na de oorlog nog tweemaal vader werd. In plaats van zijn vergissingen te erkennen, verweert Hermans zich twee dagen later tamelijk zwakjes – zoniet onzinnig – in dezelfde krant: ‘De Weinreb-discussie, of hoe men het noemen wil, gaat over Weinreb’s oorlogsbelevenissen en daarom is het aantal kinderen dat hij tijdens de oorlog had relevant.’ Met betrekking tot Weinreb’s voornaam haalt Hermans de verslagen van de Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 aan. Daarin is ‘een verhoor gepubliceerd afgenomen aan FREDERYK Weinreb, die onder ede verklaart (...) tijdens zijn gevangenschap in Scheveningen eens een stukje van een gesprek te hebben afgeluisterd, dat gevoerd werd tussen Rauter en Schreieder (...).’ Onder ede of niet, dit is geen bewijs dat Weinreb nooit Friedrich geheten heeft, en bovendien is het citaat nog incorrect ook, want in de aangehaalde bron staat Fryderyk, niet Frederyk. Dat Hermans Rubinstein’s commentaar niet weerleggen kon besefte hij kennelijk, want hij verlegt de aandacht snel wanneer hij vervolgt: ‘Op pagina 1782 van de mémoires lezen we: “Ik heb (...) een verklaring afgelegd voor de Enquêtecommissie voor het Englandspiel, aangezien ik eens in ’48 daarover een gesprekje had gehad met Rauter.” / Zo schrijft men mémoires, als men niet onder ede staat.’[42] Dat Hermans niet heeft kunnen weerleggen wat Rubinstein te berde brengt, wordt nog aannemelijker gemaakt in Scheppend nihilisme.[43] De bewering dat Weinreb géén zes kinderen gehad zou hebben blijft gehandhaafd, maar de bewering dat hij ‘nooit en te nimmer’ Friedrich geheten heeft of zich zo heeft genoemd, wordt van een voetnoot voorzien: ‘D.w.z. niet in Nederland. W.F.H.’, staat daarin, met een vanzelfsprekendheid die niet vermoeden doet dat Hermans hier, nog voor zijn eigenlijke deelname aan het Weinreb-debat, al een nederlaag heeft moeten verduren. Met een achteraf dubieuze opmerking wordt Hermans’ ingezonden brief in Het Parool besloten: ‘Ik wens mij overigens ook nu niet over de “zaak-Weinreb” uit te spreken en zeker wens ik niet bij te dragen tot (zoals Renate Rubinstein beweert) “de mystificatie om Weinreb”.’ Een kleine drie weken later koestert Hermans die wens niet meer.
2. Fryderyk de Vrome
In ‘Koning Holleweinreb: Fryderyk de Vrome’ is nog geen sprake van juffrouw Turksma. Maar alle zaken waarvan wel al gesproken wordt, zullen steeds terugkerende kwesties blijken te zijn. De integriteit, kundigheid en het fatsoen van Jacques Presser worden in twijfel getrokken. De zedendelicten waarvoor Weinreb veroordeeld wordt, in 1968, worden in één adem genoemd met zijn zeer kuise en vrome uitspraken in diverse media. Onnodig te omschrijven welk effect daarmee gesorteerd wordt. Een werkelijk fundamentele kwestie kan al in de tweede alinea gevonden worden. ‘Als je progressief bent en in Vrij Nederland schrijft, is alles wat Fryderyk Weinreb beweert, echt waar. Als je twijfelt of het waar is, zegt Links dat je Rechts bent en dus een grote schurk.’ Zonder slag om de arm, kortom, stelt Hermans dat de visie op Weinreb die in Vrij Nederland beleden wordt, op blind geloof berust en niet op fatsoenlijke documentatie. Het beeld van progressieve Weinreb-sympathisanten, die zich onvoldoende in het onderwerp verdiept zouden hebben, is een thema dat in allerlei variaties in het artikel opduikt. Om te beginnen probeert Hermans het opnieuw met Presser. Twee slordigheden worden vermeld. Ten eerste: ‘Het register van Ondergang vermeldt de kuise Freek als ‘Dr’ Weinreb. Dr. kan hier geen ‘doctor’ betekenen, want hij is doctorandus. Betekent het dan misschien ‘dokter’, hoewel Weinreb in 1965 nog niet wegens het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst was veroordeeld? Dat zou tragisch zijn.’ Zo’n slordigheid in een register is te gering om al te ernstig te nemen, des te meer omdat niet Presser zelf, maar P.G. Rijser het register samengesteld heeft, zoals er netjes boven staat. (Dat neemt trouwens niet weg, dat Presser eindverantwoordelijk blijft voor zijn boek.) En ook al verschijnt er een week later een ingezonden brief van ene P.H. Ras die daarop wijst[44], het verwijt wordt gewoon overgenomen in Van Wittgenstein tot Weinreb. Wél wordt daarin een andere verbetering aangebracht – er komt te staan: ‘Betekent het dan misschien ‘dokter’, hoewel Weinreb in 1965 nog slechts eenmaal wegens het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst was veroordeeld? Dat zou tragisch zijn’ [curs. toegevoegd]. Deze stille verbetering in een verder ongewijzigde zin maakt het vermoeden nog sterker, dat Presser niet zozeer een slordigheid aangewreven wordt, maar dat deze slordigheid er met de haren bijgesleept wordt om te kunnen refereren aan het doktertje spelen van Weinreb. Niet meer dus dan een retorische kunstgreep, om Weinreb te meer in een kwaad daglicht te kunnen zetten. Maar P.H. Ras beweert ook: ‘De hele aanval op Presser spitst zich toe op het uitsmijtertje (...) op pag. 41 rechts onderaan.’ Bedoeld wordt de geciteerde alinea over het register van Ondergang. Hier toont hij zich een slecht lezer, want op pagina 42 vervolgt Hermans met een tweede slordigheid, maar nu een echte. ‘Presser beweert kennisgenomen te hebben van “duizenden bladzijden onafzienbaar materiaal, dossiers, brieven, knipsels e.d.[”] en toch vermeldt hij in zijn résumé nagenoeg niets dat niet ook in Weinreb’s eigen verhaal en de daarbij opgenomen vonnissen staat te lezen. Zeer belangrijke Weinrebberige heldenfeiten laat Presser zelfs helemaal weg. (...) Het is een vaststaand feit dat er in december 1943 geen enkele trein uit Westerbork vertrokken is. Wat zat daar achter? Wie? Weinreb! (...) Er staat geen woord over dit opzienbarend heldenfeit in Presser’s historische verslag! Ik vind dit raar en naar. Foei, professor, ook gij! Ook gij doet Friedrich onrecht! Nergens in uw boek komt Freek met zijn uit Westerbork teruggestuurde trein ter sprake! Hoe kan dat?’ Met zoveel woorden wordt het – en dat is verbazingwekkend – niet gezegd, maar het is duidelijk dat Hermans doelt op een inconsistentie van Presser. Presser schrijft immers in zijn hoofdstuk over Weinreb: ‘Weinreb werkte niettemin door, reisde o.m. meermalen heen en weer naar Westerbork, waar hij gaandeweg wel een vijftienhonderd ‘klanten’ had, die hem honderd gulden per stuk betaalden, met deze buit hield hij Bolland c.s. een tijdlang zoet.’[45] Dit kan alleen maar betekenen, dat dankzij Weinreb deze vijftienhonderd ‘klanten’ uitstel van deportatie naar Auschwitz kregen, precies zoals Weinreb zelf ook beweert in hoofdstuk 105 van Collaboratie en verzet. Dit uitstel dateert Presser in de periode november 1943 tot midden januari 1944, in dezelfde periode dus waarin inderdaad geen treinen reden. Maar in Presser’s hoofdstuk over Westerbork staat een heel andere verklaring voor het stilvallen van de transporten. ‘Men vergeve de schrijver, dat hij, terwille van het contrasteffect, even melding maakt van de merkwaardige pauze in de wegvoeringen gedurende het laatste kwartaal van 1943 tot in januari 1944. / Het is de quarantaine, op 19 oktober bij Lager-Sonderbefehl ingesteld wegens de talrijke gevallen van besmettelijke ziekten (kinderverlamming, difterie, roodvonk, geelzucht); het is een zeer uitvoerig stuk, waarvan het belangrijkste voor ons is: “Ieder contact tussen het kamp en de buitenwereld is in principe verboden”.’[46] Presser, overtuigd van Weinreb’s goede trouw, kón niet beamen dat Weinreb’s versie van de teruggestuurde trein juist is, zonder zichzelf tegen te spreken. Er zijn twee mogelijkheden, die beide kwalijk zijn voor Presser: óf hij heeft Weinreb’s verhaal, dat deze er persoonlijk voor gezorgd had dat de transporten stil kwamen te liggen, verzwegen in de wetenschap dat Weinreb loog; óf hij kende Weinreb’s verhaal helemaal niet en had die ‘duizenden bladzijden van een welhaast onafzienbaar materiaal, dossiers, brieven, knipsels e.d.’[47] lang zo grondig niet bestudeerd als hij beweerde. Hiermee is het laatste woord over de integriteit van Presser nog lang niet gezegd; enkele weken later zal Philo Bregstein zich nog met de kwestie bemoeien – Presser zelf niet meer; hij overlijdt op 30 april 1970.
Ruim daarvoor, net als genoemde P.H. Ras op 11 maart, reageert Aad Nuis op Hermans’ artikel, ook met een ingezonden brief in de Haagse Post. Tamelijk onbevangen lijkt Aad Nuis nog. Hij doet het voorstel Hermans’ essay als een ‘proeve van woordkunst’ onschadelijk te maken: ‘Het gaat hier om een literair werk, en dus om de eigen wereld van de schrijver, de eigen rekenwereld ook, die nooit of te nimmer verward mag worden met de platvloerse wereld van gewone stervelingen. Wie dat miskent, en het kunstwerk verziekt met buitentekstuele gegevens, doet de kunstenaar Hermans groot onrecht. Bovendien krijg je de gekste resultaten.’ Met ‘de eigen rekenwereld’ doelt Nuis op de door Hermans gebruikte methode om het percentage joden te berekenen, dat dankzij Weinreb’s lijstactiviteiten de oorlog overleefd had. De manier waarop Hermans het percentage overlevenden uitrekende, is eenvoudig: ‘Op p. 1911 [van Collaboratie en verzet] lezen we: “2000 mensen; 500 gesperd in Westerbork; 100 à 200 hiervan gered; 50 à 100 mensen geholpen bij onderduiken.” Een kleine optelsom brengt het getal der geredden dus op hoogstens 300. Hoeveel is dat op 2000? Precies: dat is ook 15 %.’[48] –Ook, in die zin dat 15 % van alle joden in Nederland de oorlog overleefd heeft. Maar hiermee is de kous niet af: ‘Achter in het boek staan getuigenissen afgedrukt van lieden die zich door Weinreb geholpen achten. Dat zijn er weer heel wat minder dan 300. Het betreft (de lezer moet het zelf natellen) hooguit 50 personen. Waarom niet meer? “Alleen al een lijst van namen zou ettelijke pagina’s vullen,” beweert Renate Rubinstein (p. 1921). Kwam dat er nog wat op aan, gezien het feit dat het boek toch al 1926 pagina’s telde? Was er zelfs geen ruimte om tenminste een exact cijfer te noemen? Nee, lieve meid, dat geloof je zelf niet. / Conclusie: Weinreb’s “verzet”, voorzover echt, is niet doeltreffender geweest dan het verzet van anderen. 50 omgerekend op 2000, dat is maar 2½ %, dat is 12½ % beneden het landelijk gemiddelde.’ Nuis gaat, als gezegd, met deze methode niet akkoord. Hij ontwikkelt, als tegengewicht, een visie op die methode, die tot verbluffende resultaten leidt: ‘Er leefden in die tijd ruwweg 4.000.000 volwassenen in Nederland. Als ieder van hen 50 mensen had gered, dan zouden er na de oorlog 200.000.000 joden uit hun schuilplaatsen zijn opgedoken. We zitten dan nog maar op 2½ %, om aan het landelijk gemiddelde te komen moeten we dus met 6 vermenigvuldigen. (...) Omgekeerd wordt het beeld een beetje anders. Er zijn ca. 15.000 mensen gered, door 4.000.000; het landelijk gemiddelde is dus 0,00375 geredde per volwassen hoofd, d.i. 0,0075 % van wat Weinreb volgens Hermans heeft gedaan, of (weer delen door 6) het landelijk gemiddelde is 0,00125 % of één tachtigduizendste van het landelijk gemiddelde. (...)’ Dat Weinreb 50 mensen gered zou hebben, kan juist zijn. Beter gezegd: het lijkt, zoals Hermans constateerde, merkwaardig wanneer er veel meer voor Weinreb gunstige verklaringen bestonden, die door Rubinstein uit plaatsgebrek niet aan Collaboratie en verzet toegevoegd zijn. Ook Nuis’ rekensom, dat 4 000 000 volwassenen x 50 geredde joden 200 000 000 joden oplevert, is correct, maar dat maakt nog niet dat zijn redenering ergens op slaat. Als in Nederland 15 % van alle joden de oorlog overleefd heeft, betekent dat automatisch dat in een gemiddelde gemeenschap óók 15 % overlevende joden moeten zijn. Als er, toevallig, in een of ander dorp 60 % van de daar wonende joden de oorlog overleefd heeft, is dat dorp geen gemiddeld dorp en dat kan verklaard worden door bijvoorbeeld veel gelegenheid of bereidwilligheid onderduikers te verstoppen. Als het percentage in zo’n dorp niet meer dan 2½ % is, kan gedacht worden aan een al te ijverige veldwachter. Wat voor een dorp geldt, geldt evenzeer voor elke andere willekeurige verzameling personen – ook voor de kennissenkring van Weinreb. De denkfout van Nuis berust erop, dat hij Weinreb 50 mensen laat redden, terwijl diezelfde mensen, statistisch gezien, het zonder Weinreb’s hulp ook wel gered zouden hebben. Als de ‘controlegroep’ van Weinreb statistisch ver onder het landelijk gemiddelde blijft, luidt de conclusie zonder meer dat Weinreb’s lijstenspel minder doeltreffend is geweest dan andere vormen van verzet, sterker: in dat geval had hij beter helemaal niets kunnen doen. Dat neemt niet weg dat de getallen waarmee Hermans rekent, volgens een op zichzelf juiste methode, wel niet volledig uit de lucht gegrepen zijn, maar ook niet aan betrouwbare bronnen ontleend zijn en feitelijk nergens op slaan, zoals andere bronnen nog zullen leren.
Opmerkelijk genoeg roepen de methoden van Hermans kennelijk veel weerstand op, maar zijn werkelijke slordigheden niet. Want waar Hermans zich bedient van Weinreb’s gebrekkige kennis van het Frans om zijn fenomenale geheugen in twijfel te trekken, ontlokt hij aan P.H. Ras protest tegen de onzinnige methode. Toch zou de minste moeite al getoond hebben, dat Hermans een voorbeeld geeft dat in Collaboratie en verzet helemaal niet lijkt voor te komen. ‘Professor Weinreb schrijft Rue des Patriotes met twee t’s, piqûre met een c en zonder accent circonflexe, noemt het Ter Kamerenbos op p. 1422 Bois du Cambre, op p. 1441, eigenhandige tekening, Bois du Chambre, maar nergens Bois de la Cambre, wat het zijn moet.’ Dat er op p. 1441 Bois du Chambre zou staan, is niet waar. Evenals op pagina 1422 staat daar Bois du Cambre, wat dan fout mag wezen, maar niet zo fout als Hermans wil doen voorkomen. Toch is het voorbarig om te spreken van tekstvervalsing, want op pagina 1384 komt wél de spelling ‘Bois du Chambre’ voor. Kennelijk is Hermans, ook hier, slordig geweest. ‘Een Nederlands-talige Belg laat hij het over “de gare [sic]” hebben (1385), in plaats van over “de statie”’, vervolgt Hermans. Dat het hier een Nederlandstalige Belg betreft valt uit de tekst niet op te maken – Weinreb vertaalt Franse dialogen, in tegenstelling tot Duitse, steeds in het Nederlands. Bovendien is Weinreb wat dit betreft heel wel op de hoogte van het Vlaamse taaleigen, want op pagina 1315 is sprake van de ‘Midden-statie’ van Antwerpen. Ook op pagina 28, drie weken later in ander verband door Hermans aangehaald, is sprake van ‘de statie’ in dezelfde plaats. Het volgende kan een verklaring zijn. Enkele regels boven het door Hermans geciteerde ‘de Gare’, met hoofdletter, wordt gerept van ‘Gare du Nord’ en vermoedelijk is ‘de Gare’ bedoeld als afkorting voor die naam; vandaar dan ook de door Hermans verheimelijkte hoofdletter. De zwakte van Hermans’ detailkritiek schuilt niet alleen in de gebrekkige logica, maar ook in zijn eigen slordigheid. In het geval van de Vlaamse stations lijkt er zelfs sprake te zijn van opzettelijke tekstvervalsing: het doen verdwijnen van een kapitaal om – vermoedelijk ten onrechte – Weinreb op een onjuistheid te kunnen wijzen.
3. Forum in Groningen
Op donderdag 12 maart vindt in een Groningse studentensociëteit een forum over Weinreb plaats. Aanwezig zijn, behalve een hoogleraar strafrecht, vier prominente betrokkenen in de Weinreb-discussie: Aad Nuis, Renate Rubinstein, Henriëtte Boas en W.F. Hermans. Het forum zal in grote wanorde verlopen zijn; een nauwkeurig verslag bestaat er dan ook niet van. Het ludieke verslag erover dat A.J. Heerma van Voss in de Haagse Post van 18 maart plaatst, is een samenraapsel van allerlei uitspraken tijdens dat forum gedaan, maar voor het merendeel van die uitspraken is het noodzakelijk veel kennis te hebben om ze te kunnen begrijpen. Ook Hermans geeft, onder de titel ‘De wasscher van de zwakken’, een week later in hetzelfde blad een beschrijving van de avond.[49] Althans, dat zou een lezer na de inleidende alinea kunnen vermoeden, maar al spoedig blijkt dat wat zich op dat forum afgespeeld heeft, in het essay nauwelijks ter sprake komt. Dat is zeer merkwaardig. Tijdens dat forum namelijk doet Rubinstein uitspraken over juffrouw Turksma, die na de oorlog een verklaring afgelegd zou hebben over haar arrestatie. Deze verklaring zou bevestigen wat Weinreb in zijn memoires schreef over de aanleiding van zijn eigen arrestatie: Turksma zou beweerd hebben valse papieren van Weinreb te hebben ontvangen, evenals het advies onder te duiken. Deze voorstelling van zaken is van groot belang voor Weinreb, want hieruit blijkt zonneklaar dat hij, al stelde hij op niets gebaseerde emigratielijsten samen, mensen toch het advies gaf onder te duiken en hen dus niet in gevaar bracht met zijn fantastische spel. Maar tijdens het debat staat plotseling een oudere dame op. ‘“Mag ik even interrumperen, juffrouw Rubinstein, ik bén juffrouw Turksma, en ik ben nog nóóit gehoord”. Rubinstein: “U bent na de oorlog toch...?” Turksma: “Ik ben nóóit gehoord”. Rubinstein: “Maar u zegt ook dat u Weinreb nooit ontmoet hebt!” Turksma: “Nooit ontmoet”.’[50] Dat Turksma ontkende gehoord te zijn en Weinreb te kennen, wist Rubinstein al lang en haar verbaasde reactie is dus gespeeld, of het gevolg van verwarring dat Turksma onverwacht aanwezig bleek te zijn. Want onmiddellijk na het verschijnen van het eerste deel Collaboratie en verzet, mei 1969, deelde Bep Turksma haar dat al telefonisch mede. Jaren later bevestigt Rubinstein zelf, dat een dergelijk telefoongesprek plaatsgevonden heeft.[51] Het merkwaardige is, dat Hermans deze gebeurtenis niet vermeldt in zijn, aanvankelijk als verslag van het forum aangekondigde, artikel – nota bene verschenen ná het hierboven aangehaalde verslag van Heerma van Voss. Eerst op het forum, daarna in het verslag daarvan door Heerma van Voss had Hermans een sterke aanwijzing gekregen, dat Rubinstein een onwaarheid verkondigde over een elementair detail in Weinreb’s verhaal, maar zijn lezers attendeert hij daar vooralsnog niet op. Een mogelijke verklaring voor deze terughoudendheid laat zich misschien vinden in de eerder aangehaalde kritiek van Rubinstein in Het Parool. Wellicht durfde Hermans het na die nederlaag niet nog een keer aan slecht gedocumenteerd met aantijgingen te komen, die door Rubinstein al te eenvoudig ontkracht zouden kunnen worden. Ook kan het zijn, dat Hermans de uitspraak wilde afwachten van een kort geding, dat door Turksma was aangespannen tegen Weinreb, Rubinstein en Meulenhoff en op 27 april voorkwam. Zij eiste, dat Het land der blinden uit de handel genomen werd, omdat de inhoud daarvan ten onrechte haar goede naam zou aantasten. Overigens werd zij in het ongelijk gesteld. . Over deze uitspraak zou Hermans, hoewel op de zitting aanwezig, pas jaren later schrijven: ‘Het verlossende woord moest komen van de stokoude, bijna gepensioneerde president van de rechtbank, Mr. Stheeman. ‘Nou, nou, tut, tut’, kon je hem bijna zien denken. En hij besliste dat Turksma niet kon bewijzen dat het verhaal onjuist was. Op de Nederlandse tullefiessie is iedereen onschuldig zolang zijn schuld niet is bewezen. Maar in de Nederlandse rechtszalen gaat dat heel anders.’[52] Renate Rubinstein en Aad Nuis hebben zich nooit uitgelaten over de uitspraak, maar het feit dat zij Hermans’ versie niet bestreden hebben bewijst niet dat deze juist is. Wel een sterke aanwijzing daarvoor geeft de journalist Ben van der Velden in zijn, bepaald niet van bewondering voor Hermans getuigende, sleutelroman De dood van prof. drs. M. (1974). Hierin schrijft hij: ‘Rechtbankpresident Slaper gedroeg zich tijdens de pleidooien op een weinig geïnteresseerde manier. Hij lag half onderuitgezakt in zijn stoel, zijn ogen waren half gesloten en zijn rechterhand ondersteunde zijn kin. (...) Mr. Slaper stelde niet [zoals alle aanwezigen, ‘Rosa Rosalia’ en ‘Anton Naaf’ incluis, verwachtten] M., maar mejuffrouw Takkema in het ongelijk. Hij vond wel dat zij genoeg redenen had om wat er over een mejuffrouw Takkema in M.’s boek stond, op zich zelf te betrekken. Maar hem was niet gebleken dat wat er in M.’s boek over een mejuffrouw Takkema werd gezegd, in strijd was met de waarheid.’ |